Onder ambtenaren

Een provincie besturen, hoe gaat dat eigenlijk? HP/De Tijd ging op onderzoek. ‘U treft het! Op de afgesproken datum wordt er de hele dag vergaderd!’ Welkom in het provinciehuis.

Mijn vader was ambtenaar. Hij werkte bijna veertig jaar op het provinciehuis in Arnhem, Gelderland. Tijdens de middagpauze, precies om kwart over twaalf, belde hij naar mijn moeder. Dat deed hij elke dag. Op zijn verjaardag kwamen collega’s op bezoek – mannen die elkaar bij de achternaam noemden in te hoog opgetrokken spijkerbroeken of pakken van C&A. Wat ze onder werktijd deden, was niet te volgen. Mijn vader ging over dijken, dat wist ik wel, en ik wist ook dat er twee collega’s waren die een hekel aan elkaar hadden en toch al twintig jaar een kamer deelden. Een verzoek tot overplaatsing werd telkens afgewezen. Tussen de bureaus was een gordijn gehangen.

Met die achtergrond en de simpele vraag ‘wat doen ze eigenlijk in het provinciehuis?’ nam ik contact op met de afdeling voorlichting van de provincie Noord-Holland, want daar woon ik.

Ik kreeg te maken met de heer drs. R.A.R. Fillet, kortweg Raymond, een man met een vriendelijke stem die me vertelde dat op het oog simpele vragen niet makkelijk te beantwoorden waren. Het aanspreken van ambtenaren op de werkplek en het krijgen van een rondleiding op het provinciehuis waren typisch van die vragen die hij in ‘het overleg’ moest gooien. Wat daar uit kwam, wist je nooit. Wat hij wel wist, was dat hij de verantwoordelijkheid voor het geven van toestemming niet ging dragen. Praktisch gezien was het ook ingewikkeld. Vanwege een verbouwing waren er in Noord-Holland tijdelijk twéé provinciehuizen. De werkplek van de ambtenaren, het voormalig VNU-hoofdkwartier aan de Ceylonpoort in Haarlem, was een burcht waar je zonder pasje of connecties onmogelijk in kwam. Over een week nog maar eens bellen.


Wat kon op korte termijn wel?

Een vergadering bijwonen.

Twee dagen later kwamen de Provinciale Staten bij elkaar. Ze gingen van tien uur ‘s morgens tot acht uur ‘s avonds vergaderen. De agenda en de stukken waren vooraf te lezen via internet. Het was aan te raden om dat wel te doen. “Voor een journalist gesneden koek.”

Een dag later mailde hij dat hij zich had vergist.

De vergadering was een week later.

Zijn telefoon nam hij niet meer op.

Een andere voorlichter nam mijn zaak over: Frans Nederstigt, senior communicatieadviseur en woordvoerder van VVD-gedeputeerde Laila Driessen-Jansen.

Hij zei: “Ik blader nu door de agenda. U treft het! Want wat zie ik? Op de afgesproken datum wordt er de hele dag vergaderd. Allemaal vooroverleg. Eerst de commissie ROG en daarna ook nog een FEPO-vergadering. Vooral bij ROG, dat gaat over ruimtelijke ordening, kan het er weleens wild aan toegaan. Het kan zijn dat er demonstranten uit de pluimveesector komen, die waren er de vorige keer ook. Ze droegen kippenpakken. Leuk voor uw fotograaf!”

Het provinciehuis in Haarlem was een prachtig gebouw, een monument uit zeventienhonderdzoveel. De muren hingen vol kunst en aan de plafonds van de vergaderzaal hingen moderne, enorm kunstzinnige kroonluchters.

