Voetballen voor een halaltosti

Komen de spelers opdagen? Zijn er genoeg auto’s? En: hoe houden we onze elftallen in bedwang? Dat zijn nog de mindere zorgen van voetbalclub A.V.V. Sloterdijk. ‘Wegens niet geïnde contributies hebben we onze A-pupillen moeten terugtrekken.’ Portret van een armlastige voetbalclub. door Hans van Willigenburg, foto’s Herman Wouters

Wie het voetbalcomplex van A.V.V. Sloterdijk betreedt, kan niet om het woord ‘samenleving’ heen. Waar de meeste velden op z’n minst één zijde hebben die uitkijkt op een weiland, een rij bomen of een ander stukje natuur dat de geest kan doen dwalen, wordt A.V.V. Sloterdijk van alle kanten ingesloten door de polsslag van een voortrazende maatschappij. Vanaf de oostkant hoor je het voortdurende geraas van de A10 Ring West, vanaf de noordkant de onophoudelijke dreun van de vierbaans provinciale weg die het kantoorpark Sloterdijk met het stadscentrum verbindt, vanaf de westkant zorgt het viaduct voor een permanente stroom passerende treinen en vanaf de zuidkant is er de aanblik van de groezelige flats van Sloterdijk zelf, een wijk die tegen wil en dank alle ongunstige namen voor een wijk inmiddels heeft gedragen, waarvan ‘Vogelaarwijk’ de laatste is.

Rond een uur of kwart over zeven, het is al donker, betreed ik het complex. Op beide velden zijn pupillenelftallen aan het trainen, gastjes van een jaar of tien, elf. Als voormalig voetbaltalent schrik ik niet van een ‘vuile etter!’, een ‘stinkhoer!’ of een ‘schop ‘m dood!’ Sterker: ik kom een beetje thuis. Ik moet alleen even wennen aan het Amsterdamse taaltje, waar ik nooit aan zal wennen. “Helemàhl op ut èhnde,” zegt een heer op leeftijd, als de man naast hem vraagt of er dat weekend bij het eerste (vijfde klasse KNVB) nog gewisseld is. Ze staan langs de zijlijn en paffen een sigaretje weg. Wanneer ik het clubhuis betreed voor de jaarlijkse ledenvergadering en op het punt sta de trap te beklimmen, komen twee Marokkaanse pupillen giechelend naar beneden gestormd. “Wég, jullie!” roept een Amsterdamse stem van boven. “Ksssst!” Ik zie hoe de Marokkaanse voetballertjes, duwend en trekkend, naar buiten rennen, waarop ik mijn weg vervolg naar het kloppend hart van het clubhuis.


Eenmaal boven, rondkijkend in de schemerige ruimte met gordijntjes, stoffige

bekers, overjarige vaantjes en de onmisbare wandspreuken, gaat mijn hart helemaal open. Buiten mogen de barbarij van het gevloek en het motorische geraas dan de baas zijn, hier heerst de knusheid van de klassieke voetbalkantine, waar je – ooit omhuld door sigarettenrook, nu hoogstens door de damp van hete koffie – de wedstrijd nabespreekt en nog even doorneemt hoe blind die grensrechter was die niet voor buitenspel vlagde. De symmetrisch in het midden geplaatste nepbloemen in de opeenvolgende vensterbanken brengen mij emotioneel in beroering, maar via een tijdig slikken weet ik de onbalans te smoren.

Intussen begroet ik een aantal heren van mijn leeftijd, blanke veertigers, die aan de bar een recente inbraak in een kleedkamer bespreken (‘Om de zoveel tijd is het prijs, dat weet je toch?’). Als ik aangeef kennis te willen maken met het bestuur, word ik vriendelijk door enkele mysterieuze zweethokken geleid en sta ik plotseling in een verveloze pijpenla met achterin een ouderwetse grijze doos van een computer, waarachter de voorzitter (kalend, in pak) de laatste voorbereidingen voor de jaarlijkse ALV treft. Om hem heen de andere bestuurders.

Ik informeer naar de mogelijke knel- en discussiepunten van vanavond en naar de meest nijpende kwesties binnen de club. “Vrijwilligers, káder!” zegt bestuurslid José Reuvers zonder enige aarzeling. “Elke club heeft een ruggengraat nodig. Wij ook.” Ik vertel dat mij ter ore is gekomen dat verdere groei van de vereniging helemaal afhankelijk is van het succes op dit punt. “Om te beginnen moeten we alle zeilen bijzetten om de kantine goed bemand te krijgen,” beaamt Reuvers. “Soms zit er niks anders op dan zwaar in onderhandeling te gaan met de KNVB om thuiswedstrijden qua tijd dichter op elkaar te plannen. Als er te veel lege uren tussen zitten, zijn er niet genoeg mensen in de kantine.”


