‘De nieuwe wildernis’: waardige opvolger van Bert Haanstra

De laatste natuurfilm van Nederlandse makelij die op grote schaal in de bioscoop werd  uitgebracht, dateert van 1972. Bert Haanstra had dat jaar een grote hit met Bij de beesten af. De film trok in Nederland 880.000 bezoekers en was ook internationaal een succes. Haanstra hield er zelfs een Oscarnominatie aan over. Sindsdien werd zo nu en dan nog een film over de Afrikaanse fauna van Hugo van Lawick (1937-2002) in Nederland uitgebracht, maar daarmee hebben we het dan wel zo’n beetje gehad.

Maar zie, anno 2013 wordt met tromgeroffel en trompetgeschal een natuurfilm gepresenteerd die niet alleen van Nederlandse makelij is maar die ook nog eens geheel op de polderbodem werd opgenomen. De nieuwe wildernis wordt in maar liefst 112 zalen tegelijk uitgebracht en belooft de kijker Nederland te tonen ‘zoals je het nooit eerder zag’.

En het moet gezegd: die belofte wordt ingelost. Het landschap van de Oostvaardersplassen (Zuid-Flevoland) oogt nu eens woest en ledig als de Siberische taiga en dan weer exotisch als een subtropisch regenwoud. Bronstige herten stoten een verontrustend gebrul uit alvorens elkaar te lijf te gaan, grote kuddes paarden denderen over het vlakke land, futen verliezen zich in een sierlijk paringsritueel en een vos richt een bloedbad aan onder jonge ganzen.

De beelden zijn spectaculair. De nieuwe wildernis heeft zo nu en dan de dynamiek van een actiefilm en wisselt seks, lust, moord en doodslag af met rustiger beelden van een ansichtkaartachtige schoonheid. De makers richten de camera overigens niet alleen op ‘aantrekkelijke’ dieren, maar hebben ook aandacht voor strontvliegen, maden, watervlooien en andere nietige wezens die een voorname rol spelen in de cyclus van de natuur. Want dát is het grote verhaal dat hier aan de hand van de jaargetijden aanschouwelijk wordt gemaakt. We zien niet alleen het o zo schattige veulentje of hertje dat in het voorjaar z’n eerste wankele stappen zet, maar ook de jonge dieren die hun eerste winter níet overleven. Het is een opzet die in natuurfilms wel vaker als rode draad gehanteerd wordt en die onvermijdelijk tot visuele clichés leidt. Hoe laat je zien dat de winter bijna is afgelopen en het voorjaar voor de deur staat? Met een close-up van een boomtak of rietstengel waar de smeltende sneeuw naar beneden druppelt.

De makers hebben de informatie welbewust karig gehouden. Het getoonde landschap is op initiatief van de mens ontstaan, maar onder welke omstandigheden dat gebeurd is, komt de kijker niet te weten. Evenmin wordt uitgelegd wat al die przewalskipaarden (in de film spreekt men om onnaspeurbare redenen liever van ‘konikpaarden’) nu eigenlijk in Flevoland te zoeken hebben. Ook de discussie over de mate waarin de mens de natuur in de Oostvaardersplassen kan/moet/mag reguleren, wordt omzichtig gemeden. Het commentaar dat we via de voice-over te horen krijgen heeft veeleer een losse, informele toonzetting. Soms bij het oubollige af: een veulen dat bij z’n moeder drinkt is aan het ‘snacken’, en vissen zitten in de winter ‘relaxed’ onder het ijs. De muziek (van Bob Zimmerman) is daarentegen voortreffelijk en legt op dramatische momenten mooie accenten zonder opdringerig te worden.

De makers hebben er verstandig aan gedaan de lengte tot 97 minuten te beperken. Visuele grandeur is immers als snoepgoed op een schoolreisje: na verloop van tijd dreigt het tegen te gaan staan. De nieuwe wildernis is een indrukwekkende, bij vlagen zelfs verbluffende film en een waardige opvolger van de natuurfilms van Bert Haanstra.

Meer leuke content? Like ons op Facebook