Op bezoek bij Joop Braakhekke in Le Garage: ‘Discretie is ons sleutelwoord’

Joop Braakhekke is vandaag op 75-jarige leeftijd overleden. De flamboyante kok maakte furore op nationale televisie maar was in Amsterdam vooral bekend als gastheer van de Hollandse beau monde in zijn restaurant Le Garage. In 2014 bezocht onze schrijvende kok Tom Kellerhuis hem daar. Braakhekke sprak bevlogen over het begin van Le Garage, zijn beroepsethiek en deed een discreet boekje open.

Als er één restaurant in Nederland is waar ze weten om te gaan met de privacy van beroemde en minder beroemde gasten, dan is het wel Le Garage in Amsterdam. Het restaurant van de flamboyante televisiekok Joop Braakhekke en zijn partner Wim Nijkamp is al ruim twintig jaar hét adres voor bekende Nederlanders en wereldsterren die ons landje aandoen. Onlangs droegen Braakhekke en Nijkamp een deel van hun aandelen over aan hun trouwe maître van het eerste uur, Erwin Walthaus, maar echt loslaten kunnen ze de zaak niet.

Het is maandagavond om een uur of zes. Rush hour in Le Garage. De maandag is van oudsher de drukste avond in het restaurant. Dat is al decennia zo, en dat weten de gasten. Het is hier zien en gezien worden. Je komt hier avondvullend eten, drinken en genieten. Jongemannen in rode overalls van de valetparking zetten tegen betaling de soms peperdure auto’s weg: Bentleys, Porches en Maserati’s rijden af en aan, want het is doorgaans lastig parkeren in de Ruysdaelstraat.

Maar zo ver is het nog niet. De enige gast die tot nu toe naar binnen liep, herkennen we als de voormalige tweesterrenchef Constant Vonk, onlangs nog te bewonderen in De Wereld Draait Door, waar hij samen met Robert Kranenborg een klassieke Beef Wellington maakte. Hij komt alleen wat ophalen en is zo weer vertrokken. Een van zijn desserts staat op de kaart in Le Garage.

“Meneer Kellerhuis, u hier, wat een aan­gename verrassing.” Uit de verte klinkt de stem van Joop Braakhekke. “Heb je een afspraak met Erwin? Erwin is altijd te laat.” En dan tegen de bediening: “Jongens, een van die lampjes boven de bar is stuk, maak dat eens even. Ja, het is hier allemaal op een goedkoopje gedaan.” Dan wendt hij zich weer tot de verslagge­ver. “Heb je al wat te drinken?” Tegen het personeel: “Maak voor mij eens even mijn favoriete gin-tonic.”

De verslaggever legt uit dat hij een verhaal komt maken over omgaan met beroemde gasten. “Nou, dan ben je hier aan het goe­de adres. Jongens, hoe heet die serie ook al weer met Fran Drescher? The Nanny, ja. Inderdaad. Ik kijk natuurlijk nooit televisie. Nou, zij kwam hier eten. Een heel kordon eromheen, dit kon niet en dat kon niet. Uiteindelijk komt ze zelf – het was zomer – ze heeft buiten op de stoep gegeten, totally niets aan de hand. Fotootje, ook geen probleem. Joan Collins was hier ook een keer. We wisten dat je haar geen hand moest geven, dat kost je vijftienduizend euro. Dat was van te voren gezegd: geef haar absoluut geen hand. Ze heeft natuur­lijk gewoon smetvrees.

Het leuke van ons vak is dat we wel met die mensen móeten praten, want we moeten vragen wat ze willen eten. Wie hier allemaal geweest zijn… Om er maar een paar te noemen: Sting, hoe heet dat kleine boksertje ook al weer, Sylvester Stallone, Barbra Streisand, Lionel Richie, noem maar op. Eigenlijk is het altijd leuk. De enige die niet leuk was, was Goldie Hawn. Ze was net binnen – ze zat aan tafel vijf – of er komt een paparrazzi aanzetten die had gehoord dat ze hier was. Ik zei: ‘Nee, we gaan geen foto’s maken.’ Dat heb ik hier nooit toegestaan, dus deze keer ook niet. Maar die fotograaf kende toevallig haar bodyguard en maakt een praatje met hem.

Even later staat die bodyguard met Goldie Hawn, op weg naar de wc, te praten. Eind goed al goed: ze geef permissie voor een foto. Intussen had ze de rekening gevraagd. Die lag op tafel toen ze weer ging zitten na de fotosessie. ‘Goddamn,’ riep ze, ‘een rekening van 150 euro? Terwijl ik een foto heb laten maken?’ Ze rekende boos af en vertrok onmiddellijk. Toen ik heb meteen een taxi gebeld, de chauffeur een envelop met die 150 euro meegegeven en gezegd: het kan me niet schelen hoe je er komt, al ga je tegen het verkeer in, maar race naar l’Europe en zorg dat deze envelop in haar sleutelvak ligt nog voor zij er is. Want ze moet weten dat ik zulk gedrag niet duld. Dan betaal ik nog liever haar rekening uit eigen zak! Ik heb er nooit een reactie op gekregen, en ze komt ook nooit meer hier, terwijl ik weet dat ze vaak in Nederland is, omdat haar kinderen in Groningen studeren.”