Zeker in de jeugdafdeling zijn de allochtonen bij A.V.V. Sloterdijk zwaar in de meerderheid. Tijdens mijn bezoek hoor ik achtereenvolgens schattingen van ’70-30′, ’80-20′ en ’90-10′. Die laatste gaat voorzitter Jan Scholte een beetje te ver. “Kom, kom. Niet overdrijven, hè?” Aangezien het adagium nog steeds luidt dat de jeugd de toekomst heeft en Sloterdijk die kreet volledig omarmt, zal ik de rest van de avond talloze voorbeelden voorgelegd krijgen van pogingen tot beleid en soms acute maatregelen om het voortbestaan van de club te waarborgen. “Ouders moeten het ook leren,” zegt Reuvers op een geduldige toon waar Job Cohen trots op zou zijn. Ze bedoelt: allochtone ouders. “Moslimmoeders mogen geen alcohol schenken. Dat is nu eenmaal een gegeven. Daar moeten wij als club mee omgaan. Dus wat doen we? We proberen die moeders op andere terreinen in te zetten. Op de website, bijvoorbeeld.”

Alvorens ik de kans krijg de eventuele bijdragen van de allochtone vrouwen aan de website nader te inventariseren (bouwen? Updaten? Wedstrijdverslagen schrijven?), begeeft het voltallige bestuur zich naar de kantine, alwaar men politbureau-gewijs – op een rijtje dus – tegenover de twintig à dertig opgekomen leden plaatsneemt. De vereniging telt circa vierhonderd leden, waarvan het merendeel jeugd.

Om met het goede nieuws te beginnen, trapt Scholte af met de mededeling dat het winnen van ‘de groene bal’, een officiële KNVB-onderscheiding voor maatschappelijke betrokkenheid, een van de hoogtepunten is van het afgelopen seizoen. De felgroene bal heeft al een plekje aan de muur gekregen en Scholte wijst er met enige trots naar. Applaus volgt. Na deze opkikker gaan de sluizen van de ellende open. De kleedhokken van de vereniging zijn ‘niet meer van deze tijd’ en derhalve dringend aan vervanging of een opknapbeurt toe. Voor het ‘leidingwerk’ geldt hetzelfde. Om de ernst van de situatie te accentueren, meldt Scholte dat ‘de schimmels op het plafond zitten’. Ook het washok en de EHBO-kamer, zo leid ik uit zijn woorden af, zijn amper ruimtes die de club met enig zelfrespect aan de buitenwereld kan presenteren. En dan zijn er, boven op deze noodreparaties, nog wilde plannen ‘de keuken door te breken’, het jassenhok en de toiletten ‘aan te pakken’ en een heus balkon te realiseren, waardoor je ‘buiten in het zonnetje naar de wedstrijden kunt kijken’. Scholte sluit af met de inktzwarte mededeling dat de deelgemeente, als laatste reddingsboei en derhalve veelgebruikt subsidieloket, de komende tijd weinig te schokken zal hebben, want op ‘zwart zaad’ zit.


De leden in de zaal zitten er verstomd bij. In plaats van een vergadering lijkt deze bijeenkomst meer op een partijcongres, waarbij de voorzitter annex partijchef de gang van zaken in een monoloog meedeelt. Maar de vergelijking gaat – gelukkig maar – mank. Sommen partijchefs doorgaans de glorierijke resultaten van een achterliggende periode op, en sporen ze de achterban aan om ook de toekomstplannen boordevol energie en daadkracht tot een succes te maken, Scholte speelt inhoudelijk eerder de omgekeerde rol: die van bezorgde vader die de zwakke bodem van de vereniging nog eens extra onder de aandacht brengt. “Gezien de omstandigheden bij de deelgemeente en onze huidige kaspositie,” zegt hij met merkbare tegenzin, starend naar een onzichtbare verte, “zien we ons genoodzaakt de contributie voor het volgende jaar te verhogen.” Hij noemt het bedrag (bewust?) nog even niet. De zaal geeft geen reactie en lijkt te zeggen: ‘Kom maar op met dat bedrag, voorzitter. Er is toch niks aan te doen.’ Scholte zet zijn vingertoppen tegen elkaar, ten teken dat hij belangrijke, misschien wel dramatische woorden gaat spreken. “De verhoging voor het komende seizoen 2011/2012 is vastgesteld op tien euro.”

