Waarom ik ondanks alles toch nog zo ontzettend veel van wielrennen houd

Hoe vaak mag een geliefde je bedriegen alvorens je haar de rug toekeert? Het zijn zware tijden voor de wielerfan. Alles brokkelt af, het wielrennen is een klassiek fort in een aardbeving die de muren doet scheuren, de torens doet wankelen en het fundament langzaam opvreet. Wie niet beter wist, zou kunnen denken dat de totale ineenstorting nabij is.

Een laatste, definitieve dreun.
Waarna de sport in goed overleg wordt opgeheven en onze kinderen nog slechts in musea naar de restanten van wat ooit een machtig en wereldberoemd fort was kunnen kijken. Achter glas, om verdere beschadiging te voorkomen.

Theater. Drama. Literatuur
Wanneer zelfs de romantici van wielertijdschrift De Muur een heel nummer aan drog en bedrog wijden, kan de Apocalyps nooit veraf zijn.
Danny Nelissen sprak in zijn 75 minuten durende mea culpa over ‘een verloren generatie wielrenners’. Het wordt tijd dat Wilfred Genee eens een lid van een verloren generatie wielerfans aan de tand gaat voelen. Mijn eerste herinnering aan de wielersport is de oppermacht van de Mapeiploeg in de Parijs-Roubaix van 1996. Met hematocrietwaarden die vermoedelijk door het dak gingen en spieren die waren opgepompt als kleine kinderzwembandjes, reden Museeuw, Tafi en Bortolami over de wielerbaan naar een collectieve zege, die op talloze manieren niet deugde en daar juist al zijn glans aan ontleent.

Al mijn door het gouden licht van eindeloze zomers beschenen wielerjeugdherinneringen zijn intussen bezoedeld door fraude, medisch gefoefel, medicijnmannetjes, verderf en dood, altijd weer de dood. Halfgoden bleken chemisch opgevoerde leeghoofden. Zwaar bevochten zeges bleken reeds op voorhand bekokstoofd in met de mozaïek van twintig sponsors beplakte ploegauto’s.
Niets is geweest wat het leek. Alles was nep.

En dan nu de vraag: is dat erg?
Antwoord: nee.

Dit is een liefdesverklaring aan een sport die eigenlijk geen sport is. Een sport waarvoor in het verleden behaalde resultaten nooit een garantie voor de toekomst zijn gebleken. Een sport die geen naslagwerken velen kan, omdat er geen feiten bestaan, alleen feiten onder voorbehoud. Uitslagen zijn indicaties, televisiereportages doen verslag van een klein deel van wat mogelijk een stukje van de werkelijkheid zou kunnen zijn.
Wielerschrijver Herman Chevrolet kan het niet vaak genoeg herhalen: wielrennen is geen sport, wielrennen is literatuur, toneel. Drama.
Wie heeft ooit overwogen om de toneelstukken van Shakespeare te herschrijven omdat ze niet op de werkelijkheid berustten?

De reis of het reisdoel
Alles wat ik tussen mijn achtste en mijn 27e over wielrennen heb geleerd, is dat er niet zoiets bestaat als een eenduidige werkelijkheid. En dat eerlijkheid een begrip is dat voor talloze vormen van uitleg vatbaar is. Net als oneerlijkheid trouwens.
Voor wie aan die begrippen hecht, is er de exacte wiskunde. En zelfs daar schijnen meerdere interpretaties mogelijk te zijn.
Maar ik kijk niet naar wielrennen om de uitslag in mijn geheugen te kunnen prenten en de rest verder te vergeten. Wielrennen is de reis, het eindklassement het einddoel. Voor wie het reisdoel prefereert boven de reis, zijn er all inclusive-vakanties in desolate toeristenoorden waar je in een met subtropische zwembaden, meerdere talen sprekende animatieteams en buffetrestaurants opgekalefaterde vakantiebunker tien dagen voor een fooi aan een zwembad kunt liggen.
Voor wie de uitslag prefereert boven de wedstrijd, zijn de uitslagenblokjes in de krant misschien een aardige tip.