Een mevrouw met een wild permanentje bij de ingang verwees naar Rienk van der Veen van de afdeling communicatie van Gedeputeerde Staten, een vriendelijke man. Hij zat met z’n hoofd al helemaal bij het volgende agendapunt van de commissie ROG: de stand van zaken bij de gemeentelijke herindeling Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer, een ingewikkelde kwestie waarover vooral in Niedorp veel te doen was. “Heeft u de kaart van Wieringermeer in uw hoofd? Trek dan eens een cirkel om Niedorp. Gaat dat?”


Het lukte niet.

En het lukte hem ook niet om duidelijk te maken waarvan hij nu precies voorlichter was. Ja, van Gedeputeerde Staten, maar dat betekende niet dat ík onder hem viel. De zaak was gesplitst, een besluit van het Rijk. De ‘provincie an sich’ had andere voorlichters dan het provinciebestuur. Hij ging over het bestuur, maar niet over het apparaat. Als ik ambtenaren wilde spreken, moest ik toch echt contact opnemen met Hans Blom, sectormanager Communicatie Provincie Noord-Holland. Dat ik contact had gehad met Frans Nederstigt, deed er niet toe. “Ik weet niet precies wat zijn functieafbakening is. Ik zou contact zoeken met Blom.”

Hij had het nummer.

Blom gebeld.

Hij zat in een dienstauto op weg naar Utrecht; daar stond ook een provinciehuis. Hij zou de vraag of ik ambtenaren kon spreken ‘laten bezinken’, iets wat enige tijd kon duren. Zou ik het verzoek wat kunnen concretiseren? Het antwoord ‘met ambtenaren in de kantine zitten’ vond hij vaag. “Ik ga daar op kauwen. Ik zal proberen me er een voorstelling bij te maken. Een rare insteek.”

Rienk van der Veen van ‘het bestuur’ had ondertussen een thermoskan koffie en een schaaltje koekjes gehaald. Hij schonk een kopje vol en hamerde erop om vooral het schoteltje te gebruiken. De tafel waaraan we zaten was pas gelakt, dat gaf kringen. Hij boog zich over twee vellen papier waar hij op verzoek best wat kopietjes van wilde trekken. Het was de agenda.

De komende uren ging het over de structuurvisie ruimtelijke ordening, het planologisch beleid van de provincie. Interessante kost, maar voor een leek misschien wat abstract. “Ik zou straks naar de commissie ARAM gaan… Dat is over zes uur, maar als je krap in je tijd zit, kun je natuurlijk ook naar ROG.”


Ik ging naar ROG, dat stond nu wel vast, maar eerst ging ik heel lang over dat kopje koffie doen. Ik begon over de kroonluchters aan het plafond. Wel apart, vond ik.

“Persoonlijk ben ik er niet zo enthousiast over,” zei Rienk van der Veen, en hij keek met een moeilijk gezicht naar het plafond. “Had het maar bij een lamp gelaten, denk ik vaak als ik er naar kijk. Vijf is zo’n statement. Maar dit is typisch zo’n vraag die u beter kunt stellen aan een voorlichter van de Provincie, iemand van het apparaat.”

Na een korte stilte: “Zullen we het over ruimtelijke ordening en megastallen hebben?”

Zwijgend dronken we koffie.

Met de tip van Rienk van der Veen in het achterhoofd – “Als wij spreken over een boerderij, dan spreken zij, ruimtelijk gezien, over bebouwing” – betrad ik de vergaderzaal.

Voorzitter van de vergadering was Dick Butter, vergadertijger en vicefractievoorzitter van de provinciale VVD. Hij zei de hele tijd dat hij van plan was om ‘de hele agenda netjes en binnen de perken’ af te handelen, iets wat hem zichtbaar moeite kostte, maar god, wat wil je ook met volksvertegenwoordigers als Fred Gersteling van de SP, een man met een rammelend gebit die een half uur achtereen sprak? Kern van zijn betoog: “Het gaat slecht met de weidevogel, ruimtelijk gezien.”

Naast hem, verscholen achter zes flesjes frisdrank, zat Greet Blokker van de PvdA, die de hele tijd begon over ‘tekstuele wijzigingen’ en ‘nummeringen’ die niet klopten.

