Spring naar de content
bron: Hollandse Hoogte

De krankzinnige wereld van Murakami

De verschijning van Haruki Murakami’s nieuwe roman De moord op Commendatore wordt op het cruiseschip ss Rotterdam gevierd met een groots opgezet Murakami Weekend (13-14 januari). Tout artistiek Nederland is erbij. Zelden genereert een literair schrijver zoveel blinde adoratie. HP/De Tijd zocht naar het geheim van een mystieke woordkunstenaar.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: De Redactie

Waar de gemiddelde Japanse schrijver hooguit 100.000 boeken in het buitenland verkoopt, zag Haruki Murakami wereldwijd miljoenen exemplaren van zijn werk over de al dan niet digitale toonbank gaan. Saillant detail: je hebt óf alles, of nog nooit een letter van de magische Japanner gelezen – een middenweg lijkt er niet te zijn. “Zijn proza is verslavend,” luidt het antwoord wanneer je vraagt naar het geheim van zijn succes.

[blendlebutton]

Toch is Murakami geen briljant stilist in de traditie van John Updike, Philip Roth of Jonathan Franzen – we noemen deze literaire kanonnen omdat Murakami zich ook heeft onderscheiden als een bevlogen vertaler (Truman Capote, John Irving, Raymond Carver, F. Scott Fitzgerald) van Amerikaanse literatuur. In tegenstelling tot het werk van deze grootheden kenmerken de boeken van de Japanner zich vaak door expliciete beschrijvingen van saaie, alledaagse handelingen, veelvuldige herhalingen van wat de lezer allang weet en gebeurtenissen die zelfs in kinderboeken nog té ongeloofwaardig zouden zijn. Waar komt die onontkoombare verslaving dan toch vandaan?

Voor een antwoord kunnen we het beste eerst Murakami zelf aan het woord laten. Bijvoorbeeld door te kijken naar de openingsalinea van Hard-boiled wonderland en het einde van de wereld, volgens velen een van zijn meest geslaagde romans:

De lift vervolgde zijn onmogelijk langzame stijging. Dat wil zeggen: ik stelde mij voor dat het een stijging was. Je kon het niet met zekerheid zeggen: hij ging zo langzaam dat je richtingsgevoel gewoon verdween. Voor hetzelfde geld ging hij gewoon naar beneden, of misschien bewoog hij wel helemaal niet. Maar laten we aannemen dat hij omhoogging. Het is maar een gok. Misschien was ik twaalf verdiepingen omhooggegaan en daarna weer drie naar beneden. Misschien had ik een rondje om de aarde gemaakt. Hoe kon ik dat nou weten?

We lezen deze alinea voor aan Ype de Boer, een filosoof die de raakvlakken van filosofie met literatuur, kunst en geschiedenis onderzoekt en van wie zojuist het boek Murakami en het gespleten leven is verschenen. De Boer beaamt dat het van lef getuigt om een roman te beginnen met een tekst die allesbehalve spannend is, of uitnodigt tot verder lezen. “Maar het leuke van dit fragment is dat er meteen een belangrijk thema van zijn werk in zit – misschien wel het belangrijkste – én dat het ook de onverstoorbare nuchterheid van zijn personages laat zien.

“Het thema is het spel van wél weten en níet weten. Heen en weer schieten tussen weten dat je ergens naartoe gaat, maar niet precies weten waarnaartoe en ook niet weten hoe dat proces zich voltrekt. Er wordt bewogen, hij gaat een kant op, maar het is niet duidelijk waarheen en door wat hij bewogen wordt. De grap van zijn personages is dat zij daar in eerste instantie heel nuchter op reageren, dat zij een en ander heel luchtig beschrijven. Zo van: ‘Hoe kon ik dat nou weten?’ Er vindt al snel acceptatie plaats van die desoriëntatie, ook al is de oorzaak niet logisch of verklaarbaar.”

Wie Murkami leest, accepteert dat katten kunnen praten of dat Johnny Walker, precies zoals hij op de whiskyflessen staat afgebeeld, als personage een verhaal binnen wandelt. Superkikkers die het over Dostojevski hebben? Geen probleem! In zijn nieuwe, tweedelige roman De moord op Commendatore stapt een man uit een schilderij en loopt als een kaboutertje van zestig centimeter rond in het atelier van de hoofdpersoon, iets wat die hoofdpersoon natúúrlijk weer snel als volkomen normaal accepteert.

