‘Hier mag alles, maar kan niks’

Eindelijk gaat het Stedelijk Museum Amsterdam weer open -tijdelijk natuurlijk. Hopelijk luidt dat het einde in van een trieste culturele periode in de hoofdstad, aldus Ann Demeester (1975), directeur van kunstencentrum De Appel en hofnar van de cultuurwethouder. ‘De Zuidas wordt niet levendig door er maar kunst en cultuur in te injecteren.’

Soms ligt ironie op straat. Neem deze situatie: je maakt een afspraak met Ann Demeester, de directeur van arts centre De Appel. Zij is een voorname spreekbuis van de Amsterdamse kunst- en cultuurwereld die er de afgelopen jaren vaak schande van sprak dat zoveel belangrijke musea in de hoofdstad tegelijkertijd gesloten zijn wegens verbouwing. Je zult elkaar treffen in de buurt van haar vakantieadres in Amiens, Noord-Frankrijk, in het plaatselijke Musée d’Art Local et d’Histoire Régionale. Daar blijkt dat je moet uitwijken naar een andere lokatie. Wegens verbouwing is het Musée gesloten tot 2012. Dan maar naar een terras in de buurt.

Wat is dat toch met al die gesloten musea? Kunt u, als belangrijke schakel in de Amsterdamse kunstwereld, bezoekers uitleggen waarom ze de collecties van het Rijks, het Stedelijk, het Scheepvaartmuseum en het Filmmuseum niet kunnen bekijken?

“Pfff… Nee, absoluut niet. De processen die daar aan ten grondslag liggen zijn zo kafkaësk; dat kun je je voorstellen in Bulgarije of Roemenië of misschien zelfs in mijn geboorteland België, maar niet in Nederland. Ik denk dat er niemand meer is die het zou wíllen verklaren. Maar ik word moe van mezelf als ik erover praat. We moeten nu maar naar de toekomst gaan kijken. Het Stedelijk gaat weer even open en dat is een enorme vooruitgang. Dat zorgt voor een zucht van verlichting in de stad.”

U was cultureel intendant van de gemeente Amsterdam. Die functie was het gevolg van een verzoek van wethouder Carolien Gehrels (kunst en cultuur, PS) in 2009. Wat vroeg ze u?

“In eerste instantie ging het om de Zuid-as en was de vraag of ik kon onderzoeken welke rol kunst en cultuur zouden kunnen spelen bij de ontwikkeling van dat gebied. Maar dat wilde ik niet, ik wilde het op stadsniveau doen. Toen hebben we het daarnaar omgebogen.”


Grappig, want in uw conclusies zei u min of meer: ‘Vergeet kunst en cultuur op die Zuidas, richt je nou maar op andere, bestaande dingen.’

“Tja. Ik heb er gewoon absoluut geen probleem mee als de Zuidas een soort La Défense wordt, een enorme kantorenwijk. Ik snap dat ze er een levendig gebied van willen maken, maar ik geloof niet dat je dat doet door er maar kunst en cultuur in te injecteren. Zeker niet als dat steeds gebeurt vanuit abstracte plannen en niet vanuit bevlogen personen. Met culturele initiatieven weet je nooit zeker wat er gebeurt en of er mensen op af zullen komen. Je kunt niet zeggen: bouw er een Kunsthal of een Grand Palais en alles komt goed. Dat soort pasklare ideeën bestaat niet. Dan kun je misschien beter Eurodisney een filiaal laten openen, of een nog groter winkelcentrum bouwen, of een waterparadijs. Kunst is geen instrument om de wereld te verbeteren of wijken direct beter te maken. Er wordt veel oneigenlijke druk op musea gelegd. Die moeten entertainen en aantrekkelijk zijn voor het grote publiek. Maar het grote publiek bestaat niet eens. En een museum zeggen dat mensen erheen moeten om vermaakt te worden, dat is zoiets als naar een club gaan en zeggen:’Waar is hier de intellectuele uitdaging?'”

De Zuidas was bepaald niet de enige kwestie waarover u een andere mening had dan de wethouder. Heeft ze achteraf spijt dat ze u gevraagd heeft?

“Haha, dat is echt een heel moeilijke vraag. Ik denk wel dat ze nu beseft dat het aanstellen van een intendant moeilijk en paradoxaal is. Je moet autonoom en kritisch zijn, maar werkt wel in opdracht van de gemeente. Sommige mensen zeiden tegen me: ‘Never bite the hand that feeds you’. Maar dat was nu juist mijn opdracht, om kritisch te kijken. Voor de wethouder is het, denk ik, een try-out geweest. Ik denk dat ze het wel een interessant model vindt. En Amsterdam is grootmoedig genoeg om het nog een keer te doen. Dat vind ik nog steeds bijzonder: dat de stad me zoveel ruimte heeft gegeven, ook om te provoceren en te beledigen, met publiek geld.”


