Betekent een gezamenlijke bankrekening het einde van je vrijheid?

Als ik de iPhone app van de bank open, staan ze er duidelijk. Er is geen ontkomen meer aan. Er is geen weg meer terug. Twéé rekeningen. We hebben sinds vandaag een gezamenlijke bankrekening.

Ik weet niet of ik moet lachen of treuren, in ieder geval raak ik er op een bepaalde manier over opgewonden. Ik wil het delen met iemand, ik wil graag horen van iemand anders of het om te lachen of te treuren is. Ik stuur een berichtje: ‘We hebben een gezamenlijke rekening!’ Vriendin M. lacht me uit. (Of toe?). ‘Straks weten jullie alles van elkaar,’ typt ze terug. Waarbij ‘alles van elkaar weten’ niet bedoeld is als iets nastrevenswaardig in haar ogen.

Maar zo’n vaart loopt het niet. Het is maar een bankrekening…
Toch?

Een gezamenlijke rekening was altijd het láátste wat ik wilde. Na een baby, samenwonen, een hypotheek, trouwen, zag ik een gezamenlijke rekening als het einde. Het einde van je identiteit, van je vrijheid, van je onafhankelijkheid. Maar die dingen (baby’s en huizen, geld enzovoort) hebben natuurlijk met elkaar te maken. Dus als je aan één begint zit je voor dat je het weet met allemáál opgescheept. Het begon met ‘onschuldig’ samenwonen – we hadden nog het idee een campertje aan te schaffen ter bevordering van de vrijheid – en niet veel later is er dus een gezamenlijke rekening.

Een gezamenlijke rekening voorkomt ruzie
Misschien dat u, beste lezer, niet begrijpt waarover ik zo moeilijk doe. Wellicht heeft u ook een gezamenlijke rekening. Volgens next.checkt hebben de meeste stellen precies dezelfde constructie als wij nu hebben: allebei een aparte rekening en een gezamenlijke voor vaste lasten. De experts in het stukje zeggen zelfs dat deze vorm ideaal is en de minste ruzie oplevert.

Volgens een groot onderzoek van het Nibud (2007) over relaties en geld, blijkt dat maar liefst zestig procent van alle stellen ruzie maakt over geld. Overigens kun je met een gezamenlijke rekening, lijkt me, nog steeds heel goed ruzie maken: ‘Waarom waren die boodschappen die je laatst deed zo duur?’ of ‘Waarom pinde je om vijf uur ‘s nachts op het Leidseplein, vanaf onze gezamenlijke rekening?!’

Het is zo… klef. Zo degelijk. Zo verstandig. Het is bovendien zo verschrikkelijk transparant. En daarom moeilijk. Geld uitgeven was altijd meer zoiets als roken: lekker en onverstandig. En je doet het toch, de spijt komt later. Je probeert het heus binnen de perken te houden en je bent er nooit helemaal eerlijk over tegen andere mensen, ook niet tegenover je partner, uit lichte schaamte voor wat je weer te veel hebt uitgegeven.
Maar nu is dat voorbij, nu moet ik volwassen worden, ook met geld.

Geen weg terug
Ik geloof niet dat mijn ouders ooit een gezamenlijke rekening hadden. Maar die waren ook niet getrouwd en hadden ook geen hypotheek samen. Die waren toentertijd te hip (of bang?) voor al die dingen, en helemaal niet zo volwassen. En die hadden trouwens ook vaak ruzie. Alleen niet over geld.

Maar nu kan ik niet meer terug. Vandaag, neem ik me voor, zal ik afstappen van het idee dat een gezamenlijke rekening het summum van anti-romantiek is.

Hopelijk doet het de liefde niet al te veel kwaad…

Meer leuke content? Like ons op Facebook