Minister Kwist

Toen hij eindelijk aan de beurt was, was hij de laatste. Zijn vrouw had voor de gelegenheid een nieuwe stropdas voor hem gekocht. Smaakvol donkergroen, de kleur van zijn partij, maar chiquer. Ze had hem een kus gegeven: “Geef ze van jetje, poesje.” Hij had er een hekel aan dat zij hem poesje noemde. En zij wist dat. “Sorry,” zei ze. Ze haalde een pluisje van zijn revers. “Uwe excellentie poesje.” Ze kneep hem in zijn dikke buik. “En niet vergeten je buik in te houden, poesje, als je niet achter het spreekgestoelte staat. Denk erom. Ik houd je in de gaten op tv.”

Zijn naam was Kwist. Ernest Kwist. En sinds een jaar was hij tot zijn eigen verbazing minister in het kabinet-Rutte I. Minister van het kleinste en minst belangrijke departement, zoals hij zelf altijd als eerste zou toegeven en benadrukken, maar toch: minister. Hij was ooit, lang geleden, in zijn studententijd, lid geworden van het CDA omdat hij nu eenmaal aan de VU studeerde. Vervolgens was hij eigenlijk vergeten zijn lidmaatschap op te zeggen. En in de zomer van 2010 werd hij opeens gebeld.

“Hallo, met Kwist. Met wie spreek ik?”

“Met Mark dus, je weet wel.”

Hij wist van niks.

“We zitten hier met Geert en Maxime die nieuwe ploeg zo’n beetje in elkaar te timmeren, en om een lang verhaal kort te maken: jouw naam werd genoemd.”

“U bent waarschijnlijk verkeerd verbonden. Mijn naam is Kwist.”

“Precies. Ernest Kwist. We zouden je met het oog op het landsbelang met klem willen verzoeken de functie te aanvaarden.”

“Met klem?”

“Met klem.”

“Maar ik ben helemaal geen toegewijd partijpoliticus.”

“Daarom dachten we precies aan jou. Omdat je partij moeite heeft met ons gedoogakkoord.”

“Maar ik kan niets. Ik heb nergens verstand van.”

“Dat weten we. Daarom hebben we ook het kleinste en minst belangrijke departement voor je uitgezocht.”

“Met klem?”

“Met klem.”

En voor hij het wist, stond Ernest Kwist op het bordes van Paleis Noordeinde naast de koningin. Zo ver ernaast dat hij makkelijk van de foto af te knippen viel, wat ook in bijna alle kranten gebeurde. Hij vond dat allemaal wel best, maar zijn vrouw niet. “Je moet je niet zo naar de zijkant laten drukken, poesje. De volgende keer moet je net toevallig iets belangrijks tegen de koningin zeggen als de fotografen er zijn. Beloof je dat?”


“Met klem,” zei hij, en hij had er al spijt van dat hij de functie had aanvaard.

En nu was het op de kop af een jaar later. Als minister had hij tot nu toe eigenlijk weinig hoeven te doen. Toen er klachten waren over de kwaliteit van de koffie, heeft hij met zijn vuist op tafel geslagen en alle automaten op zijn departement laten vervangen. Tot grote tevredenheid van de ambtenaren. Voor de rest marcheerde het allemaal min of meer vanzelf.

Hij was nog nooit naar de Kamer geroepen. Geen Kamerlid had hem ooit een vraag gesteld. Tijdens de Algemeen Politieke Beschouwingen had hij in vak K gezeten, maar helemaal aan de buitenkant, zodat hij nooit in beeld is gekomen.

Maar vandaag was hij eindelijk aan de beurt. Alle ministers moeten in de weken na de Algemeen Politieke Beschouwingen hun begroting toelichten. Omdat hij minister was van het kleinste en minst belangrijke departement, was hij de laatste. Hij verheugde zich er niet speciaal op, maar zijn vrouw wel.

En José ook. Zij was zijn ambtelijk secretaresse. Ze had speciaal voor de gelegenheid een nieuwe stropdas voor hem gekocht. “Paars,” had hij gezegd. “Nee, mauve. En ik vermoord je als je hem straks niet omdoet.”

Wordt vervolgd.

Meer leuke content? Like ons op Facebook