De tijd is een slager

De ene dag een rockster, de volgende dag een uitgerangeerde drol. In Jennifer Egans wrangkomische beschrijvingen van de muziekscene fungeert muziek als trigger. Een perfecte keuze.

Op de achterflap en het persmateriaal van Bezoek van de knokploeg staan dolenthousiaste aanprijzingen van cabaretière Paulien Cornelisse. Desondanks is het boek erg de moeite waard. Het is de vierde roman van de Amerikaanse Jennifer Egan. Oorspronkelijk verschenen als Visit From The Goon Squad, vrijwel direct met lovende recensies en grote prijzen overladen, waaronder de Pulitzerprijs van 2011.

Het is allesbehalve een academisch boek, en toch roept het een vraag op die gemakkelijk uit de mond van een ietwat ongeïnspireerde docent literatuurwetenschappen zou kunnen komen: hebben we hier te maken met een verhalenbundel of een roman? En wat is eigenlijk het verschil? Egan dwingt dergelijke vragen gelukkig snel naar de achtergrond, en ze toont aan dat experimenten met vorm en vertelperspectieven beslist niet avantgardistisch of ontoegankelijk hoeven te zijn (wat vaak op hetzelfde neerkomt).

Bezoek van de knokploeg bestaat uit dertien hoofdstukken, waarin telkens een ander personage centraal staat. De levens van de hoofdpersonen raken elkaar, al blijft het soms bij schampen. Veel hoofd- en bijfiguren komen in meerdere hoofdstukken voor. Maar je zou de hoofdstukken ook als afzonderlijke verhalen kunnen lezen – niet voor niets zijn er acht als kort verhaal verschenen, in onder meer Harper’s en The New Yorker.

Sommige hoofdstukken zijn geschreven in de hij-vorm en beslaan niet meer dan een paar uur. Andere zijn in de ik-vorm en beslaan maanden, of zelfs jaren. Eén hoofdstuk is een soort parodie op een celebrity-interview, inclusief voetnoten. Er is er één in de jij-vorm, en een erg ontroerend hoofdstuk bestaat volledig uit powerpointsheets. Rare gewaarwording: dat je een brok in je keel krijgt bij een powerpointsheet.


Het hele boek neemt zo’n veertig jaar in beslag: vanaf de punkscene in San Francisco rond 1980, tot de volledig getechnologiseerde vroege jaren twintig van deze eeuw. De verhalen spelen zich vooral in de Verenigde Staten af, maar er zijn ook uitstapjes naar Napels en Afrika.

De oppervlakkige overeenkomst is dat vrijwel alle personages banden hebben met de entertainmentindustrie, of specifieker: de muziekindustrie. Het overkoepelende thema zou je kunnen samenvatten als de genadeloze invloed van de tijd. Dat klinkt pathetischer dan Egan het verbeeldt. “De tijd is een slager,” zegt Bosco, een van de uitgerangeerde rocksterren uit het boek. Bosco verbaast zich over de jaren die achter hem liggen, over zijn huidige toestand, en over de enorme afstand daartussen: “Hoe heb ik van een rockster kunnen veranderen in een vette drol die niemand interesseert?” Iets eerder vraagt Scotty, een wereldvreemde ex-punker, aan Bennie wat er is gebeurd tussen A en B: “A is toen we allebei in de band speelden en achter hetzelfde meisje aan zaten. B is nu.”

Egan laat het hele boek door zien wat er gebeurt tussen A en B. Of meer wát er is gebeurd. De tijd tussen de twee ijkpunten vat de schrijfster hoogstens samen, en ze geeft nauwelijks verklaringen voor de grote verschillen – geen andere verklaring dan: dit is nu eenmaal wat de tijd met je doet. Shit happens, we kunnen op zijn best af en toe proberen bij te sturen. Verder is het omzien in verwondering. De muziek wordt vooral als trigger, als katalysator gebruikt, en dat is een perfecte keuze. Wat anders hoort nu zo sterk bij bepaalde perioden als muziek, wat brengt je zo onmiddellijk terug in de tijd?


Egans personages zijn nostalgisch noch bitter. Beter gezegd: ze zijn niet exclusief het één of het ander. De schrijfster spaart ze niet. Ze laat zowel hun vele irritante als hun iets spaarzamere charmante trekjes zien – maar ze laat je met elk personage meeleven, elke foute beslissing wordt op een wrangkomische manier inzichtelijk gemaakt. Elke pagina is goed voor minstens één lach.

