Gaan we met kerst terug naar de kerk?

De Rooms-Katholieke Kerk heeft het zwaarder dan ooit, maar tijdens de nachtmis zit het geheid weer overal stampvol. Hoe kan dat toch? Een getuigenis.

Ik weet niet wat mij bezielde, die grijze, mistige dinsdagochtend in oktober, toen ik op weg ging naar het Centraal Station in Amsterdam en onderweg een kerk passeerde waarvan de deuren openstonden. Bij mijn weten waren kerken in Nederland doordeweeks gewoon gesloten, omdat er toch geen belangstelling voor was. Waren er koperdieven, was meneer pastoor zondag vergeten de deur dicht te doen, hadden de koukleumers van de Occupy-beweging de ingang geforceerd en er beschutting gezocht? Ik hield mijn pas in en stapte naar binnen.

Ik zag direct dat er geen vreemde snuiters waren maar toeristen. En niet weinig ook. Ze wandelden fluisterend rond, lieten zich met hun mobiele telefoons vereeuwigen voor het monumentale altaar of voor een immens beeld van een heilige, en het waren beslist niet alleen oudere mensen, maar ook heel veel jonge, bepaald vlot ogende types. Terwijl ze me passeerden, hoorde ik hen prevelen in het Italiaans, Spaans en in het Chinees of Japans; dat onderscheid kon ik niet maken.

De Kerk mocht in Nederland dan zowat op z’n gat liggen door alle schandalen, dat weerhield deze toeristen er kennelijk niet van om het Huis van God binnen te gaan, kaarsjes op te steken en massaal in de pot bij de uitgang te doneren ten behoeve van de restauratie.

Zodra het rondje en de foto’s waren gemaakt, verlieten de toeristen de kerk, en plotseling zat ik er zowat als enige bezoeker. Even vroeg ik mij af of de vrijwilligers van de Kerkwacht, zoals zij volgens de badges op hun revers heetten, mij misschien over het hoofd hadden gezien en me straks zouden insluiten. Maar van een afstandje zag ik de buitendeur openblijven, en dus bleef ik zitten.

Misdienaars onderweg naar de installatie van een bisschop in Breda

Hoe lang was het geleden dat ik een kerk van binnen had gezien? Op vakantie in Spanje stapte je in schilderachtige, verlaten dorpjes altijd kerken binnen. Daar wel, maar in eigen land? Met een schok realiseerde ik me dat het zeker veertig jaar geleden voor het laatst moest zijn geweest. Ik was toen misdienaar in de Heilig Hart-kerk in Den Bosch. Het waren de roerige jaren zestig, de Kerk verkeerde in een crisis. Priesters traden uit en trouwden. Ik herinnerde me een zogeheten beatmis, die was bedoeld om de jeugd binnen boord te houden. Er was het oorverdovende lawaai van een drumstel, van een geheimzinnig meisje met een bleek gezichtje dat was verborgen in heel veel haar en dat zong over een wereld die zij in haar handen had. Nooit vergeet ik de onrust van mijn vader, die een paar keer op het punt had gestaan de mis demonstratief te verlaten, zijn vrouw en kinderen met zich meezeulend. Maar pa hield zich in en zou na afloop op het kerkplein omringd door medeparochianen fel van leer trekken tegen al dat moderne gedoe.

Ik keek om me heen, naar de beelden van heiligen.

Waar was Franciscus? Uit de raampjes ver boven het altaar, viel gestreken licht naar binnen. De zon brandde de mist langzaam weg. Of was het een teken van de Huiseigenaar dat Hij mij heus wel zag zitten?

Het rook nog hetzelfde als vroeger, die mengeling van oude wierook die in de muren en balken was getrokken, van hosties die aan je verhemelte plakten, van de wijn, het bloed van Christus, waarvan wij vroeger in de sacristie stiekem proefden. Ik dacht aan de kerstnacht in de Heilig Hart-kerk om klokslag twaalf uur, en hoe we vochten tegen de slaap, en ik rook weer de worstenbroodjes die we daarna bij thuiskomst kregen. Er vloeide nog een hele trits herinneringen binnen. Allemaal even mooi.