Wielrennen bestaat bij de gratie van de onzekerheid. Het is een stuk op talloze tonelen, waarvan wij, de fans, er maar één in beeld gebracht krijgen, vaak nog gebrekkig geregisseerd door een Franse chauvinist en van zalvend commentaar voorzien door de hogepriesters Dijkstra, Ducrot, Smeets, Wuyts en De Cauwer, die de mis der ongeloofwaardigheden mogen leiden tot in de eeuwigheid. Schijnbaar traag en stroperig slingert het peloton zich als een veelkleurige guirlande tussen akkers, wijngaarden, afzichtelijke buitenwijken en reeds lang ingeslapen dorpjes die Munkzwalm of Santa Madonna di Piave heten en waarover je even kunt denken: wat als ik daar geboren was? Wie was ik dan geworden?

Wielrennen is de sport van de fantasie. Je kunt er sceptisch van worden, lyrisch, slaperig of niets van dat alles. Je kunt het eindeloos analyseren, of er langzaam bij wegdommelen. De wielerfan weet dat hij bedrogen wordt, hij wil niets liever dan dat. Wielrenners hebben niet de moraal om niet vals te spelen, zei Matthé Pronk dinsdag in De Wereld Draait Door. Maar het zit anders: het is niet de afwezigheid van moraal die de sport momenteel laat schudden en beven als een Fiat Panda op de kasseien van het Carrefour de l’Arbre, maar de flexibiliteit ervan. Wie is bereid wat te doen en wie trekt welke grens? Wielrennen roept ethische vragen op: wat is vals spel? Wat is beroepsernst? Wat is gevaarlijk? Wat is gezond? Wat is goed en wat is slecht? De grote vragen des levens en het wielrennen stelt ze, iedere koers weer.

Omkoping – in het voetbal altijd beschouwd als misschien wel het grote Kwaad, het gevaar dat te vuur en te zwaard bestreden dient te worden – wordt in het wielrennen altijd van harte aangemoedigd, als het maar grondig en professioneel gebeurt. Wie zich een slechte bedrieger toont, zoals Rigoberto Uran tijdens de laatste Olympische Spelen, verdient geen respect, geen hoon, maar een cursus. Uran verpestte de illusie, hij was de schrijver die even buiten zijn roman treedt om de lezer eraan te herinneren dat hij zich laat meeslepen door fictie. Eigenlijk is Uran een matige postmodernist in een kunstvorm die het postmodernisme zomaar heeft overgeslagen.

Het wordt koers
Maar het belangrijkste is de koers. Nog ruim vijf weken te gaan.
De Vlaamse televisie zal de uitzending vroeg beginnen. Ze zullen jonge, Vlaamse jongens vragen naar hun verwachtingen. De zon zal doorbreken, of anders zullen er regendruppels zijn die de lens bevochtigen en de kijker thuis het zicht ontnemen.
Er zullen demarrages zijn, valpartijen, sprints, valsspelers, geblesseerden, halve zieken, koekenbakkers en eerlijke kerels.
Er zullen renners zijn die niet winnen, maar wel vinden dat ze hadden moeten winnen.
Er zal opwinding zijn, en spanning, en de middag zal voortglijden als een peloton door de Vlaamse Ardennen.
Aan het eind van de dag zal er, terwijl de helikopter beelden schiet van de binnenstad van Gent, een uitslag in beeld komen. Tien namen met tien vlaggetjes die corresponderen met de respectieve nationaliteiten. We zullen allemaal doen alsof dit de definitieve uitslag is en weten dat het lijstje er slechts staat om aan bepaalde administratieve eisen te voldoen. Het is een resultaat tot nader order, een toets die altijd nog herkanst kan worden.
Vijf weken, vijf weken nog tot de koers.

Ik kan nauwelijks wachten.

———
Volg HP/De Tijd ook op Twitter en Facebook.

Meer leuke content? Like ons op Facebook