De slonzigheid van 50-plussers

Vorige week ging ik naar een voorstelling in het Amsterdamse theater Bellevue, waar om ondoorgrondelijke redenen de zaal altijd pas op het laatste ogenblik open gaat. Het publiek dat ervoor gezorgd heeft om ruim op tijd aanwezig te zijn (na aanvang geen toegang) moet samengedromd op de trap zeker tien minuten wachten, voordat de kaartjesscheurders zich verwaardigen om de naar cultuur dorstende meute druppelsgewijs toe te laten.

Waarom mogen die mensen met hun geplaceerde toegangsbewijzen niet gewoon in de zaal gaan zitten en daar wachten, vraag ik me elke keer af, dan zou de voorstelling ook op tijd kunnen beginnen. Deze procedure heeft iets vernederends, alsof men zich verdringt voor de Bijenkorf die elk ogenblik zijn poorten kan openen voor drie dwaze dagen voordeeltjesplezier.

Ik werd getroffen door hun armetierig voorkomen
Terwijl ik op drie kwart van de trap tegen de leuning aan gedrukt stond, overzag ik de massa beneden mij en werd getroffen door hun armetierig voorkomen. Makke schapen, bijeengedreven in een keteldal, bieden zelden een frisse aanblik, maar deze menigte zag er wel heel slonzig uit. Alsof ze weggerukt waren uit de voetbalkantine of het tuincentrum. Grauwe, vormeloze kleren, truien (schipperstruien!), voddige huisvesten, nauwelijks iets kleurigs te bekennen en al helemaal niets moois. Hier en daar iemand met een gewatteerd windjack die kennelijk de garderobe niet aandurfde.

Hier stond een steekproef uit de culturele elite van Amsterdam bij elkaar, beschaafde 50-plussers die waren afgekomen op de gerenommeerde Edward Albee (wiens stuk ‘Zeezicht’ die avond op het menu stond), en niemand van hen had de moeite genomen om zich, nou ja, te kleden voor de gelegenheid. Ik haast me om eraan toe te voegen dat ik zelf ook mijn dagelijkse non-descripte kloffie aan had.

Waarom zou ik me opdoffen?
Een paar jaar geleden deed ik nog enigszins mijn best voor theaterbezoek door althans een mooi jasje aan te trekken en lippenstift op te doen, maar dat is er inmiddels bij ingeschoten. Waarom zou ik me opdoffen, als ik eerst een fietstocht door de regen moet maken en daarna twee uur in het donker zit? Pauzes komen ook al nauwelijks meer voor in het theater.

Dit zijn volgens Beatrijs Ritsema de uitzonderingen

Voor mezelf heb ik het excuus dat ik sowieso moeite met kleren heb. Dit is deels een leeftijdsprobleem. Toen ik jong was, hoefde ik me niet bijzonder voor kleding te interesseren, omdat ik er toch wel goed uitzag (dacht ik tenminste) en nu ik niet meer jong ben, kunnen kleren de zaak niet meer verbeteren. Boter aan de galg, geen redden meer aan. Het is wel zo makkelijk om in het rijk van de geest te verblijven. Dat scheelt wanhopige strooptochten door intimiderende kledingwinkels, waarbij in elk pashokje dezelfde moedeloos makende conclusie zich opdringt: deze outfit staat mij van geen kanten, ik zie eruit als een idioot, snel wegwezen en terug naar de veilige onaanzienlijkheid.

De generatie van mijn ouders had hogere standaarden
Mijn persoonlijke kledingprobleem (een combinatie van schaamte, frustratie en luiheid) weerhoudt me er intussen niet van om de mensen om me heen te wegen en te licht te bevinden. Als ík toevallig te labbekakkerig ben voor enige esthetiek in mijn uiterlijk, hoeft dat toch niet te betekenen dat al mijn leeftijdsgenoten er ook als een slons moeten bijlopen? Van de generatie van mijn ouders herinner ik me veel hogere standaarden. Matrones met asymmetrische lichamen, huisvaders met embonpoints, maar wel in mooie jurken, fleurige zijden blouses en goed in het pak. Mijn generatie (en ikzelf voorop) heeft het bijltje er bij neergegooid en trekt zich niets meer aan van andermans oog.

Meer leuke content? Like ons op Facebook