Die nuchtere manier waarop de Murakami-protagonisten reageren op de meest krankzinnige gebeurtenissen is iets wat Auke Hulst fascineert. Hulst, de schrijver/journalist/muzikant die de Japanner als een van de weinigen – Murakami schuwt iedere vorm van publiciteit – mocht interviewen, kocht zijn eerste Murakami puur op de titel van het boek (De opwindvogelkronieken), de afbeelding op de cover en die ietwat magische auteursnaam. “Terwijl ik las, werd mijn wereld op zijn kop gezet, helemaal binnenstebuiten getrokken. Een explosie. Ik las toen al veel, schreef ook en dacht: zó kan het dus ook! Murakami schrijft vaak kabbelend, bijna saai, over alledaagse dingen en dan gebeuren er terloops krankzinnige dingen die worden beschreven alsof ze niet krankzinnig zijn. In mijn interview met hem viel de term ‘magisch realisme’, een kwalificatie die weleens wordt gebruikt om zijn werk te typeren. Bij het horen van die term werd hij bijna boos. ‘Het is geen magisch realisme,’ zei hij. ‘Op het moment dat ik het aan het schrijven ben, is het echt.’ Voor hem is het geen truc. Hij distantieert zich van het idee dat zijn werk iets gekunstelds heeft. Dat verklaart waarom alles zo terloops en vanzelfsprekend gebeurt.”

Hulst is daarna bijna alles van Murakami gaan lezen en ging ook over hem schrijven. “Ik ben toen gaan nadenken over de vraag: waarom haakt zijn werk nu zo bij mij aan? En waarom ook bij veel andere mensen? Dat zit ’m volgens mij hierin. Hij is een on-Japanse schrijver – dat wordt hem door de Japanse literaire critici ook verweten – die vaak schrijft over niet-ambitieuze, stuurloze, alleenwonende mannen die of niet werken of een freelance-achtig bestaan hebben. Binnen de Japanse context is dat atypisch: die geïsoleerde, onthechte moderne mens is heel on-Japans. In Europa was dat natuurlijk al veel meer aan de hand: de rusteloze, vaak doelloze, existentieel eenzame man die soms op freelancebasis net genoeg oninteressant werk doet om in leven te blijven. Ik denk dat wij dat heel erg herkennen. En die leventjes worden dan ook nog eens door al die rare gebeurtenissen ondermijnd, wat het gevoel van onthechting alleen nog maar versterkt.”

In de wereld van Haruki Murakami is niets logisch of verklaarbaar, zelfs het begin van zijn schrijverschap niet. Het begon allemaal met een tweehonkslag van Dave Hilton op een zonnige aprildag in 1978. Pardon? Inderdaad, niet logisch, maar laat u even meevoeren naar die opmerkelijke dag. Murakami zit met een ijskoud biertje in het gras van het Jingu Stadium in Tokio. De Yakult Swallows spelen tegen de Hiroshima Carps en de droge knal waarmee de bal in het linksveld wordt geslagen, genereert in het hoofd van Murakami een openbaring, of sterker nog, een epifanie van bijna religieuze aard. Terwijl de klap nog in zijn hoofd na-echoot en het applaus uit de massa opstijgt, weet hij het ineens: ik denk dat ik een roman kan schrijven.

Op weg naar huis koopt hij schrijfpapier en een vulpen en sinds die dag gaat hij na afloop van het werk in zijn jazzbar aan de keukentafel zitten om zijn debuutroman Luister naar de wind te schrijven. In 1979, een jaar na de magische klap, wint het boek de eerste prijs van de wedstrijd die werd uitgeschreven door het prestigieuze literaire tijdschrift Gunzo. Het winnen van die prijs werd door hem ook voorvoeld. Op de dag dat hij een gewonde postduif naar het politiebureau bracht en de warmte van het rillende beest in zijn handen voelde, wist hij het: ik ga die prijs winnen en een succesvol romanschrijver worden.

