Undercover in Syrië

Van een opstand is in Syrië nog geen sprake. Wel van een wanhopige opstand, die het volk in twee kampen verdeelt. Undercoverbericht uit een gistende dictatuur. ‘Het is hier verschrikkelijk.’

Een goede voorbereiding is het halve werk, luidt een bekende regel, en dus neem ik voor mijn vertrek naar Damascus contact op met enkele in Nederland wonende Syriërs. Maar hun woorden vallen me bitter tegen: ‘Niet gaan,’ luidt het devies. “Het is heel gevaarlijk geworden,” mailt een van mijn contacten. “En jij bent een makkelijk doelwit.”
Met een ander maak ik een plan om naar Homs te gaan, de grootste brandhaard van dit moment. Hij pakt een vel papier en tekent een cirkel. “Dit is het station waar je aankomt, ernaast zit het kantoor van de veiligheidsdienst. Pak een minibus, tot het einde van de straat. Hier heb je twee checkpoints. Ga naar links, daar vind je de kerk van pater Frans, een Nederlander. Doe alsof hij het doel is van je bezoek aan Homs, en wacht daar totdat mijn nichtje of broer je komt ophalen.”
Een paar dagen later belt hij me. “Sorry, het plan kan niet doorgaan. Mijn familie vindt het te gevaarlijk. Ook voor zichzelf, snap je?”
Met een vriend in Damascus maak ik een ander plan. Hij zou zich voordoen als mijn geliefde en me van het vliegveld komen ophalen. Volgens hem is dat het enige verhaal dat geloofwaardig genoeg is om een visum te krijgen. Een dag voor mijn vertrek mailt hij. “Ik kan toch niet komen, want als ik gezien word met een buitenlander, noteert de veiligheidsdienst het nummerbord van mijn auto en word ik binnen de kortste keren ondervraagd.”
Eenmaal op het vliegveld van Damascus lijkt alles haast verdacht normaal. Het enige opvallende is dat de muren nog net iets meer behangen zijn met posters van de al dan niet wankelende man aan het roer, Bashar al-Assad. En hingen die Syrische vlaggen er de vorige keer al? De nieuwe reden van mijn komst – ‘Vrienden opzoeken’ – heb ik vele malen in gedachten herhaald, opdat die er soepel uit zou komen. Maar de douanebeambte lijkt helemaal niet geïnteresseerd in de reden van mijn aanwezigheid. Zonder op- of omkijken zet hij een stempel in mijn paspoort.
Buiten staat de bus naar het centrum al klaar. De dame naast me begint meteen een praatje. Ik speel de naïeve toerist. “Zeg, ik hoorde dat er wat veiligheidsproblemen zijn in het centrum van Damascus. Klopt dat?” Ze kijkt me verbaasd aan. “Nee hoor, er is helemaal niets aan de hand.”
Inderdaad blijkt er bij aankomst in het centrum niet direct iets bijzonders te bespeuren. De verkeersmassa is er niet minder op geworden. En ’s avonds, als de temperatuur is gedaald, gaan de mensen als vanouds de straat op om gearmd door de binnenstad te slenteren, eindigend in een theehuis waar onder het genot van de waterpijp eindeloos backgammon wordt gespeeld.
Is het schone schijn? Ja, zo blijkt. Bepaalde buitenwijken zijn afgesloten; hier wordt al maandenlang geprotesteerd en heeft het militair gezag de overhand. In het centrum patrouilleren meer agenten dan gebruikelijk, en voor het eerst zijn er ook militairen te zien, de meesten overigens ongewapend. Ook opvallend: sommige taxichauffeurs, die anders ruzie maken om wie jou – een buitenlander met een ‘goed gevulde portemonnee’ – mag vervoeren, rijden plankgas met een leeg voertuig voorbij. Een buitenlander op de achterbank is nu opeens een risico. Als er al een taxichauffeur stopt, verloopt de rit in ijzige stilte, terwijl de chauffeur nerveus de ene na de andere sigaret opsteekt.

Lees het hele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

irene de zwaan