De titel ‘intendant’ heeft u niet verzonnen…

“Nee. Het is een militaire term; degene die op de troepen vooruitloopt en kijkt waar ze onderdak kunnen vinden. Maar ik ben geen visionair of profeet, ik kan niet zeggen wat er de komende dertig jaar gebeurt. Ik kan alleen naar het heden kijken.”

U heeft zichzelf weleens een nar genoemd.

“Ja. De nar mocht van oudsher op een humoristische manier kritiek hebben op het gezag. Hij werd toch niet serieus genomen.”En hij stond erom bekend altijd te provoceren.

“Precies. Maar wat ik gedaan heb, was niet zozeer bewust provoceren. In België is het, ondanks de beleefdheidscultuur, veel gebruikelijker om ongezouten je mening te geven. In conflicten mag beledigd worden; in de politiek wordt regelrecht aangevallen. In die zin ben ik nog voor een groot deel Belg. In Amsterdam is een ongezouten mening al een provocatie. Zodra je pijnpunten noemt, provoceer je. Maar als je niet durft te beledigen, kom je nergens.”

U heeft uw ongezouten meningen eerder dit jaar vastgelegd in een manifesto bij de S7 Summit, een bijeenkomst over kunst en stedelijke ontwikkeling. U pleitte voor een culturele bouwstop. Ik citeer: ‘Veel tijd engeld wordt gespendeerd aan luchtkastelen en nieuwe, peperdure projecten. Realiseerbare visies en bestaande infrastructuren moeten hierbij soms het onderspit delven.’ Dat ging ver.

“Ja. Dingen die ik aandroeg, werden soms afgedaan als een mallotige fantasie. Maar ze worden wel degelijk breed gedragen. Wat me stoorde in Amsterdam was de constante stroom aan nieuwe, groteske ideeën die nooit werden gerealiseerd. Bijvoorbeeld het Designmuseum en het Grand Palais op de Zuidas, het Cineac Cultureel Centrum in de binnenstad, MOMA aan het IJ in Noord en De Hallen Cultureel Centrum in West. Die projecten leidden enorm de aandacht af van wat er wél kon en moest gebeuren. En kijk nu eens: nu is door de crisis zelfs een totale bouwstop afgekondigd, puur uit financiële noodzaak.Ook daar zit een zekere ironie in.”


Nog een punt: u pleitte voor één culturele baas in Amsterdam. Een soort cultuurdictator?

“Nee, eerder een ombudsman. Eén loket. Dat hoeft natuurlijk niet één persoon te zijn. De Ombudsman is ook niet één persoon, maar een organisatie. Het gaat om een overzichtelijk, transparant systeem.”

Het ging u om de enorme wildgroei aan regels.

“Er is een oerwoud aan regels, per stadsdeel zelfs. Je moet dan wel klein denken. Stel dat je een festival wilt organiseren voor street art. Dan moet je per stadsdeel minimaal vijf mensen aanstellen om uit te zoeken waar je iets op straat kunt doen, waar je graffiti mag aanbrengen, waar je skaters kunt laten skaten. Dat is op het Museumplein totaal anders dan op het Olympiaplein of op het Anton de Komplein. Er is een liedje, van Raymond van het Groenewoud, waarin hij zingt over Nederland: alles mag er, maar niks kan. In België mag niks, maar kan alles. Snap je?”

Is het echt zo erg?

“Laat ik je één voorbeeld geven. Toen Smart Project Space (een centrum voor moderne kunst en cinema – PS) werd geopend, kwam de stadsdeelvoorzitter dat op dag één doen. Maar op dag twee moest alles weer dicht vanwege een horecavergunning die niet klopte. Dat gebeurde door diezelfde stadsdeelvoorzitter. Dat is belachelijk. En er zijn duizend-en-één van zulke voorbeelden. Op zichzelf hebben ze niet veel te betekenen, maar ze tekenen de sfeer. Het zit al in de stadsdeelstructuur. Het is niet zo dat alle stadsdeelvoorzitters idioten zijn, maar het systeem nodigt zo enorm uit tot lokalisme dat het een totaalvisie op de stad bijna onmogelijk maakt.”


Misschien moet u wethouder worden. Dan kunt u in ieder geval proberen er wat aan te doen.

“Nee, ik vind het veel te moeilijk om in compromissen te denken. Een politica moet idealistisch zijn en visie hebben, maar ook in staat zijn om het politieke spel te spelen. Dat kan ik niet. Misschien als ik eerst een spoedcursus politieke retoriek of onderhandelen krijg.”

Over politiek en kunst gesproken: vindt u niet dat Amsterdam het Nationaal Historisch Museum had moeten krijgen in plaats van Arnhem?