“Kan dat worden vastgelegd?”

Fred Gersteling: “Dank u wel voor de onderbreking… Nu ben ik de draad kwijt. Ik zal van voor af aan moeten beginnen, anders zit er geen lijn meer in.”


Dick Butter: “Zullen we proberen de zaak vlot te trekken, agendatechnisch?”

Een bode bracht een zilveren schaal met snacks: stukjes frikadel, bitterballen en miniloempia’s.

De vergadering werd er voor onderbroken.

“Ze vergaderen gewoon door,” zei voorzitter Dick Butter terwijl hij voorzichtig een hapje van zijn brokje frikadel nam. “Schorsen of een kleine onderbreking is soms goed. Dat klinkt u misschien heel gek in de oren, maar een kleine pauze kan besluitvorming bespoedigen.”

Ik had niet verwacht dat ze bij ROG-vergaderingen snacks serveerden – de eerste meevaller van de dag.

“Het is vandaag heel breed,” zei Butter. “Heel divers. Ruimtelijke nota’s zorgen altijd voor veel gesputter. We liggen een uur achter op schema. Ik ben er om de rode draad te bewaken. Afhameren en doordrukken, zorgen dat je niet nog meer achterraakt op schema.”

Zijn naam werd geroepen.

“Even naar de subgroep en de bitterbal,” zei Dick Butter.

Buiten rookte Fred Gersteling shag.

Voor ik hem een vraag kon stellen, begon hij tegen mij.

“Wat staat er nu precies in die structuurnota? Wat is het voorstel? Kunnen we er nog gaten in schieten?”

Daarna: “O sorry, ik dacht dat je er bij hoorde.”

Ik begon over weidevogels, dat leek me behapbare problematiek, iets wat ik kon volgen. Het bleek een onjuiste inschatting van zaken. Hij begon over drie hectares overloopgebied in de buurt van Den Helder, maar dat vereiste specifieke kennis. Als hij mij was – maar dat was hij niet – zou hij focussen op de uitbreiding van het Medisch Centrum Alkmaar, dat hield de lezers bezig. De lezers van het Noordhollands Dagblad waren er in ieder geval dol op. Hij had ‘m al weer zien zitten hoor, die journalist, met z’n grijze krullenbol – hahaha!


“Weidevogels is klein bier. Daar ga ik voorlopig niet op schieten.”

Frans Nederstigt, de senior woordvoerder van de provincie Noord-Holland, was gearriveerd: een dertiger met een bril in een te ruim pak. Hij had twee telefoons.

Op de ene kreeg hij de hele tijd berichten van Hans Blom, zijn baas, met de andere kon hij internetten.

“Ik las net dat je gearriveerd was,” zei hij. “Wat zijn de bevindingen?”

Ik zei dat ik niet ging focussen op de weidevogels.

“Hoe vond je dat Laila Driessen-Jansen het deed?”

Laila Driessen-Jansen was een blonde vrouw met grote witte tanden die op de VVD-site ‘de motor achter Noord-Holland’ werd genoemd. Ik had haar niets horen zeggen, maar ze had wel twee flesjes Spa Rood op – best veel in drie kwartier.

Frans werkte veel voor Laila, die hij ‘een kanjer van een bestuursvrouw’ vond. “Als je ziet wat die qua ruimtelijke ordening allemaal op haar bordje krijgt… Petje af hoor!”

Hij begon over de B-agenda, iets waarvan ik bijna in paniek raakte.

Zelf was hij ook politiek actief.

In de gemeenteraad van zijn woonplaats Teylingen, voor de ChristenUnie. Hartstikke leuk werk. Dit gezegd hebbende, begon hij opeens te twijfelen of het in dit artikel kon. “Teylingen ligt in Zuid-Holland, vandaar. Dat vragen we aan Hans!”