Het enige dat af en toe hapert, is de vertaling van Ton Heuvelmans. Dat uit zich (zoals in veel vertalingen) hoofdzakelijk in de dialogen en bij het gebruik van slang. De eerder aangehaalde uitspraak van Bosco, die zichzelf een ‘vette drol’ noemt, bijvoorbeeld. In het origineel stond daar ‘fat fuck’ – toch een stuk krachtiger. Wat is er mis met ‘vetzak’? En er zijn meer voorbeelden. ‘Young people’ wordt het wat oubollige ‘jongelui’, ‘nuts’ wordt ‘niet goed snik’. Het is vooral jammer omdat Egan zo’n geweldig oor voor spreektaal heeft; ze beheerst het taaltje van puberende punkers én dat van twintigste-eeuwse gejaagde New Yorkers. Elke leeftijd, elke generatie wordt even geloofwaardig neergezet.

Bezoek van de knokploeg laat zien hoe mensen kunnen vastzitten in hun ellende, en hoe langzaam de tijd dan verstrijkt. Tegelijkertijd laat Egan constant zien hoe – als je terugkijkt – alles totaal anders is dan je je had voorgesteld, terwijl je het gevoel hebt dat er nauwelijks meer dan een paar weken zijn verstreken. De twee motto’s zijn afkomstig uit Prousts Op zoek naar de verloren tijd. Als apocrief derde motto zou ik graag een zin van de band Modest Mouse suggereren: “The years go fast but the days go so slow.”


Jennifer Egan: Bezoek van de knokploeg. Vertaald door Ton Heuvelmans. Arbeiderspers, €19,95. Ook verkrijgbaar via ako.nl.

Het ziekenhuis leeft. Niet de patiënten, de artsen, het verplegend personeel en de bezoekers – ja, die leven ook, maar daar gaat het niet om: het ziekenhuis zelf, het gebouw, leeft.

Jonas, het zevenjarige zoontje van Sandra en Daan, wordt met vage klachten in het ziekenhuis opgenomen. De klachten worden snel ernstiger, en zelfs levensbedreigend, maar niet minder vaag.

Dat het ziekenhuis leeft, is Sandra’s observatie. Het is een groot, angstaanjagend beest, het ademt, houdt ouders en kind gevangen, tot ze verslonden kunnen worden. Een krachtig beeld, op zich – maar het verliest aan kracht met elke keer dat het weer wordt aangehaald.

In HP/De Tijd werd Mark Boog vorige week geïnterviewd. ‘Cruciaal is de titel van de roman. Boog: “Juist zo’n literaire vergelijking maakt van het boek een roman.”‘ Boog en zijn vrouw maakten een vergelijkbare rampzalige ziekenhuisopname mee met hun zoontje, drie jaar geleden. Boog, dichter en romancier, besefte dat hij er over moest schrijven, maar het moest wél literatuur worden. Misschien is juist dat het belangrijkste probleem aan het boek: de opzichtige kunstgrepen om de persoonlijke ervaring om te smeden tot iets universeels. Het heeft iets krampachtigs, dat gehamer op het bezielde ziekenhuis, de bijbelcitaten, en de wel erg voor de hand liggende ‘literaire vergelijking’. Soms lijkt het alsof Boog bij het schrijven een recept voor literatuur in zijn hoofd had: herkenbaar persoonlijk verhaal + literaire vergelijkingen = literaire roman.


Juist de passages waarin onnadrukkelijk wordt ingezoomd op de emoties van de ouders, de bezorgdheid, de onmacht, de vermoeidheid, de vechtlust – juist die passages zijn aangrijpend. Persoonlijk en universeel, zorgvuldig geobserveerd. Waar komt dan toch het idee vandaan dat dat niet literair genoeg is?

Mark Boog: Het lot valt altijd op Jona. Cossee, €19,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Aleph (1) – Paulo Coelho

Het negende schrift van Maya (2) – Isabel Allende

Voor ik ga slapen (6) – S.J. Watson

Bella Italia (3) – Suzanne Vermeer

Het middernachtspaleis (9) – Carlos Ruiz Zafón

Gevallen (5) – Karin Slaughter

Blauwe maandag (4) – Nicci French

De 100-jarige man die uit raam klom en verdween (re) – Jonas Jonasson

De vliegenvanger (-) – Ravelli

In mijn dromen (8) – Simone van der Vlugt

Tussen haakjes de klassering van vorige week. Deze fictietoptien is samengesteld op basis van de verkopen bij AKO.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Dries Muus