De kleine blonde dood van Roda JC

Midden op het veld van de Adelaarshorst ligt een jongen in een zwart tenue. Hij heeft de handen achter zijn hoofd gevouwen en kijkt naar de hemel. Even verderop staat een andere jongen. Zijn naam is Bart Biemans, een naam die qua naam hoe je het ook wendt of keert beter in de Jupiler League past.

Biemans staat nog, hij heeft zijn handen in de zij en staart in de verte, als een schipper die aan de kade toekijkt hoe zijn schip door de golven verzwolgen wordt.
En overal tussendoor loopt Mark-Jan Fledderus, symbool van het verdriet. Niemand kan beter treuren dan Mark-Jan Fledderus. Ooit, nog niet eens zo heel lang geleden, hield hij Roda met twee doelpunten in de hemel, nu moet ook hij de lange trappen naar de hel van de Eerste Divisie afdalen. Volkomen verdiend overigens, want Roda JC stelde dit jaar niets voor. Een prachtig oud gebouw dat niemand ooit heeft durven restaureren en nu bij de eerste windvlaag als een pudding in elkaar stort, dat is Roda JC.

Jon-Dahl Tomasson staat voor z’n dug-out. Zijn heldere ogen zijn knikkers geworden, het gezicht is zo bleek als een middenstip. Het keurige pak hangt als een dodenvest om zijn schouders. Tomasson is de aannemer die het krot voor instorten moest behoeden toen het bijna te laat was, en die begon met het doorbreken van een draagmuur, op aanwijzing van een architect die hoog in een directiekamer zijn ingelijste diploma’s aan de wand aan het afstoffen was.
Ik zie Biemans, en Kurto, Tomasson en zelfs Fledderus en denk: dit is Roda niet. Hoogstens een tamelijk beroerde imitatie.

Was iedereen maar een halve Belg
Ooit, toen Ajax de beste ploeg ter wereld was, juichte ik voor Roda. Voor Johan de Kock, Tomek Iwan, Max Huiberts, Barry van Galen, voor trainer Huub Stevens (toen al een fanaat, alleen zag ik dat nog niet) en vooral voor Eric van der Luer. Een van de beste elftallen die Limburg ooit heeft gezien, het enige team dat Ajax in zijn gouden 94/95 niet wist te verslaan. Roda JC was wat mensen wel ‘een bolwerk’ noemden, al wist niemand precies wat daarmee werd bedoeld.
Twee keer per jaar ging mijn vader kijken op Kaalheide. Ik was te klein, ik mocht niet mee.
Wanneer hij weer thuiskwam, beschreef hij alles tot in detail. Hoe de speaker de toeschouwers had welkom geheten, hoe Roda de bovenliggende partij was geweest en hoe hij Louis van Gaal had horen schreeuwen langs de lijn.
Ik vroeg hem of Babangida net zo snel was op tv.
Dat was zo.
En de ballen van Van der Luer?
Nog krommer dan op tv!

Na dat jaar begon het, de aftakeling. Eerst voorzichtig en ongemerkt, Roda won nog eens van AC Milan in San Siro, het speelde af en toe Europees en begroette af en toe nog prachtige voetballers waarvan elders weinig overbleef (Vormer, Kone, Cziommer, Malki).
Ieder jaar bladderde verf een beetje verder af.
Tot nu, tot de ultieme blamage.
De commentaren zaterdagavond waren besmuikt opgewekt – als bij de dood van een beroemde misdadiger. Leedvermaak. Waar die haat vandaan kwam, kon niemand met zekerheid zeggen.
‘Het zijn halve Belgen,’ schreef AD-columnist Sjoerd Mossou op Twitter.
Alsof Belgen niet het prettigste volk ter wereld zijn.
Was ik maar een halve Belg, dan was het leven vast nog veel aangenamer.
Was iedereen maar een halve Belg.

De kleine blonde dood
De NOS zat de dag na het debacle in de tuin bij zo’n halve Belg, Eric van der Luer – hij zag er nog net zo uit als toen op Kaalheide, toen ik er niet bij was.
Hij vergeleek de degradatie met het overlijden van zijn moeder.
Maar op z’n moeders dood had hij zich kunnen voorbereiden. Een jaar.
Dit, bedoelde Eric, was minstens even erg.
Ik moest aan zijn bijnaam van destijds denken.
De kleine blonde dood.
Het had de titel van een boek over afgelopen zaterdag in Deventer kunnen zijn.

Meer leuke content? Like ons op Facebook