Weten en niet weten: niet alleen voor zijn personages, maar ook voor Murakami zelf is dat een belangrijk gegeven. De auteur vertelde ooit dat hij schrijft zoals hij leest. “Als lezer weet ik niet wat er op de volgende bladzijde zal staan. En als schrijver weet ik dat ook niet.”

Nadenkend over dit statement neemt Ype de Boer ons mee terug naar de lift uit Hard-boiled wonderland. “In die lift zitten geen knopjes waarmee je hem kunt besturen of een display waarop je kunt zien op welke verdieping je bent. Het gaat in zijn verhalen over de controle die jij hebt over het leven en de controle die het leven over jou heeft. Je hebt twee krachten die elkaar beurtelings tegenwerken of vitaliseren. Enerzijds heb je de behoefte om grip te krijgen op het leven, controle te hebben over wie je bent en wat er gebeurt; anderzijds de behoefte om de controle over de gebeurtenissen juist los te laten. Er wordt vaak gesproken over ‘je overgeven aan de stroom’. Kennelijk begrijpt Murakami zijn eigen schrijfproces als iets wat híj enerzijds zelf doet, hij fabriceert die verhalen en hij ontwikkelt ze. Maar tegelijkertijd moet hij, om dat te kunnen doen, zich anderzijds overgeven aan iets in hem dat – buiten zijn bewuste planning om – zijn verbeeldingsvermogen aanstuurt. In die zin weet ook hij niet waar hij naartoe gaat. Hij geeft zich over aan een creatief proces dat vrij weinig met zijn bewuste vermogens te maken lijkt te hebben.”

Terug naar het Jingu Stadium in Tokio. Na die tweehonkslag heeft zich een wonder voltrokken dat na bijna veertig jaar griezelige dimensies heeft gekregen. Wie één boek van Murakami heeft gelezen, wil álles lezen. Tim Krabbé, een Nederlandse Murakami-apostel van het eerste uur, voelt er helaas niet voor om zijn bijna obsessieve bewondering voor de Japanse auteur nogmaals in het openbaar te belijden. Een gemis waar Murakami zelf wel een oplossing voor zou hebben, die meteen een beeld schetst van de gespleten werkelijkheid die in bijna al zijn boeken voorkomt.

In zijn roman After Dark wordt een deel van het verhaal verteld door iemand die achter een monitor lijkt te zitten waarop beelden van een beveiligingscamera te zien zijn. De bewegende, in- en uitzoomende camera laat beelden zien van een sober ingerichte kamer, waarin een meisje op een bed ligt te slapen. In die kamer staat ook een tv-toestel, waarvan de stekker niet in het stopcontact zit. Toch verschijnen er ineens beelden op het scherm van weer een andere kamer, een ruimte die, op een man in een stoel na, helemaal leeg is. Wanneer de man achter de monitor een paar uur later ziet dat het slapende meisje met bed en al ineens in de kamer van de man in de stoel ligt, beseft hij dat het televisiescherm een doorgang is die het mogelijk maakt om van de ene naar de andere werkelijkheid te gaan. Hij besluit – naar zichzelf verwijzend in de eerste persoon meervoud ‘wij’ – om zichzelf te transporteren naar de andere kant van het scherm. Hoe hij dat doet, drukken we hier integraal af. Want dát verlangt Murakami van de lezer. Dát moet je willen kunnen om in zijn wereld af te kunnen dalen.  

“Het enige wat we moeten doen,” zegt de man achter de monitor, “is ons ontdoen van het vlees, iedere vorm van substantie achterlaten en onszelf toestaan om een conceptueel point of view zonder massa te worden. Als we dat hebben bereikt kunnen we door iedere muur heen, over iedere afgrond springen.” En zo gebeurt het: de wereld scheurt, stort in en is tijdelijk verdwenen. “En dan wordt de wereld gereconstrueerd. We worden weer omgeven door substantie. En dit alles duurt maar een oogopslag.”

Tim Krabbé, die we via een YouTube-scherm onze werkelijkheid hebben binnengeloodst – we weten nu hoe dat moet –, vertelt bevlogen over zijn eerste ontmoeting met Murakami’s werk: De jacht op het verloren schaap, een roman die hem zo fascineerde dat hij daarna alles van hem heeft gelezen. Toen hij daarmee klaar was, ging hij meteen het hele oeuvre herlezen. Zijn typering van Murakami’s werk – ‘David Lynch die Woody Allen navertelt’ – drukken we hier ook weer af.

