Simon Carmiggelt, léés die man!

Vrijdag 30 november is de vijfentwintigste sterfdag van Simon Carmiggelt. Van wie, zegt u?

Simon Carmiggelt (1913-1987) was een bekende stukjesschrijver, zoals hij het zelf ooit noemde, in het toen nog landelijk verschijnende dagblad Het Parool. Onder de naam Kronkel schreef hij dagelijks zijn rond de zeshonderd woorden tellende cursiefjes over het dagelijks leven. Ook was hij een van de eerste columnisten die met grote regelmaat verhalen voordroeg op televisie, bij de Vara. Maar zo geliefd als hij toen was, zo onzichtbaar is zijn werk thans. Loop een betere boekhandel binnen en vraag naar een Carmiggelt, en de verkoper zal deemoedig ‘nee’ moeten verkopen.

Op deze gedenkwaardige dag pleit ik voor een algehele herwaardering van Carmiggelts werk. Teruglezend namelijk is zijn pen voor mij nog zeer te pruimen. Volkskrant-columnist en fan Sylvia Witteman schrijft in haar in 2007 verschenen bloemlezing Ik lieg de waarheid, de beste Kronkels dat Carmiggelt in zijn werk haarscherp het menselijk tekort blootlegt, ‘in de kleine weemoed van mistroostige drinkers in schemerige cafés, de complicaties van huwelijk en gezinsleven, of de overpeinzingen van een paard in de regen’.

En te lachen valt er altijd wat.

Wat mij bovenal opvalt zijn de verfijnde, haast achteloze zinnetjes waarop hij gezwoegd moet hebben. Een greep uit zijn oeuvre:

‘Ik had net een pakje sigaretten uit mijn zijzak gehaald en er een opgestoken, toen een juffrouw naderde, die door de natuur niet stiefmoederlijk was bedeeld’. (Treinkaartje, opgenomen in de bundel Morgen zien we wel weer)

‘Aan een riem voerde hij (een oude brave man, red.) een dikke, vaal gekleurde hond mee, die mij het gevolg leek van tien generaties weinig kieskeurige ontucht’. (Blijheid, opgenomen in De Kuise Drinker)

Uit dezelfde bundel nog deze juweeltjes:

‘Hij rimpelde even zorgelijk zijn voorhoofd, met de gespeelde ernst van een gids die al een kwarteeuw hetzelfde koningsgraf laat zien’.

‘Zijn ogen hadden de zwaarmoedigheid waarmee de gorilla door zijn tralies kijkt’.

Tijdens een etentje schrijft hij over de paté maison: ‘Paté is altijd raak – een stukje leverkaas met kapsones, in de ijskast door verlamming getroffen’.

‘Noem jij dat prate? Dat noem ik je bek verrinneweerre’.

‘Het huwelijk van Henri en Aleid doet denken aan een oorlog, die wordt voortgezet, ofschoon de generaals al lang weten dat hij verloren is.’

Tot slot, uit Ten afscheid:

‘Leven is leren hoe je netjes sterven moet.

Schrijven is groeien tot analfabeet.

Handelen – stikken in hetgeen je doet.

Maar lachen – alles wat ik zeker weet.’

———
Volg HP/De Tijd ook op Twitter en Facebook.

Meer leuke content? Like ons op Facebook