Nieuwe ronde nieuwe kansen

Hogeschool Inholland maakt nog steeds vrolijk reclame voor zijn open dagen in maart, maar kampt intern met zware problemen. De Raad van Toezicht en het college van bestuur zijn inmiddels opgestapt en bijna dagelijks is de hogeschool in het nieuws. Het laatste deel van een drieluik waarin een oud-leraar terugblikt op zijn gevecht tegen een megalomane leerfabriek.door Hans van Willigenburg,

Ik weet niet of het ze in de (jonge) genen zit of dat de opleiding ze letterlijk over rand van de wanhoop duwt, maar ik ontmoet studenten met zó weinig houvast dat ze na de les naar me toe komen en vragen of ik ze ‘alsjeblieft’ wil helpen met het halen van deadlines (‘Wilt u mij een dag van tevoren telefonisch of over de mail waarschuwen?’). Ik verwijs ze steevast door naar hun studiebegeleider – die is daar immers voor. Onderweg naar huis verbaas ik me over de ontroerende kwetsbaarheid van deze jongens en meisjes, en over de moed en eerlijkheid die nodig is om dergelijke kwetsbaarheid te tonen.

Na nog een paar interne verhuizingen lijken ook docenten definitief de weg kwijt. Als ik op de veertiende of vijftiende verdieping uit de lift van het hoofdgebouw stap, zie ik ze regelmatig verdwaasd door hun lokalen darren, soms naar een lege hoek of mysterieus stukje muur. Proefondervindelijk kom ik erachter dat het geen alarmerende uitdrukkingen zijn van mentale desoriëntatie, maar dat de verdwaasde bewegingen van de docenten te maken hebben met het functioneren van het volautomatische lichtsysteem. Als het systeem namelijk te weinig beweging waarneemt, floept het vanzelf uit. Vandaar de vreemde capriolen. Toch heeft deze komische poppenkast een niet te missen symboliek: de gebouwen van Inholland zijn belangrijker dan de studenten, de docenten en het onderwijs dat gegeven wordt. In de media wordt benadrukt dat het college van bestuur minstens zo veel tijd besteedt aan de omvangrijke vastgoedportefeuille – die tientallen miljoenen waard is – als aan de kernactiviteit: onderwijs.

Een apart hoofdstuk in de alsmaar uitdijende klucht is de website. Ondanks het teruggevallen aantal inschrijvers wil onze nieuwe opleidingsmanager, een vrouw die elders vanuit Inholland is geplukt, blijven vechten tegen onmiddellijke sluiting. Ze ontdekt dat geïnteresseerde studenten hun vervolgstudie mede kiezen op basis van een coole aanwezigheid op internet. Stante pede word ik tot ‘hoofd opkalefateren website’ benoemd, en ik hoor mezelf verrassenderwijs geen ‘nee!’ of ‘help!’ roepen.


Studenten en docenten zijn aanvankelijk enthousiast. Wat is er leuker dan de positieve dingen van de opleiding – die met wat creativiteit heus wel te vinden zijn – aan de buitenwereld te presenteren? Via tekst, via beeld, via filmpjes. In al onze opgetogenheid zijn we echter vergeten dat een leerfabriek als Inholland op de vreemdste momenten ineens wél straffe regels blijkt te bezitten en ineens wél tot het gaatje gaat om ze te handhaven.

Er komt een jonge vrouw in een Alfa Romeo langs. Ze heeft een mantelpakje aan en nadat ze haar naam heeft genoemd, volgt er iets deftigs met het woord ‘communications’ erin. Haar boodschap? We mogen alleen iets op onze website doen als het ‘aansluit bij de huisstijl van Inholland’, die – zo weet ik toevallig – na een langdurig onderhandelingsproces met vormgevers, reclamebureaus en pr-adviseurs (ja, het is zwáár aan de top van de hogeschool) is uitgemond in een rigide stramien waarin je geen kant uit kunt. “We hebben bepaalde regels voor de percentages blanken en allochtonen die we op onze Inholland-uitingen laten zien. Alles wat jullie maken, wordt daaraan getoetst.”

Om de stupiditeit vanuit Inholland te completeren, voegt ze tenslotte toe dat we alle content naar een mailadres in Haarlem moeten sturen alvorens het op de website kan worden geplaatst. “En ze zijn daar momenteel overbezet, dus het kan even duren.”

Als ik haar uitgeleide doe en een snik ternauwernood achter mijn kiezen druk, zegt ze dat haar klus bij Inholland nog een maandje duurt en dat ze daarna de PR van een cosmeticamerk hoopt te gaan verzorgen.


