Waar we (stiekem) aan denken tijdens de 2 minuten stilte

Gisteren vroeg mijn dochter tijdens het eten: “Mam, zou het in de Albert Heijn morgenavond ook twee minuten stil zijn?” Het bleek dat ze vandaag rond acht uur moest werken. Natuurlijk zou zij zelf haar mond houden als de doden werden herdacht, maar wat als een klant tegen haar zou praten? Moest ze dan met brede armgebaren de onverlaat tot stilte manen? Hardop sissen dat-ie stil moest zijn? Maar sissen was toch ook geluid? Kortom, wat te doen?

Ik ben opgegroeid op de Veluwe. Hier is iedereen stil. Altijd en overal. Op 6 april om 2 uur ’s middags, 28 februari om 10 uur ’s morgens. Dus ook op 4 mei om acht uur ‘s avonds. Gaat in één moeite door. Geen kunst aan. Het verschil met hoe de rest van Nederland met de twee minuten stilte omgaat, zag ik pas toen ik een jaar of zeven was, en op 4 mei om acht uur ’s avonds in een drukke Amsterdamse tram zat. Ineens stond hij piepend stil. Voor de eerste keer in mijn leven begreep ik dat al dat stiltegedoe een heus ritueel was. Een belangrijk terugkerend gezamenlijk gebeuren. En daar in die tram, waar die stilte zo onnatuurlijk en bijna buitenaards aandeed, kreeg dit ritueel pas werkelijk diepte en betekenis voor mij.

Bevroren wereld en schuimblokken van de Spar
De mensen om mij heen waren in gedachten verzonken. Ik weet nog dat ik dacht: zouden ze nu allemaal aan de oorlog denken? Aan het Jodentransport, de gaskamers, de Hongerwinter? Het leek me wel. Dat was tenslotte de bedoeling. Ik besloot snel ook aan de oorlog te denken. Mijn vader gooide mij dood met oorlogsverhalen; me dunkt dat ik op het moment suprême wel een gruwelijke anekdote tevoorschijn kon toveren. Ik dacht me wezenloos maar er kwam niks. Alles bleef zwart. Ik kon alleen maar aan de wereld om me heen denken, die plotseling bevroren leek. Wat nu als we altijd zo zouden blijven staan? De wereld niet meer in beweging kwam? En de kat thuis, zou die ook stilstaan nu? Ook dacht ik aan de schuimblokken van de Spar. Ik had nog een kwartje in mijn zak, dat was genoeg voor twee. Ik voelde mijn tanden al bij voorbaat door het stroeve suikerblok groeven en kreeg daar prettige rillingen bij. Paniek. Dit was niet goed! Prettige rillingen hoorden niet bij de twee minuten stilte. Voor straf moest ik direct aan de foto van de uitgehongerde lijven achter het kampprikkeldraad denken, die een leraar op school laatst aan ons had laten zien, en waar ik drie nachten niet van had kunnen slapen. Dat zou me leren.

Doorgedraaide hamsters
Sindsdien is het nooit meer iets geworden tussen mij en die twee minuten stilte. Ik denk al veertig jaar tijdens de traag wegtikkende seconden aan debiele katten, foute ex-vriendjes, enge buren, doorgedraaide hamsters, gefileerde palingen die nog wat naspartelen in een verlaten weiland, incontinente kappers, zijgende poolkappen of loensende apotheekmedewerkers. Alles, behalve aan de oorlog. Daar begin ik meestal pas mee als die twee minuten voorbij zijn. Of ruim daarvoor. Als ik in het huis van mijn ouders ben, de holle ruimte achter het plafond van de overloop zie, waar de Joodse onderduiker die mijn opa en oma in huis hadden werd verstopt als er gevaar dreigde. Of als ik er door de tuin struin en me afvraag waar de helm en het geweer van de dooie Duitser begraven liggen, waar mijn vader het vaak over had.

Als je je kop maar houdt
Het gaat er misschien ook helemaal niet om wát je denkt tijdens die twee minuten, als je je kop maar houdt. Het in stand houden van het ritueel is belangrijk, opdat de geschiedenis niet in de mist verdwijnt. Door het samen te herdenken tillen we het voor een moment uit de schemer, stellen we het verleden weer even scherp. Al is het maar voor de mensen die er wel altijd aan denken, de gruwelijkheden van de oorlog zelf hebben moeten ondergaan. Dat ze even niet zo alleen zijn met hun herinneringen.

Tante Mennie in een knokploeg
Dit jaar heb ik van tevoren bedacht waar ik aan ga denken. Kort geleden kreeg ik namelijk te horen dat mijn (inmiddels overleden) tante Mennie lid van een knokploeg in het verzet was. Verder weet ik niets. De meest heftige ideeën krijg ik daarbij. Mijn gekke tante Mennie, die altijd al een vreemde eend in de bijt was, maar een knokploeg? Met vechten en zo? Vroeger toen ik klein was wilde ze altijd mijn haar krullen, me opmaken. Ik herinner me nog de lange slanke vingers die door mijn haren gleden. Daar past geen knokploeg bij.

Aan haar ga ik denken dit jaar. Ik zal in gedachten tegen haar zeggen dat ze een stoer wijf was. En dat ik hoop, dat als ik ooit eens in zo’n situatie kom, ook zo moedig durf te zijn. Ik weet niet of ik dit twee minuten volhoud, misschien denk ik al na tien seconden aan geverfde cavia’s, maar dan heb ik het in ieder geval geprobeerd. Ook dat is wat waard.

Meer leuke content? Like ons op Facebook