Wat het geloof destijds ook voorstelde in een kinderleven, die kerk speelde een centrale rol. Het was een soort buurthuis, waar iedereen trouwde en werd begraven, waar een deel van de catacomben was ingericht als jeugdbibliotheek. De kerk was omringd door een tuin waar appel- en perenbomen stonden en waar niemand kwam, behalve wij, de kinderen die er hutten bouwden. En nergens kon je een bal zo hoog trappen als op het kerkplein, dat onmetelijk leek. Mijn lagere school, vernoemd naar pater Damiaan, stond pal naast de kerk en leverde op afroep en zonder enig voorbehoud de misdienaars. Wij hadden veel over voor een huwelijk of een begrafenis, al was het maar om een tijdje van school te zijn. Paters waren een soort onderwijzers, maar dan leuker, want ze gaven je nooit straf of huiswerk. Niks misbruik.

‘Het uur U’
Hoe lang ik daar zat in die inmiddels leeggestroomde kerk, wist ik niet, want ik draag geen horloge en mijn mobiele telefoon had ik uitgezet. Maar op enig moment werd ik me een stilte gewaar die ik niet herkende. De kerk stond toch midden in de stad, midden in het rumoer, maar niets daarvan drong naar binnen. Het leek alsof er een grote stolp om de kerk was geplaatst. Wat was dit, hoe lang ging dit duren, wat kwam er nog? Ten slotte leek ook mijn hoofd uitgevallen, want er werd niets anders meer geregistreerd dan… niets.

Zou het zo zijn als je sterft, dacht ik later, toen de gillende sirene van een ambulance ergens in de verte het leven weer had aangeknipt. Maar ik hoopte vurig dat er op mijn Uur U meer zou zijn, dat de engelen me uitgeleide zouden doen met het In paradisum, samen met de monniken van Solesmes, afgewisseld met fragmenten uit Bachs Weinachtsoratorium, de Matthäus of met een van de cantates (Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit of Den Tod niemand zwingen kunnt), werken die zelfs de fanatiekste atheïsten doen wankelen.

Ik wilde opstaan en weggaan, toen achter me de eerste noten werden gespeeld op een machtig orgel. Ik moest kennelijk nog even blijven. Noem het toeval, noem het wat je wilt, maar dit is de waarheid:de organist speelde Wachet auf, ruft uns die Stimme van Bach, een van mijn lievelingsnummers, dat vroeger vaak werd gespeeld bij begrafenissen. Mijn vader zei daarover eens tegen me: “Dit is zo mooi. Als je dit hoort, hoef je nergens bang voor te zijn.”

Ik keek om me heen, naar de plek in de bank en ik dacht aan al die mensen die hier de afgelopen honderd jaar op hadden gezeten. En over honderd, tweehonderd jaar zouden de banken opnieuw gevuld zijn. Altijd zouden de mensen, waar ook ter wereld, ter kerke gaan.

Wat had ik gemist de afgelopen veertig kerkloze jaren? Weinig tot niets, eerlijk gezegd. Mijn geloof was niet sterk genoeg geweest, maar tegelijkertijd is het waakvlammetje ook nooit uitgegaan. Ik heb me nooit uitgeschreven uit de Katholieke Kerk, wat een tijdje in de mode was. Onlangs nog voerde ik een discussie met een collega die zich niet kon voorstellen dat ik, toen die informatie nog werd verlangd, in bepaalde documenten bij ‘religie’ nog steeds ‘R.-K.’ invulde, terwijl ik er niets meer aan deed. Mijn eigen kinderen waren niet eens gedoopt, maar ze zaten weer wel op een R.-K. school. Zelfs de verhalen over seksueel misbruik in NRC Handelsblad van Joep Dohmen, vast iemand met een katholieke achtergrond, kan ik niet echt lezen: het is gebeurd en dat is afschuwelijk, maar ik kan het niet goed hebben als derden of afvalligen de affaires gebruiken om tekeer te gaan tegen die in hun ogen verachtelijke papen en hun verderfelijke regels, waaronder het celibaat.

Het bidprentje voor schrijver Gerard Reve, die zich in de jaren zestig tegen de stroom in tot het roomse geloof bekeerde

Altijd hield ik mijn geloof en verbondenheid aan de R.-K. Kerk achter de hand. Mijn collega vond dat ‘idioot’, want voor haar geldt dat wat niet kan worden beredeneerd en begrepen dus ook niet hoeft te worden geloofd. Op die reactie was ik niet voorbereid, maar later vond ik een weerwoord dat ik heb ingelijst in mijn geheugen en dat afkomstig is van Gerard Reve, de schrijver die zich in de jaren zestig van de vorige eeuw dwars tegen de mode in tot het roomse geloof bekeerde: “De verlichte mens is niet bereid ook maar iets te aanvaarden dat hij niet begrijpt. Ze vragen: ‘Maar hoe kan dat dan?’ Ik antwoord: ‘Het kan niet, maar het is gelukkig wel zo.’”