Later hoor ik van studenten, die meewerken aan een schoolbreed periodiek, dat de inmiddels aangetreden bestuursvoorzitter Geert Dales (voormalig VVD-wethouder te Amsterdam die de Noord-Zuidlijn erdoor drukte) tot aan de laatste komma en de uiterste hoekjes van foto’s invloed wil hebben op hoe het er precies uitziet. Anders gezegd: je kunt bij Inholland een heel semester frank en vrij over bloemkolen, aardappelpuree of wichelroedelopers lesgeven, maar zodra je namens de school een plaatje, tekst of filmpje wilt publiceren, duiken de corporate communicatiejongens en -meisjes er met verbijsterende verbetenheid op. Simpel samengevat: inhoud doet er niet toe, beeldvorming is alles.

Op dit punt kan ik alleen nog functioneren omdat ik benieuwd ben hoe het afloopt. Een vreemde, waarschijnlijk journalistieke drang om bij de neergang op de eerste rij te zitten, de duivel face to face ten onder te zien gaan, kan verklaren waarom ik blijf lesgeven. Terwijl de geur van bederf sterker wordt, wacht ik in feite op de ineenstorting, daarbij gedreven door de stille hoop dat ik, David, de Goliath Inholland ga overleven. Dat mijn gehechtheid aan dat mooie vak en mijn band met tal van studenten sterker zal blijken dan het inhoudsloze kasteel om mij heen. Noem het hoogmoed, noem het blindheid. Ach, je bent een romanticus of je bent het niet.

De volgende stap in het afglijdproces is wat de nieuwe opleidingsmanager onophoudelijk de ‘februari-instroom’ noemt. Om de kas aan wat laatste aalmoezen te helpen (maar waarom? we zijn vanaf het begin toch al een eindeloze verliespost?), bieden we nieuwelingen van divers pluimage een zogenaamd ‘traject’ aan van tweeënhalf jaar. Het curriculum wordt ingedikt in een schema van dertig maanden.


Ik krijg een A4’tje onder mijn neus waarop de verkorte route staat ingekleurd. Wat niemand weet, is dat ik allang ben opgehouden om het verband of de logica ervan te doorgronden: het enige wat ik wil weten, is wanneer ik les moet geven en aan hoeveel studenten.

Enfin, het komt erop neer dat de februaristudenten in een vreemde mal worden gestopt, waarbij de volgorde van de vakken – die toch al niet erg logisch is – verder door elkaar wordt geschud. Na het verschijnen van deel 1 van dit Zwartboek mailt een student me dat een medestudent middels speciale ontheffingen en andere, niet nader genoemde arrangementen recentelijk zelfs in anderhalf jaar door het curriculum is getrokken. Met een diepe buiging voor de humoristische kanten van de Nederlandse taal zou je dit ‘maatwerk’ kunnen noemen.

Een niet te missen hoofdstuk in de geschiedenis van ISS Journalistiek is vervolgens het accreditatietraject, ofwel: het schimmige spel om een nieuwe onderwijslicentie te bemachtigen via de NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie). Dit maanden durende proces is rijp voor een toneelstuk van absurdistische toneelschrijvers als Beckett of Ionesco. Nog los van de vreemde gang van zaken – waarop ik later zal ingaan – is het onbegrijpelijk dat we de accreditatie überhaupt nastreven. Waarom in ‘s hemelsnaam tonnen investeren in een opleiding die ternauwernood tien eerstejaars weet aan te trekken? Waarom bergen papier over ons heen storten en vier of vijf onderwijsdeskundigen en accreditatiebegeleiders op onze nek gooien terwijl we volop aan het doodbloeden zijn? In één ding is de accreditatie een monumentale trendbreuk: wij, de opleiding Journalistiek, krijgen plotseling aandacht. En hóe! We worden overspoeld door fulltimers ‘van de overkant’ (het reguliere Inholland) die ons – docenten, studenten, ondersteunend personeel – door het ‘zware traject’ heen moeten loodsen. Mijn beste gissing is dat de reputatie van het college van bestuur of wellicht Inholland-baas Jos Elbers persoonlijk op het spel staat. Van de ene op de andere dag zijn we onderdeel van een bijna militaire operatie.


“Ik weet nog dat ik een heel vreemd gevoel kreeg toen het eerste pak met accreditatiepaperassen in mijn brievenbus hing,” zegt een collega-docent over die tijd. “Ik wierp er een blik op en herkende in geen enkele passage een situatie of procedure die bij onze opleiding voorkwam. Ik snapte aanvankelijk helemaal niet wat de bedoeling was.”