“Och, dat is zo’n politiek issue geworden dat meningen van weldenkende mensen er helemaal niet meer toe doen. Iedereen zou zeggen: ‘Waarom maak je daar niet gewoon een extensie van het Rijksmuseum van, of van het Rijksmuseum in Enschede voor mijn part?’ Waarom moet je er een nieuw gebouw voor neerzetten, zonder collectie, en er eindeloos over kissebissen? Dat is een politiek spel tussen kleuters geworden, daar kom je niet meer tussen.”

Is het goed nieuws dat de grachten-gordel nu op de Werelderfgoedlijst van Unesco staat? Dat zou kunnen leiden tot nóg meer regels.

“Het was onvermijdelijk. Een zekere mate van bescherming is ook wel nodig. In mijn geboortestad Brugge leefde ooit het reële plan om de hele vesting af te sluiten, de bewoners een soort pas te geven en alle anderen entree te laten betalen. Alsof het een soort pretpark was. We werden knettergek van alle Japanners, leefden in een openluchtmuseum en dachten: laten we er dan letterlijk munt uit slaan. Amsterdam is nog niet zo erg, maar de historische binnenstad is wel een attractie en een unicum. En wat regels betreft: alles is al zo dichtgetimmerd dat je heus niet nog minder zult mogen. Met alle welstandscommissies en regels is het al dusdanig streng, ik denk niet dat dat door de Unesco erger zal worden.”


Is uw intendantschap nu voorbij?

“Ja, ik heb vorige week het rapport officieel afgerond. Nu worden er twee schouwen aangesteld, weer een andere term. Die hebben een vrij vage opdracht gekregen. Ze moeten een soort overzicht formuleren, scannen hoe het culturele leven in Amsterdam in elkaar zit.”

Hoe lang blijft u nog in Amsterdam? En wat zou uw droombaan zijn?

“Dat weet ik niet. Ik heb nooit aan carrièreplanning gedaan. Ik ben hier ooit beland door het werk en inmiddels ben ik wel aan de stad gehecht. Niet verknocht, wel gehecht. Ik houd van Amsterdam zoals je van je pleegouders houdt: je blijft een adoptiekind, maar je bent wel goed terechtgekomen. En de stad biedt nog altijd veel mogelijkheden voor mensen in de beeldende kunst. Ik zou er wel een tijdje willen blijven werken. Soms denk ik stiekem: ik zou wel curator van het Museumplein willen worden. Alleen maar tentoonstellingen maken die de collecties van het Rijks, het Van Gogh en het Stedelijk met het nu verbinden. Puur bezig zijn met kunst, zonder al te veel randverschijnselen waar de directeur mee te maken heeft. Maar dat is een indirecte sollicitatie, dus dat is niet goed. Anders zou ik misschien curator van het Stedelijk zelf willen worden.”

U heeft iets met dat museum. Waar anderen klagen over de ontoegankelijkheid van het Rijks, begint uover het Stedelijk Museum.

“Bij het Rijks kun je tenminste de honderd topstukken nog zien. Je kunt nog gewoon De Nachtwacht gaan bekijken. Het Stedelijk was de laatste tijd helemaal dicht, de collectie stond opgeslagen. Dat museum speelt bovendien een heel andere rol. Het zit op de grens tussen het bevestigen van het oude en het tonen van het nieuwe. Iemand die niet vertrouwt is met moderne kunst heeft zulke plekken nodig om ermee in aanraking te komen. Die gaat niet naar De Appel of naar W139. Het is de sleutel voor de geïnteresseerde leek.”


Daar kan de bezoeker in ieder geval wel weer naar binnen.

“Ja. Dat is echt een heel belangrijke stap. Al die gelijktijdige sluitingen zijn bijna een symbool geworden van de manier waarop Amsterdam zijn zaakjes niet op orde heeft. Het is een grove onderschatting van de rol die dit soort plekken spelen in de stad. Hopelijk zal dit de sfeer in positieve zin veranderen. We gaan weer vooruit. En dit zal nooit meer zo gebeuren in Amsterdam.”

De tentoonstelling ‘The Temporary Stedelijk’ is van 28 augustus 2010 t/m 9 januari 2011 te zien in het Stedelijk Museum, dat gedurende die periode tijdelijk de deuren opent van zijn vaste stek: de Paulus Potterstraat in Amsterdam.

Ann Demeester (Brugge, 1975) is sinds 2006 directeur van arts centre De Appel, tegenwoordig gevestigd aan de Eerste Jacob van Campenstraat. In De Appel zijn tentoonstellingen en performances te zien en wordt werk getoond van internationale kunstenaars die (nog) niet zo bekend zijn. Eerder was Demeester directeur werd van W139, een centrum voor hedendaagse kunst in Amsterdam. Ze studeerde Germaanse filologie en werkte als journaliste in Vlaanderen.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Peter Smolders