Zoals het de ware katholiek betaamt, heb ik van de Bijbel beperkte kennis. Maar wat ik vroeger van mijn ouders en de onderwijzers van de Pater Damiaan-school heb meegekregen, is voldoende om de rest van mijn leven in te zien dat de bijbelse traditie een onmisbare bron is van kennis en inzicht over goed en kwaad, een bron van onuitputtelijke hoop en liefde, waar alle agnosten, ietsisten, atheïsten en dwepers met de Verlichting en de Romantiek nog een punt aan kunnen zuigen. Vooropgesteld dat zij de bijbelverhalen niet al te letterlijk nemen, maar deze lezen op een dichterlijke, filosofische manier.

Het onverwachte bezoek aan de kerk had wel wat bij me losgemaakt, bijvoorbeeld een antwoord op de vraag waarom zo veel mensen geloven. Ze hadden geloof nodig, want onder de meest trieste en vaak ook onder de meest vrolijke omstandigheden kan de rede tekortschieten. Niet alles in het leven is uit te leggen, te beredeneren en aldus af te serveren onder het motto ‘zo is het nu eenmaal’. In die zin was geloof een menselijke, darwinistische noodzaak om te overleven in de jungle van de alledaagse meedogenloosheid.

Het was niets anders dan hoop, troost. Mensen kunnen het leven niet altijd bevatten, en scheppen dan een God die het beste met hen voorheeft, die altijd een luisterend oor biedt en die zelfs een leven na de dood belooft in een fantastisch paradijs. Wat kon daarop tegen zijn?

Levensvragen
Maar wat hield het geloof voor mij in? De advent brak aan, en verdomd, ik voelde opeens grote behoefte om te onderzoeken of het waakvlammetje nog kon aanzwellen tot het vuur dat ik kende uit mijn jongste jaren en waarvan ik ook weer iets had gevoeld in die kerk bij het Centraal Station. Misschien was het pure nostalgie, zoals je ooit ook terugkeert naar je ouderlijk huis of je lagere school, of zoals je soms googelt naar een oude vriendin. Maar er was nog iets anders: eerder dit jaar hebben we Ingrid begraven, de moeder van een jongetje uit de klas van mijn zoon, 47 jaar nog maar. Die gebeurtenis wees ons, ouders, allemaal weer onverbiddelijk op onze eigen kwetsbaarheid. Ik was zeven jaar ouder dan zij. Er zouden steeds meer begrafenissen komen, van familie, bekenden, collega’s. Mijn zonen hebben mij nog hard nodig, dus ik moet nog een tijdje blijven. Maar onmiskenbaar naderde ik mijn eigen einde.

Hoe zou ik gaan? En wanneer? Wat gebeurde er als ik weggleed; was er helemaal niets, zoals er ook niets was voordat je werd geboren? Of zou ik mijn ouders weer tegenkomen? En kon ik mijn jongens nog volgen en hen af en toe een teken geven, een groet?

Grote vragen, bange antwoorden. Misschien had ook ik gewoon wat troost nodig, wat muziek, wierook, woorden en wat stilte, diepe stilte ‘van het soort waarin dingen worden gehoord die nog nimmer het oor vernam’, zoals de dichter Nijhoff het zegt in Het uur U.

In de reisbijlage van de krant las ik een artikel over een trip naar India, waarbij tal van plekken werden aangedaan die te maken hadden met het boeddhisme. Dat leek me ook wel wat, maar mijn broodnuchtere, verstandige vrouw zei: “Waarom zoek je het niet dichter bij huis en ga je niet naar een echte mis in je eigen kerk?” Ik wuifde het weg, omdat ik opzag tegen het vroege uur van de zondagsmissen in ons buurtkerkje: half tien, de enige ochtend in de week dat ik kon uitslapen. Maar op de eerste adventzondag zette ik me over het onchristelijke tijdstip heen en ging naar de kerk, die de schitterende naam Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen draagt en uit de negentiende eeuw dateert.