Die bedoeling wordt alras duidelijk. Wat wij docenten aan paperassen onder ogen kregen, is een blauwdruk van hoe wij de opleiding aan de accreditatiecommissie moeten verkopen, niet van de opleiding zoals die daadwerkelijk functioneert. In zogenaamde oefenbijeenkomsten nemen we de antwoorden door die we op de superspannende Dag des Oordeels aan de betreffende NVOA-commissie moeten geven. Let wel: antwoorden die niets met de realiteit van doen hebben.

Terwijl iedereen aan zijn tafeltje over de documenten gebogen zit, leun ik achterover en kijk ik nog eens goed om me heen. Ik realiseer me dat alle mensen in deze ruimte waarschijnlijk relaties hebben, kinderen, hypotheken en verantwoordelijkheden. En dat ergens in de verwevenheid van die zaken en de status die ermee gepaard gaat de wilskracht ligt besloten om dit leugenachtige circus tot het einde toe foutloos en correct uit te spelen.

Uit mijn buik komt een trilling opzetten, die zomaar kan ontaarden in een bulderlach. Maar ik houd me in. Later, in een van de volgende bijeenkomsten, spreken we op advies van de accreditatiebegeleiders onderling af dat er periodiek contact is tussen alle docenten, terwijl dat nu juist – tot dan toe – node ontbreekt. Dat periodieke contact is een van de verzonnen bouwstenen die structuur in onze opleiding moet suggereren.


Ook een studentendelegatie wordt op de Dag des Oordeels ‘voorbereid’. Zij krijgen nauwkeurige instructies. Een ex-student, met wie ik nog regelmatig werk: “Ons wordt verteld wat we tegenover de commissie moeten zeggen als er gevraagd wordt naar hoeveel uren we aan onze studie besteden. En hoe de begeleiding precies werkt. Alles krijgen we keurig voorgekauwd.”

Natuurlijk hoor je van Inholland-zijde nooit dat je actief wordt aangezet om te liegen. Het woord ‘liegen’ komt uit een wereld die helder en duidelijk is, waar wit wit is, zwart zwart en onderwijs onderwijs. Nee, het accreditatietraject wordt ons voorgespiegeld als ‘een kans om de opleiding een stap vooruit te laten maken’.

Tegelijkertijd moet ik toegeven – eerlijk is eerlijk – dat de stoomcursus richting de Dag des Oordeels met afstand de meest professionele exercitie is die ik in acht jaar Inholland zal meemaken. Leuk of niet leuk, het drillen van onze opleiding tot een gezelschap dat op het cruciale moment de juiste antwoorden in de juiste context en met de juiste dosis nederigheid tegenover de commissie ten beste zal geven, wordt gekenmerkt door extreme planmatigheid en zin voor detail. Conclusie: als ze aan de top van Inholland bedreigd worden en ze werkelijk iets willen (zoals in dit geval het behoud van een onderwijslicentie), kan het dus wél.

De Dag des Oordeels is er een van memorabele rituelen. Mensen schudden elkaar de hand, gaan in verschillende formaties tegenover elkaar zitten en spelen het scenario na zoals dat in de paperassen staat beschreven. Aan het einde van de diverse gesprekken hokken collega’s, studenten en overig personeel in een deftige zaal bij elkaar, in zogenaamd bange afwachting van het eindoordeel van de commissie.


Ikzelf heb geen moment de illusie dat er iets opmerkelijks gaat gebeuren. Dit is een toneelstuk geweest waarin de acteurs elkaar een happy end gunnen. En inderdaad: na wat kritische kanttekeningen van de commissievoorzitter (waarvan het de bedoeling is dat we gaan zweten) spreekt hij, volstrekt voorspelbaar, zijn zegen uit over onze officiële status om ook de komende jaren het vak Journalistiek te mogen geven. We hebben ons kortom keurig binnen de vooraf aangegeven lijntjes naar de eindstreep gelogen. De poppenkast kan weer dicht.