Doodse stilte.

“Wie is er tegen?” vraagt Scholte aan het zaaltje. Hij kan net zo goed vragen of ze akkoord gaan met vegetarisch krokodillenvoer in de dierentuin van Boedapest; niemand zegt ‘boeh’ of ‘bah’ en dus is de contributieverhoging een feit. (Als je je bij deze club in nood aanmeldt voor een functie ben je – zo lijkt het wel – per direct boven elke vorm van kritiek verheven.)

Tijdens de pauze raak ik in gesprek met Kick Bruin, de wedstrijdsecretaris van de club. Hij ziet eruit als de volwassen versie van stripfiguur Kick Wilstra: kaal, rustig, diepe stem, een man van het overleg. “Misschien had je dat in je hoofd, maar we voeren hier geen discussies,” zegt hij, mijn gedachten radend. “De club is blij met iedereen die de handen uit zijn mouwen steekt. Op welke manier dan ook. Kritiek werkt niet. Althans, niet bij ons.” Bruin schetst A.V.V. Sloterdijk af als een kleinduimpje (‘Mijn zoon is hier weggegaan, die wilde hogerop’) dat tegen de grote boze buitenwereld blijft knokken tot het bittere einde. “Je wilt niet weten waar wij in de randgemeenten allemaal mee te maken krijgen,” zegt hij. “In oorden als Aalsmeer, Nieuw-Vennep en Badhoevedorp is de sfeer zó opgefokt. Dan hoeft er maar iets in het veld te gebeuren of we zijn meteen kut-Marokkanen!” Uitweiden over slaan- en schoppartijen wil hij vanzelfsprekend niet, maar hij ‘schaamt zich weleens dood’ voor wat er zich binnen de lijnen afspeelt. “Het wordt minder, hoor. We hebben nu gediplomeerde trainers. Ook allochtonen. Die vertellen die jongens vóór elke wedstrijd dat ze zich niet moeten laten provoceren. Vaak in hun eigen taal. Ze blijven hameren dat die gasten hun eigen wedstrijd moeten spelen. En dat ze uiteindelijk alleen zichzelf ermee hebben als ze zich laten gaan.”


Hij snapt dat de mogelijkheden van de KNVB beperkt zijn en dat er niet altijd mankracht is om zaken te voorkomen of achteraf te sussen, maar desalniettemin vindt Bruin het optreden van de bond veelal ‘te formeel’. “Als er een incident is geweest in het veld, of we hebben op het laatste moment het vervoer tóch niet voor elkaar gekregen, krijg je gewoon de mededeling dat er een schorsing volgt. Geen uitleg. Geen enkele poging zich te vergewissen van de achtergrond. Daar baal ik weleens van.” En Sloterdijk zit ook om andere redenen in het verdomhoekje. Een andere voetbalvereniging in het stadsdeel Westerpark, SDZ, zou een stiekeme allochtonenstop hebben ingevoerd. Verschillende leden houden aan de bar vol dat ze blanke jongetjes kennen die bij SDZ naar binnen glippen, terwijl de Ali’s en de Mohammeds worden geweigerd. “Ter vergelijking: wij hebben een totále ledenstop,” legt Scholte – wellicht ten overvloede – nog eens uit. “Blank of niet-blank. Bij ons kun je op dit moment niet naar binnen.”

Recht door zee, al is de werkelijkheid nog zo krom. Het is geen spreuk die aan de wand hangt, maar die ik de club uit eigen waarneming toedicht. Jeugdleider en kersvers ‘lid van verdienste’ Rini Degger (hij heeft zijn speldje, vijf minuten na de uitreiking, alweer in zijn broekzak gepropt) kan zich er prima in vinden, al was het maar omdat hij naar eigen zeggen ‘voor duidelijkheid’ is en ‘geen man van grijstinten’. Nippend aan zijn frisdrankje trekt hij me mee in de bureaucratische krochten van het stadsdeel en de circusachtige capriolen die hij moet uithalen om jeugdteams zonder al te veel kleerscheuren naar het einde van de competitie te trekken. Of het nu om procedures rond dispensatiespelers gaat, over al dan niet terechte schorsingen, over wanbetalers of over onduidelijke subsidieregelingen rond busjes: waar Rini komt, weet je al snel of het hom of kuit is. Of beter gezegd: sneller. “De enige manier om dit werk te doen,” zegt Rini, “is door het woord ‘probleem’ uit je geheugen te wissen en te vervangen door ‘uitdaging’.” Neem het goochelen met vervoer. Op last van de deelgemeente mag Rini alleen bepaalde, onder die subsidieregeling vallende bustaxibedrijven bellen. Hebben die de spelers keurig op en neer gereden en heeft Rini namens A.V.V. Sloterdijk afgerekend, dan moet hij met het bonnetje terug naar diezelfde deelgemeente om een vastgesteld percentage weer terug te krijgen. Er bestaan leukere hobby’s, erkent Rini. Maar hij doet het graag.


