Zijn kinderen van religieuze ouders minder altruïstisch?

Een studie over de vrijgevigheid van religieuze kinderen doet nogal wat stof opwaaien – omwille van zijn eerder verrassende conclusie, maar ook omwille van enkele mogelijke eigenaardigheden in de methodologie.

Zelfs sommige ongelovigen zijn bezorgd over de teloorgang van religie in het Westen. De wereldgodsdiensten zijn namelijk meer dan een onuitputtelijke voorraad brandstof voor conflicten. Ze motiveren ook heel wat gelovigen tot schijnbaar belangeloze naastenliefde. Tenminste, dat wordt doorgaans verondersteld, op basis van religieuze geschriften en het lichtende voorbeeld van ondubbelzinnig religieus geïnspireerde weldoeners.

Maar mogen we daaruit afleiden dat religieuze mensen over het algemeen altruïstischer zijn – of, om het om te draaien, is de in erg gelovige regio’s vrij algemene argwaan tegenover ongelovigen wel terecht? Een interessante vraag, uiteraard, waarop elk antwoord gegarandeerd vonken zal geven. Toch waagt zich af en toe een wetenschapper in dit morele mijnenveld, zoals onlangs ontwikkelingspsycholoog Jean Decety (Universiteit van Chicago).

In Current Biology beschrijft die hoe hij samen met enkele collega’s kinderen in zes verschillende landen – behalve de VS ook Canada, Jordanië, Turkije, Zuid-Afrika en China – tien stickers liet kiezen. Vervolgens werd hen verteld dat er geen tijd was om alle kinderen van de klas stickers te laten kiezen, maar dat ze vrijwillig enkele van hun eigen stickers konden afstaan aan de andere kinderen door ze in afwezigheid van de onderzoeker in een briefomslag achter te laten.

Het aantal stickers in de envelop, redeneren de wetenschappers, geeft vervolgens aan hoe altruïstisch een kind ingesteld is. Een beetje onnozel, misschien, maar je weet wel zeker dat alle kinderen aan precies dezelfde situatie werden blootgesteld. En als een dergelijk experiment al onomstotelijke verschillen aantoont, dan zal dat in meer levensechte situaties vermoedelijk ook wel het geval zijn.

Vervolgens deden de wetenschappers een zogenaamde lineaire regressieanalyse, waarbij werd nagegaan in hoeverre het altruïsme van de kinderen evenredig af- dan wel toenam met de leeftijd van het kind, het opleidingsniveau van de moeder en de score van de ouders op verschillende tests die naar godsdienstigheid peilen. Daaruit bleek dat al deze aspecten een impact hadden op de vrijgevigheid van kinderen.

Dat verrast vermoedelijk niemand, maar het verband was anders dan je misschien zou verwachten. Kinderen van moslims en christenen bleken even altruïstisch, maar verrassend genoeg waren kinderen van minder of helemaal niet zo religieuze ouders vrijgeviger, ook als zoals hierboven uitgelegd de invloed van het opleidingsniveau van de moeder – een maat voor de sociaal-economische situatie – in rekening wordt gebracht.

Vervolgens werd ook getest in hoeverre kinderen dubbelzinnige afbeeldingen waarop een kind al dan niet met opzet geduwd werd als ‘gemeen’ beoordeelden en of ze vonden dat dergelijk gedrag bestraft moest worden. Hier staken de moslimkinderen er wel bovenuit: zij beoordeelden de situaties vaker als ‘gemeen’ en deelden dus ook vlotter straf uit.

Dat laatste is niet zo verbazend, misschien. Want uit eerder onderzoek was al gebleken dat ook christenen die strenger in de leer zijn, vaak minder tolerant staan tegenover voor wat zij als grensoverschrijdend gedrag beschouwen. En dat ze daarin ook minder nuance aan de dag leggen – gedrag is ofwel aanvaardbaar ofwel verkeerd, zonder veel ruimte voor interpretatie.

Een mogelijke verklaring voor het eerste, suggereren de onderzoekers, is het bekende psychologische fenomeen dat in het Engels ‘moral licensing‘ heet. Mensen die van zichzelf vinden dat ze er een voorbeeldig leven op nahouden – en die zijn uiteraard in de meerderheid – zijn mogelijk vooral vergevingsgezinder voor hun eigen morele misstappen.

Een andere verklaring zou kunnen zijn dat religieuze mensen zich vandaag vaak in conservatievere middens ophouden, en dat die zich politiek vaak eerder rechts situeren – denk maar aan de Amerikaanse Republikeinen. Vraag is natuurlijk of dat was wat de in Frankrijk geboren Decety hoopte te demonstreren, en hoe zorgvuldig hij daarbij te werk ging.

Enkele vooraanstaande collega’s die liever anoniem blijven tot ze de ruwe data gezien hebben, plaatsen namelijk vraagtekens bij de methode die Decety hanteerde. Over sommige daarvan – zoals de gehanteerde definitie van ‘godsdienstigheid’ – kan je eindeloos discussiëren, maar enkele andere lijken minder omstreden.

Zo werd in de lineaire regressieanalyse ook ‘land’ opgenomen als een variabele die mogelijk een invloed heeft op de bereidheid om te delen. De vermelding van een bepaalde statistische schatting (de gestandaardiseerde coëfficiënt β) in de resultaten suggereert dat ‘land’ daarbij als een continue variabele werd beschouwd, dus alsof de verschillende landen een bepaalde hoeveelheid ‘landigheid’ vertegenwoordigen, wat niet klopt en de resultaten mogelijk heeft vertekend.

De details van de analyse zijn in het artikel niet vermeld, en totdat ze bekend zijn, kunnen we niet oordelen over de deugdelijkheid van dze studie, oordelen de andere wetenschappers. Het wordt dus afwachten of deze kwestie de komende weken uitgeklaard raakt, en of de resultaten dan overeind zullen blijven.

Meer leuke content? Like ons op Facebook