Hij had een geweldige baan, de provincie was een geweldige werkgever! Als hij een kernwoord moest noemen: leerzaam. “Het speelveld qua communicatie en media is zo groot – je zit met iedereen aan tafel. Nu weer met u! Snapt u het? Snapt u dat de interne verkenning, want dat is deze vergadering, onderdeel is van de structuurvisie waarin de beleidslijnen van Gedeputeerde Staten zijn vastgelegd? Langs deze lijnen loopt het spel vandaag.”


Hij sloot af met: “Kortom, best spannend allemaal.”

Hij ging in zijn telefoon kijken.

“Huppakee, ik pak de stukken erbij! Ja, ja dat dacht ik al wel. Ze pakken het gewoon weer op waar ze de vorige keer zijn gebleven. Zóóó, jij boft! Ze gaan het ook nog hebben over duurzame energie in de kop van Noord-Holland, wat een leuk onderwerp! Dat lijkt abstract, maar als je het concretiseert, gaat het gewoon over windmolens.”

Ik begon over het Medisch Centrum Alkmaar, om interessant te doen waarschijnlijk.

Frans haalde de stukken meteen binnen met z’n iPhone. Hij las wat zinnen hardop voor. “Buitenstedelijke opties voor het binnenstedelijke ziekenhuis te Alkmaar… In oktober heeft de ARO zich daar al over gebogen, dat is de Adviescommissie Ruimtelijke Ordening.”

Hij legde een vinger op de lip.

“Dat weet ik nog, dat weet ik nog… Die gemeenten hebben daar ook eigen adviescommissies op losgelaten. Tussen ons gezegd: Laila heeft al nee gezegd…”

Ene Mark, een ambtenaar in een Guust Flater-T-shirt, onderbrak het gesprek. “Hé Frans, wat heb jij een leuke manchetknoopjes! Grap-pig!”

Frans: “Dit is Mark, strategisch adviseur structuurvisie, een wandelende ramp voor voorlichters. Als je hem wat wilt vragen, zullen we toestemming van Blom moeten hebben.”

“Blom laat het bezinken,” zei ik. “Hoe lang duurt dat meestal?”

Frans Nederstigt wist het niet.

“Ik heb geen idee wanneer ons sectorhoofd zijn licht erop laat schijnen, maar ik heb goede hoop. Ik acht de kans dat we elkaar morgen in het andere provinciehuis treffen redelijk groot.”

Zelf had hij over de kwestie helaas geen enkele bevoegdheid.

We spraken nog even over de kunstzinnige kroonluchters, want daar mocht hij wel wat over zeggen. Hij vond ze prachtig. “De kunstenares heeft er een multomap met omschrijvingen bij geleverd. Elk lampje aan elke kroonluchter heeft een eigen betekenis. Kijk, dat blauwe lampje stelt een handje voor. Wilt u dat ik voor u opzoek wat dat betekent?”


Hans Blom belde toen ik op het station van Haarlem stond te wachten op de intercity naar Amsterdam. Hij zei het maar ‘recht voor de raap’: het interviewen of spreken met provinciaal ambtenaren was iets wat hij niet één-twee-drie intern kon inkleden. Daar kon hij zijn afdeling niet mee belasten. Het kostte tijd – dagen, zo niet weken. En hij ging niet over één nacht ijs. Hij hield van deugdelijke afspraken: gesprekken met ambtenaren dienden voor publicatie in viervoud aan zijn afdeling te worden voorgelegd. “Met die restrictie dat alles wat tegen het beleid indruist, kan worden geschrapt. Ik vind dat normaal.”

Ik vond het niet normaal.

En ik vond de afdeling – of afdelingen – communicatie van de Provincie Noord-Holland veel te groot. Ik ging zelf wel ambtenaren zoeken.

