Spannende combinaties

In de provincies krijgen nieuwe partijen de kans zich te bewijzen.

Er was de afgelopen week veel aandacht voor de vorming van het college van Gedeputeerde Staten in de provincie Limburg. De CDA-onderhandelaar Martijn van Helvert kreeg in de media de nodige kritische vragen over hoe het toch mogelijk was dat zijn partij samen met de PVV in het college van Gedeputeerde Staten ging zitten, terwijl er op landelijk niveau – vanwege de principiële verschillen – door het CDA alleen kon worden ingestemd met een gedoogconstructie. Hij verantwoordde zich door te wijzen op het feit dat de provincie de Grondwet niet kan veranderen en dat bovendien de meest omstreden PVV-standpunten – zoals het verbod op hoofddoekjes in het provinciehuis en dat op de bouw van moskeeën – niet tot beleid zijn verheven. Die inhoudelijke verklaring is terecht, maar er is ook een andere rechtvaardiging, namelijk het serieus nemen van de kiezer.

De provinciale electorale kaart van Nederland kende tot nu toe een vertrouwd beeld: of het CDA, of de PvdA, of de VVD was de grootste partij in een provincie. Sinds begin van dit jaar is daar een kleur aan toegevoegd: die van de PVV in Limburg. Wie naar die electorale kaart kijkt, ziet verder dat deze rechts bovenin nog rood (PvdA) is, slechts in Overijssel nog groen (CDA) en voor de rest door de VVD wordt gekleurd. Leg je deze kaart naast de kaart van het CBS over de provinciale werkloosheidspercentages in Nederland, dan zie je een opvallende overeenkomst: het zijn Limburg, Groningen en Drenthe die de hoogste percentages werkloosheid kennen. Ook hier geldt dus de verklaring die Clinton gaf over zijn overwinning op Bush Sr.: “It’s the economy, stupid.”


Verschuivingen in stemgedrag kunnen veelal worden verklaard uit onvrede en onzekerheid onder het electoraat. Oppositiepartijen en protestpartijen hebben daar voordeel bij. Het is dan ook goed om de evidente uitkomsten daarvan – zoals in Limburg – zichtbaar te maken in het bestuur en deze partijen daarmee de kans te geven de onvrede weg te nemen. Partijen krijgen daarmee een kans om zich te bewijzen. Vanuit dat perspectief biedt de provinciale coalitievorming overigens diverse interessante uitkomsten.

Wat te denken van Friesland, waar voor het eerst in vijftig jaar de Fryske Nasjonale Partij deel uit gaat maken van het college? De proteststem op de SP is deze keer goed vertegenwoordigd in het bestuur, namelijk in de provincies Noord-Brabant en Zuid-Holland en ook oppositiepartij D66 doet mee in Groningen, Zuid-Holland en Utrecht.

Zo laat een bestuurslaag die vaak ter discussie staat een grote verscheidenheid aan uitkomsten voor het bestuur zien. Ook GroenLinks en de kleine christelijke partijen komen in respectievelijk één en drie provincies aan bod. Die verscheidenheid werpt een aardig licht op de mogelijke uitkomst van 23 mei: haalt de gedoogcoalitie een meerderheid in de Eerste Kamer?

Mocht dat niet het geval zijn, dan mag je hopen dat het dragen van verantwoordelijkheid in de provincie ook leidt tot verantwoordelijkheidsbesef in de Eerste Kamer. Het doel is immers niet de coalitie het leven onmogelijk te maken, maar om te komen tot beleidsvoorstellen die het best zijn voor de toekomst van ons land. Dat – net als in de Tweede Kamer – het ontbreken van meerderheden leidt tot meer open debat en het uitoefenen van invloed op de beleidsuitkomsten.


Wat dat betreft heb ik mijn hoop gevestigd op de coalitie van de provincie Utrecht, waarin VVD, CDA, D66 en GroenLinks vertegenwoordigd zijn. Dat is uiteindelijk toch de meest hervormingsgezinde coalitie als je kijkt naar de landelijke programma’s. Maar wie weet levert de provinciale verscheidenheid nog veel meer moois op!

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Jack de Vries