Talenten in Tamale of: FC Utreg goat noar Ghana

Toen Frans van Seumeren zich op een dag verveelde, kocht hij FC Utrecht. Sommige mensen kopen een boek wanneer ze zich vervelen, of een duur soort badschuim, en je hebt types die hun jas aantrekken, op de fiets springen en een voetbalclub aanschaffen. Ieder z’n meug.

Wanneer ik het gevoel heb dat ik iets voor de wereld moet doen, maak ik geld over op de rekening van een goed doel, of ik denk gewoon even vijf minuten aan mensen bij wie het tegenzit. Daarna gaat het weer. Als Frans van Seumeren het gevoel heeft dat de wereld hem nodig heeft, blijft het niet bij denken. Frans van Seumeren – omvangrijke vent, snor als een schilderkwast – kiest een arm land, vliegt erheen en richt een voetbalschool op.

Zo ongeveer moet de Tamale Utrecht Football Academy zijn ontstaan. Ik wist niet van het bestaan van TUFA, tot ik begin deze week in een programma viel op het onvolprezen RTV Utrecht.

Ghoana
De documentaire van Rik van Manen volgt het onder-17-elftal van FC Utrecht, dat afreist naar hun Ghanese clubgenoten. Het begin belooft al veel: Van Seumeren zit aan een tafel en schrijft bij het flakkerende licht van een kaars over de avonturen van de Nederlanders in Afrika in een groot boek. Hij is een begenadigd klemtonentovenaar, heeft het vaak over “efsee-utreg”.
De jongens van Utrecht onder-17 zijn pubers – sommige van de spelers zijn nog echt lieve jongens, het buitenspelen nauwelijks ontgroeid -, wanneer ze in beeld komen, zie je bijna onmiddellijk een liefhebbende moeder voor je, die de koffer van haar zoon inpakt. Er zitten ook grote kerels bij, stille, volwassen mannen van 16, en opgewekte jochies die voorbestemd lijken om voor eeuwig twaalf te blijven.
Een enkeling proat onvervals Utregs.
Veel aarmoede, meh ziektes en daat soort dinge, in Ghoanoa.

In het vliegtuig zoomt de camera in op de gezichten.
Sommige nog glad en haarloos, sommige pokdalig, andere hoekig en bestoppeld.
‘Dat doe je maar een keer in je leven, naar Ghana gaan,’ mompelt er een.
De jongens bezoeken een soort openingsceremonie. Bedremmeld zitten ze in een lemen hut en luisteren naar het enthousiaste, maar onverstaanbare stamhoofd.

Jimmy, de captain en een beer van een vent, moet een dankwoord houden.
Hij is nerveus, staart in de verte, maar slaat zich er manmoedig door.
Daarna zijn de Utrechters te gast bij een thuiswedstrijd van TUFA.
Meer een veldslag dan een wedstrijd eigenlijk; alle 22 spelers willen zich bewijzen voor het oog van het Europees bezoek en, vooral, de camera uit Nederland.
Zakaria recenseert de wedstrijd als volgt: ‘Dit heb ik nog nooit meegemaakt, in mijn hele leven. Kijk, ik betaal voor Fox Sports, maar dit is gewoon tien keer beter.’
Emre, die gezegend is met de familienaam ‘Bal’, heeft veel ‘vlieg- en kunstwerk’ gezien.

Geen woorden
De volgende stop is een krottenwijk, waar een oud-gastspeler van Utrecht is opgegroeid.
Geiten, kinderen en bejaarden wriemelen om elkaar heen – hier heeft iemand ooit het adjectief ‘schrijnend’ voor bedacht.
Weer zie je de jonge voetballers, van wie een enkeling over een paar jaar misschien wel in vier villa’s tegelijk woont, in zwijgende verbijstering om zich heen blikken.
Ze lijken zich niet op hun plek te voelen.
Zijn ze ook niet.
Eentje hakkelt tegen een begeleider: ‘Ik vind het erg, ik vind het erg om te zien. Ik heb er geen woorden voor.’ Een ander vraagt zich af waarom hij in zoveel stinkende ellende nauwelijks verdriet aantreft: ‘Dan kijk je naar die kinderen en dan zie je ze lachen en dan denk je: waarom lach je eigenlijk?’
En Emre Bal voegt eraan toe: ‘Die kinderen hebben helemaal niks. Bij wijze van. En toch blijven ze lachen en zijn ze misschien nog gelukkiger als ons.’

Ze maken een vroegwijze indruk, de jongens van FC Utrecht onder-17. Onder de indruk van een wereld die ze vreemd is, en de camera die ieder verkeerd gebruikt woord eeuwig zal bewaren, drukken ze zich uit in zinnen die uit een handboek lijken te komen. Toch geloof ik ze, die jongens met hun gesponsorde tenuetjes die door het armste deel van Ghana struinen. Omdat ze af en toe iets zeggen wat zo gemeend en tegelijk onhandig is, dat het niet anders dan lief en oprecht kan zijn. Zoals Sergio, die na het bezoek aan de sloppenwijk vrolijk zegt: ‘Het is mijn doel, om die kinderen iets leuks te geven. En ik heb ze een goeie glimlach bezorgd.’

Toffe jongens
Tot slot bezoekt de selectie de feestelijke opening van een “watervoorzieningspunt”. Er wordt gedanst, gejuicht, gezongen en gefeest.
‘Wel wat anders dan in Nederland als er wat wordt aangelegd,’ zegt Tim Hak, de spits die qua postuur doet denken aan Dick Nanninga.
Ja, als ‘Talenten in Tamale’ iets aantoont, is het dat Ghana Nederland niet is.
En dat het toffe jongens zijn, de spelers van FC Utrecht-onder-17.

Bekijk de uitzending van Namen en Rugnummers hier terug.

Meer leuke content? Like ons op Facebook