Hans Blom begon aan een monoloog van een kwartier waarin hij het spel tussen journalist en voorlichter schetste. Goede afspraken waren de basis, de rest volgde later. En journalisten die opschreven dat er afspraken waren gemaakt waren ‘flauwe jongens die vooroordeelbevestigend bezig waren tegenover de Provincie Noord-Holland’.

“Weet u eigenlijk wel met welke verantwoordelijkheden een ambtenaar zit opgescheept? Het zou wat worden als die allemaal door elkaar gaan kakelen of zomaar wat gaan zeggen…”

Een dag later belde hij alsnog.

Er was een lijst van ambtenaren samengesteld met wie ik kon spreken. Op vrijwillige basis – hij had geen dwang hoeven gebruiken. Allemaal normale mensen die enthousiast waren over hun baan. Ik kon meteen komen.

We troffen elkaar tegenover de balie in het voormalige VNU-gebouw. Hans zat op een stoel. In zijn hand een lijst met ambtenaren die stonden te popelen om te vertellen over hun werk. Naast hem voorlichter Joyce Duivenvoorde, die me de rest van de dag zou begeleiden.


Hans stak zijn hand uit, zijn snor bewoog.

“Hebben wij een deal over de autorisatie van de gesprekken?”

Tevreden beende hij weg; er lagen nog stapels rapporten op zijn bureau.

Ik vroeg aan Joyce van welke planeet Hans kwam. Ze vond het geen gemakkelijke vraag.

“Gewoon van de aarde, denk ik. Net als jij.”

Ik noteerde het voor de zekerheid.

Joyce begon over het schema dat ze hadden gemaakt.

Vier gesprekken van twintig minuten, dan een pauze, daarna nog vier gesprekken van twintig minuten. Ze besefte dat het qua tijdsplanning misschien aan de krappe kant was – “Sommigen zijn wat breedsprakig, dat is enthousiasme” – maar ze had haar mobiele telefoon paraat en ze was bereid om te schuiven als dat mogelijk was.

De eerste interviewkandidaat zou naar de vergaderzaal op de vijfde verdieping komen. Daarna kwamen er ook nog ambtenaren naar vergaderzalen op de tweede, vierde, achtste en zevende verdieping. We zouden veel met de lift gaan, maar de trap was ook goed. Ze prefereerde de lift; de betegeling van het trappenhuis vond ze ‘niet zo lekker’. Allemaal blauwe tegels.

“Een beetje zwembadachtig.”

Op de vijfde verdieping trakteerde ze op koffie uit de automaat. Het was biologische, duurzame koffie, maar we vonden het beiden niet lekker. Ik begon weer over Hans Blom. Of hij de koffie uit de automaat wel lekker vond, dat soort vragen. Joyce vond het ‘hartstikke flauw’.

“Zullen we proberen om het niet meer over Hans te hebben? Probeer je te focussen op de ambtenaren, beloof je dat? En vergeet niet: Hans heeft het allemaal wel gefaciliteerd.”

De rest van de dag sprak ik met bevlogen ambtenaren die zichzelf allemaal geen typische ambtenaar vonden.


Parvin Hoseini sprak vol vuur over Jeugdzorg, Edwin Rem liet foto’s van geherstructureerde bedrijfsterreinen zien, Sarah Heijse liet overal cultuurhistorische paaltjes plaatsen en Lousanne Kaal hakte het liefst de hele dag beleidsmatige knopen door. En Joyce Duivenvoorde probeerde de hele dag vriendelijk te glimlachen, schrapte een stuk of wat gesprekjes en zei na elk interviewtje dat het alweer een informatief en leuk gesprek was geweest.

Toen we eindelijk klaar waren, was Hans Blom al weg.

Niet naar huis, maar in overleg met een stuurgroep op een andere locatie. Ambtenaren in dienst van de Provincie Noord-Holland werken keihard, maar wát ze precies doen, is niet makkelijk uit te leggen. En dat doen ze thuis dan ook maar niet.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Marcel van Roosmalen