Het laatste woord is aan Ype de Boer, de filosoof die alle boeken van Murakami ook twee of drie keer heeft gelezen. In de titel van zijn eigen boek koppelt hij de naam van Murakami aan de kwalificatie ‘het gespleten leven’. Wat is het punt dat hij, als filosoof, met betrekking tot het werk van Haruki Murakami beoogt te maken? “Het uitgangspunt van mijn boek is dat je in al die verhalen een vorm van gespletenheid tegenkomt. De personages raken ofwel innerlijk gespleten – dan komen ze, zoals in Hard-boiled wonderland,tegenover hun schaduw te staan, of krijgen ze, zoals in Kafka op het strand, te maken met een alter ego – óf de wereld om hen heen wordt gespleten. Zij leven dan afwisselend in een droomwereld, waarvan zij de aard en de spelregels niet goed kennen, en de gewone alledaagse wereld. Soms hebben we zelfs te maken met én een innerlijke splitsing én een splitsing van de wereld. Die gespletenheid gaan ze ervaren wanneer de cocon van het alledaagse leven wordt opengebroken. Dan ontstaat er een splijting tussen enerzijds het leven waar ze overzicht over hadden en de identiteit die ze dachten te hebben, en anderzijds een nieuw onontgonnen gebied waartoe zij zich ook moeten verhouden.”

De weerzin van de mannelijke hoofdpersonen tegen het verlaten van hun overzichtelijke, alledaagse leventje kun je ook in hun liefdesleven zien. Het liefst hebben zij een puur lichamelijke affaire met een oudere vrouw. Tengo uit 1Q84 verwoordt zijn voorkeur zo:

Vrouwen van dezelfde leeftijd ontmoeten, verliefd worden, een seksuele relatie aangaan, met alle onvermijdelijke verantwoordelijkheden van dien – dat was niets voor hem. De psychologische stappen die je moest zetten, de subtiele suggesties over wat mogelijk was en wat niet, de bijna onvermijdelijke botsing tussen haar verwachtingen en de jouwe... Het was allemaal zo lastig, en als het even kon wilde hij die ballast niet.

Dan roemt hij de voordelen van een affaire met een oudere, getrouwde vrouw: “Wat er van hem verlangd werd, waren slechts twee dingen: zijn penis alvast stijf maken en zich niet vergissen in de timing van zijn ejaculatie.”

Ype de Boer noemt die oudere, getrouwde vrouw ‘de grensfiguur van de geïdealiseerde alledaagsheid die de protagonisten hardnekkig in stand proberen te houden’. Verliefd worden op een meisje en met haar – avontuur, onvoorspelbaarheid! – een leven opbouwen, zou leiden tot een gespletenheid ten opzichte van de oude identiteit van voor de liefde. De Boer: “De conclusie van mijn boek is dat Murakami’s hoofdpersonen leren om die gespletenheid niet ongedaan te maken, om vervolgens weer een stabiel, georganiseerd en overzichtelijk leven te gaan leiden. Ze leren omgaan – en dan gaan we weer even terug naar het begin van ons gesprek – met die situatie in de lift. Met het wél weten en het níet weten. Ze leren dat zowel het alledaagse als het avontuurlijke een intrinsiek deel van het leven zijn. Wanneer je dat negeert door alleen te kiezen voor het bekende, dan wacht je verstarring en leegte en worden liefde, vrijheid, lotservaring en al die zaken meer heel moeilijk, zo niet onmogelijk.”

En wat hebben wij, 21ste-eeuwers die gewoon onze dagelijkse dingen doen, aan die conclusie? De Boer: “Die conclusie is natuurlijk een lezing van het werk van Murakami. In het boek probeer ik ook te laten zien dat die verstarring, leegte en vervreemding ons moderne westerlingen eveneens aangaan, en hoe wij, lerende van Murakami’s verhalen en de ontwikkeling van zijn personages, meer oog kunnen krijgen voor de eigen gespletenheid en hoe wij daar vruchtbaar mee zouden kunnen omgaan. Dat is als het ware de extra belofte van mijn boek.”

[/blendlebutton]

Onderwerpen