De stijl was neogotisch, las ik op een toeristenbordje van de ANWB dat aan de buitenkant was geplaatst. Voordat ik binnenging, keek ik nog vlug om me heen of er toevallig niet een bekende langsliep die mij zag. Het interieur was van een onverwachte diepte en lichtheid, met aan de muren fraaie schilderijen van Jezus’ kruisweg. Echt druk was het niet, en onder de aanwezigen overheersten de grijze kopjes.

Het vertrouwenwekkende gevoel van de kerk bij het Centraal Station ontbrak deze keer. Eerder voelde ik mij een cultureel antropoloog op bezoek bij de bosjesmannen toen de mis werd geopend door een mevrouw die werd bijgestaan door twee andere vrouwen, allen gekleed in jurken of spijkerbroek en met Uggs aan de voeten.

Waar was meneer pastoor? Had deze parochie er nog wel een?

Na afloop van de mis vertelde iemand me dat de parochie was samengevoegd met een paar andere en werd geleid door een pastoor. Hij kon natuurlijk niet elke week overal de mis doen en beschikte daarom over dit soort vrouwen, vrijwilligsters die per toerbeurt een mis deden.

Er werd amper gezongen, en dan nog in het Nederlands. Ongetwijfeld Huub Oosterhuis, want God was zo ongeveer een Toffe Gozer en iedereen werd met ‘je’ en ‘jij’ aangesproken. De mis bevatte ook veel liturgie, veel voorleesbeurten van, alweer, vrouwen die zichzelf graag hoorden en die het presteerden telkens de klemtonen verkeerd te leggen. Op enig moment kwam er een mij onbekende man naar me toe die zijn hand uitstak en zei: “Vrede zij met u.” Om me heen zag ik andere mensen hetzelfde doen. Ik vond het ongemakkelijk en kon me niet herinneren dat dit er vroeger bij hoorde. Na de man volgden nog een vrouw en een meneer die niet helemaal goed was.

De preek ging over de eurocrisis en daarna over Mauro en Jossef. De stem van de vrouw trilde van verontwaardiging over al het onrecht dat deze jongens werd aangedaan, en ze riep de verantwoordelijke politici op hun christenplicht te vervullen en de jongens niet uit te zetten.

Tegen het einde van de mis riep de priesteres de beminde gelovigen op tot een moment van stilte. Eindelijk, dacht ik nog en sloot mijn ogen. Maar er gebeurde niets. De centrale verwarming sloeg aan, en het geluid van een dreunend gesuis overheerste. In mijn tijd leden we gewoon kou in de kerk en kropen we zo dicht mogelijk tegen elkaar aan.

Hiermee gaan ze het niet redden, herhaalde ik na afloop van de mis de wijze woorden van mijn vader destijds naar aanleiding van die beatmis.

De Haarlemse Sint Bavo Kathedraal in kerstsfeer

De teleurstelling over de mis kon niet verhinderen dat ik mijn vrouw plechtig beloofde een nieuwe poging te wagen in de komende traditionele nachtmis in de Sint Bavo Kathedraal in Haarlem. Dat schijnt een happening te zijn waarvoor je weken, maanden van tevoren kaarten moet bestellen. Ik verwacht er veel van, maar de bisschoppen en priesters van de R.-K. Kerk zou ik toch voor het nieuwe jaar de volgende overweging willen meegeven: heren (en dus geen dames), heren, haal de bezem eens stevig door uw Kerk. Laat al die moderne meuk alstublieft achterwege: de jongeren bereik je er toch niet mee, en die lieve trouwe oudjes doe je er ook geen plezier mee.

Rooms-Katholieke Kerk van Nederland, keer terug op uw schreden, herstel de Latijnse mis in ere, laat meer oude, gregoriaanse muziek horen, meer Bach op het orgel, train uw priesters in eloquentie, opdat hun preken voortaan weer ergens over gaan (en hou de politiek erbuiten, daarvoor hebben we politici), verklaar niet te veel, leg niet alles uit, dring niet op, geef meer ruimte aan het mysterie en laat dat mysterie het mysterie blijven, bouw meer en langere stiltes in, stroomlijn de liturgie, want daar kan best een voorbede of lezing van af. Laat de mannen terugkeren op het altaar. En met hen de wierook, en de klokken die luid beierend het begin aankondigen van een nieuwe tijd.

Dit verhaal verscheen op 23 december 2011 in het weekblad van HP/De Tijd

Meer leuke content? Like ons op Facebook