Eerst Rembrandt zien, dan flauwvallen

Afgelopen weekend (want het laatste weekend) bezocht ik de tentoonstelling Late Rembrandt in het Rijksmuseum. Een beetje huiverig sloot ik aan in de lange rij van (voornamelijk) grijshoofden die voor het gebouw stonden. Mannen met oortjes in hun hoofd dirigeerden de kudde langs deuren, poortjes en hekjes. Het leek een beetje op Lowlands of Pinkpop, maar dan voor bejaarden en niemand had zijn tent mee.

Achteraf had ik dat best een goed idee gevonden, een tent mee. Die ik ergens in de gigantische drukte had kunnen neerzetten, voor mijn part in het toiletgebouw, of tussen de Aziatische booskijkgoden. Het schijnt namelijk dat ruim een half miljoen mensen de tentoonstelling hebben bezocht. Niet allemaal tegelijk natuurlijk, het bezoekersrecord heeft zich over drie maanden verspreid, maar ik vermoed dat de dag dat IK er heenging, toch goed was voor minstens een kwart miljoen. En dat terwijl ik zo naarstig op zoek was naar contemplatie.

Toen de kudde, die gaandeweg steeds meer op de langst levende worst van de wereld ging lijken, eenmaal de eerste Rembrandtzaal had bereikt was er verwarring. Want waar waren de Rembrandts? Ik zag slechts 88 telefoonschermpjes met daarin 88 minigrootmeesters die tegelijkertijd in de lucht werden gehouden. Was ik op zo’n jolige interactieve tentoonstelling beland? Moest ik ergens op drukken om een schilderij tevoorschijn te toveren? Een wachtwoord door een verstopt speakertje roepen? Of nee, ik moest natuurlijk mijn mobiel in de lucht houden, net als de rest. Triomfantelijk stak ik mijn telefoon omhoog. Er gebeurde niks.

Een meneer naast mij, die verdacht veel op de directeur van de toko, Wim Pijbes leek, zag mijn verwarring en suste dat ik geduld moest hebben. De schilderijen bevonden zich namelijk áchter die telefoonmuur. Opstelling, daar ging het om vandaag. Opstelling en geduld. “Maar ik kwam hier voor contemplatie!”   piepte ik. De man moest heel hard lachen en gierde dat als ik contemplatie wilde, ik zelf maar een Rembrandt moest kopen, dan kon ik contempleren tot ik een ons woog. En daarbij, er waren speciaal voor deze tentoonstelling tijdelijk avondopenstellingen gepland. Die kostten maar 35 euro, en dan kreeg je er ook nog een drankje en een strijkje bij. Dus moest ik niet zeuren.

Dat laatste moeten mensen niet tegen mij zeggen. Van dat zeuren. Daar houd ik niet zo van. En wat den fuk moet ik met een drankje en een strijkje bij een tentoonstelling van Rembrandt? Wat denken ze nou daar, dat ik zwierig door die zalen ga trekken, met mijn glas in mijn hand, onderwijl de meest onzinnige kunstfolderreuteltaal uitkramend, terwijl mijn hoofd in de rondte draait, als ware ik de exorcist, op zoek naar de juiste mensen om die shit aan te horen? Dat doet elke kunstdebiel met iets te groot brilmontuur al. Daar ben ik helegaar niet in geïnteresseerd, in die kermis. Ik wil gewoon, noem me een idioot, een zaaltje binnenlopen en naar een Rembrandt kijken. Voor dat schilderij staan en contempleren tot ik er bij neerval. Ik wil op mijn dooie gemak diep in de ogen van de geportretteerden kunnen kijken, en ervaren wat een geweldige psycholoog die Rembrandt was. En hoe tijdloos de koppen die hij schilderde. Het lichtend vuur dat van die doeken knalt op me in laten werken, door me heen laten gloeien, weetikveel, gewoon, erváren. Maar neen. Tegenwoordig is het genoeg om er geweest te zijn. Ook al zag je niets, of enkel 88 minirembrandtjes in kuttige minischermpjes.

Terug naar het Rijksmuseum. De man die op Wim Pijbes leek was weg. Ik liep een volgende zaal in, ergens moest toch een Rembrandt hangen? Het was er zo druk en zo verschrikkelijk warm dat mijn hoofd begon te gonzen. Snel maakte ik een waaier van een kunstfolder en voorkwam nog net dat ik ter aarde stortte. Waar was Wim als je hem nodig had? Toen zag ik een muur in brand staan, althans, dat leek zo. Boven de hoofden van de mensen schoten felle vlammen tegen de wand op. Ik raakte in paniek, hoe kwam ik weg hier, dat ging nooit lukken met al die mensen op een kluitje. Toen verschoof de telefoonmuur voor mij een beetje en zag ik plotseling een detail van De nachtelijke samenzwering van Claudius Civilis. Daar kwam dat vuur dus vandaan. Mijn adem stokte, godskrisis, wat een licht. Zoiets had ik nooit eerder gezien. Toen viel ik flauw.

Ik kwam bij in een vreemd bed. De man die op Wim Pijbes leek, boog zich joviaal lachend over me heen met een glas champagne. Naast hem stond een strijkje. Ik riep dat ik mijn geld terugwilde. En dat een museum voor iedereen was. En altijd toegankelijk moest zijn. Ook ’s avonds. Standaard. Net als in alle andere grote wereldsteden. En dat-ie dat strijkje ergens kon opbergen waar het heel donker was. Ergens vanuit een ver licht hoorde ik Rembrandt grinniken.

Meer leuke content? Like ons op Facebook