Waarvoor eigenlijk? “Die gezichten als ze een lekkere wedstrijd hebben gespeeld. De bravoure die je na een gewonnen pot van hun smoeltje kunt schrapen. De manier waarop ze trots die vuistjes ballen na een doelpunt. Dát zijn de dingen waar ik zelf ook van geniet. Dáár doe je het allemaal voor. Zeker als je weet hoe de rest van hun leven eruit ziet. Dan hoop je dat dát de momenten zijn waarop hun gevoel voor eigenwaarde dusdanig toeneemt dat ze geen rottigheid meer hoeven uit te halen.”

Hoop. Het is de dunne draad waar A.V.V. Sloterdijk met bewonderenswaardige kalmte aan vasthoudt. En waar je, ondanks bewondering voor de tomeloze inzet, als buitenstaander een stevig eisenpakket richting de leden aan toe zou willen voegen: betalen contributie, minimale inzet als vrijwilliger, Nederlands als voertaal, om er een paar te noemen, teneinde het hardwerkende kader enigszins te ontlasten. Maar we zitten hier in Amsterdam, niet in Almere of in een uithoek van Nederland. Bij A.V.V. Sloterdijk drinkt men – in eigentijds politiek jargon – nog ouderwets thee en is het visioen van een harmonieus verenigingsleven tussen verschillende culturen springlevend. Scholte wijst trots op de twee tosti-ijzers en twee aparte frituurpannen in de kantinekeuken: “Elk lid heeft recht op de versnaperingen die bij zijn of haar levenswijze of religie past. Dus hebben we gescheiden tosti-ijzers. Eentje voor gewone tosti’s en eentje voor halaltosti’s, met alleen kaas.”

Als ik op een gegeven moment tussen de huidige voorzitter en zijn voorganger in sta (‘We heten Jan en Piet. Ja, Hollandser kán het inderdaad niet!’) stel ik de allochtone deelname aan het bestuur aan de orde. Bestaat die überhaupt? Gelijktijdig en met twinkelende oogjes maken ze beiden melding van het feit dat ‘de heer Ali Benyahija’ thans de penningmeester is. En dat hij ‘kortere lijnen’ heeft naar allochtone leden, zodat het incassobureau bij wanbetaling wat vaker achterwege gelaten kan worden. Wanneer mijn oog tenslotte valt op wat ooit het flitsende schermpje met de laatste clubuitslagen van A.V.V. Sloterdijk moet gaan worden, zeggen Jan en Piet: “Dat project ligt in handen van een groepje allochtone jeugdleden. Die zijn heel handig met internet en computers.” Dat het scherm al de hele avond op zwart staat en geen enkel teken van leven afgeeft, bedekken ze met de mantel der liefde. “Het belangrijkste is dat ze het gáán doen,” zegt Scholte. “En tot die tijd communiceren we de uitslagen zo veel mogelijk in het blad en op het mededelingenbord.”


Bij A.V.V. Sloterdijk hopen ze het koude denken van Wilders zo veel en zo lang mogelijk buiten de deur te houden, hoezeer ze door gemeente, deelgemeente, KNVB en collega-clubs mogelijk ook aan hun lot overgelaten gaan worden. Scholte, strijdvaardig: “Wij wijken geen meter van het gelijkheidsbeginsel.” Wanneer burgemeester Van der Laan nog nieuwe bewijsstukken van ‘Amsterdamse oerkracht’ zoekt, waarvan hij onlangs in het praatprogramma Buitenhof beweerde dat hij het in onvermoede hoeken en gaten gelukkig nog zo veel tegenkomt, is hij bij A.V.V. Sloterdijk aan het juiste adres.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import wereld in verwarring