We naderen het einde van dit Zwartboek. Ik heb nog vele scènes in mijn achterzak zitten, die voor het bestek van deze publicatie echter te veel ruimte in beslag nemen. Laat ik me beperken tot de ontelbare keren dat ik voor een gesloten klaslokaal heb gestaan, tot de beamers, afstandsbedieningen, projectors en computers die het in al die acht jaar vaker niet dan wel deden, tot de rondsloffende bewakers die studenten en docenten vaker behandelden als zwerfvuil dan als medebewoners van een schoolgebouw, tot de constatering dat ik vaker verkeerd of vergeefs dan snel en correct telefonisch werd doorverbonden en tot de vrouw van middelbare leeftijd die ik ooit bijna flauw heb zien vallen omdat ze met haar auto de Inholland-garage wilde uitrijden, maar haar magneetkaart om mysterieuze redenen niet functioneerde.

Ja, Inholland is in acht jaar uitgegroeid tot een onweerlegbaar synoniem van ‘vervreemding’ die vele mensen ziek heeft gemaakt. En de cynische reden dat u het nu van mij te horen krijgt en niet van al die hardwerkende medewerkers en docenten: ik krijg nieuwe kansen en ga weer andere dingen doen. Ik ben – godzijdank – niet (en nooit) afhankelijk geweest van dit kafkaëske slagschip.


Een paar maanden geleden werd ik via via uitgenodigd om een propedeusebijeenkomst op Inholland bij te wonen. Vier studenten krijgen hun ‘P’ en zullen toegesproken worden door een van onze docenten. Familie, vrienden en bekenden van de geslaagden verzamelen zich vooraf in de foyer van het hoofdgebouw. De sfeer is goed. (Na het accreditatietraject hebben we organisatorisch het diepste dal verlaten, maar de beloning van het college van bestuur – geprezen zij hun logica! – is dat de deuren na al die uitzichtloze jaren alsnog gesloten gaan worden.)

Maar dan, als iedereen in het auditorium heeft plaatsgenomen en de feestelijkheden van start kunnen gaan, weet ik weer waarom ik het plan heb opgevat mijn belevenissen bij Inholland op schrift te stellen. Terwijl de nieuwe opleidingsmanager (de zoveelste) eerder heeft bezworen dat ze ‘netjes wil afsluiten’ en ‘alles uit de kast zal halen om tot de laatste student de zaken goed te regelen’, blijkt ze niet in staat de namen van vier eerstejaars te onthouden.

Ten overstaan van een klein gezelschap spreekt ze het welkomstwoord en heet ze Jan, Pietje, Klaasje en, eh… Ze hakkelt. Van de vierde student is ze de naam vergeten. Je kunt een speld horen vallen. Iedereen kijkt uit plaatsvervangende schaamte naar de grond. Opnieuw wordt het bewijs geleverd dat de student – degene om wie het allemaal behoort te draaien en die inmiddels 10.000 euro op jaarbasis betaalt (!) – slechts een bijproduct is van het systeem. Zelfs in de kleinschalige omgeving van ISS Journalistiek kun je kennelijk toegesproken worden door een manager die je naam, sorry, even is vergeten. Ik vraag me af: ben ik de enige bij wie zo’n moment door merg en been gaat? Is er verder niemand bij wie zo’n tekenende gebeurtenis sporen nalaat?


November 2010. Na afloop van mijn boekpresentatie in de kelder van Selexyz Donner kom ik een van de voormalige opleidingsmanagers tegen: de gewezen gymleraar die ooit beweerde dat ‘een school waar alles klopt saai is’ (zie ‘Zwartboek Inholland’, deel 1). Hij bezoekt onderwijscongressen over de hele wereld, onderhield mij ooit tussen de lessen door met ellenlange verhalen over de innerlijke schoonheid van de ongeschoolde natuurmens en staat nu met een drankje in zijn hand te fulmineren tegen het instituut CITO.

Met een mengeling van verongelijktheid en trots stelt hij dat ‘bewezen is’ dat leerlingen met een lagere CITO-score verder komen in de maatschappij dan leerlingen met een hogere score. Hij vindt het een sterk bewijs om CITO-toetsen te wantrouwen of – liever nog – op te heffen. Ik ben zo vrij het daarmee oneens te zijn en zeg blij te zijn dat er ‘ergens nog een poging wordt gedaan – hoe gebrekkig ook – om het kennisniveau van een leerling objectief vast te stellen’. De gepensioneerde manager kijkt me aan alsof ik de Inholland-studenten tot zijn grote spijt al die tijd met mijn kennis heb lastiggevallen en ze daar hun hele leven lang nog veel hinder van gaan ondervinden.

En ik denk op mijn beurt: om bij het brute Inholland de maatschappelijke ladder te beklimmen, zal een lage CITO-score ongetwijfeld in je voordeel werken.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Hans van Willigenburg