Is Braakhekke weleens in verlegenheid gebracht door gasten die met hun maîtresse binnenkwamen? “Ik doe net of ik het niet weet. Vaak weet ik het ook echt niet. Heel soms weet ik het wel, en dan voel ik me altijd een beetje beschaamd.” Het loopt inmiddels tegen half zeven. Daar komt eindelijk Erwin Walthaus aan. “Excuses voor het ongemak, ik stond in een enorme file.” De koks van Le Garage leggen de laatste hand aan de mise en place, gastheren en -dames dekken de laatste tafels in. De meeste gasten borre­len eerst even aan de ruime bar, waar bij wijze van amuse mooi gesneden crudités en wat charcuterie staan. De tafel direct na de bar is elke maandag gereserveerd voor de Herenclub, een bont gezelschap van kunstenaars, schrijvers, politici en aanverwante geesten. Vanavond schuife­len Cees Nooteboom, Jeroen Henneman, Rudy Fuchs en Marcel van Dam naar binnen. De heren komen hier vanaf dag één; inmiddels zijn er al een paar leden van de club overleden, onder wie Harry Mulisch en Gerrit Komrij. Dat die laatste op sterven lag, vernam ik vorige zomer – als een van de eersten – in Le Garage. “En dat terwijl discretie ons sleutelwoord is.” zegt Walthaus. “Ik vind het heel belangrijk om onze gasten niet het gevoel te geven dat ze bekend zijn. Ze krijgen wel alle egards, maar ik maak geen spagaat voor ze.”

In Le Garage komen grofweg twee soorten gasten: de ene soort wil zich hier laten zien, de andere soort komt hier omdat het een restaurant is met een leuke ambiance. “Iedereen kan hier zichzelf zijn, zonder het gevoel te hebben dat hij wordt bekeken of lastiggevallen. Laatst was Sjaak Swart hier met Ronald Koeman. Toen ze naar buiten liepen, zei iemand: wij hebben een heel rare familie, de een is voor Feijenoord, de ander voor Ajax. Mogen we even met ze op de foto? Dat vonden ze geen enkel probleem.”

De lijst van BN’ers die het restaurant frequenteert is schier oneindig. Iedereen opnoemen is ondoenlijk, maar om een indruk te geven een paar namen en cate­gorieën. Voetballers en voetbalvrouwen: Johan Cruijf, Marco van Basten, Guus Hiddink, Estelle Gullit, Sylvie van der Vaart. (Ex-)advocaten: Theo Hiddema en Bram Moszkowicz. Schrijvers en kunstenaars: Jan Cremer en uiteraard de Herenclub. Zo’n beetje elke soapster en jetsetter van Nederland. Overige loslopende habitués: modekoning Frans Molenaar, komiek André van Duin, politicus Hans Wiegel, zanger Gerard Joling, visagist Leco van Zadelhoff, sterrenkok Robert Kranenborg, ondergoedkoningin Marlies Dekkers, gos­sip queen en ontwerpster Judith Osborn. Regelmatig ook worden de tafels door de pers zelf gereserveerd; laatst nog weer een lange tafel met persmuskieten van De Telegraaf, onder wie Willem Kool van de societyrubriek het Stan Huygens Journaal. Walthaus: “Uiteindelijk is iedereen hier wel een keer geweest. Het is een gewoonte geworden. En zonder arrogant te willen klinken: we hebben een internationale uit­straling. Pas nog was bijvoorbeeld Oliviero Toscani hier, de beroemde fotograaf van Benetton.”

Die internationale uitstraling komt voor een deel door het theatrale interieur: rood, veel pluche. lichtjes en, ironisch genoeg, overal spiegelwanden. Dat maakt dat je niet alleen iedereen kunt zien, maar dat je ook voelt dat er naar je wordt gekeken. De linkerkant is voorbestemd voor de beken­dere gasten, het rechterdeel voor wie wat anoniemer wil zitten. Slim bedacht door Joop Braakhekke in samenspraak met de architect Cees Dam, verantwoordelijk voor de inrichting en eveneens een frequente gast.

Braakhekke was een van de eerste res­taurateurs in Nederland die zich toelegde op het ontvangen voor de beau monde. Dat begon al in de jaren tachtig, toen hij directeur was van de Kersentuin, het toenmalige toprestaurant het Bilderberg Garden Hotel in Amsterdam-Zuid. Walthaus kent Braakhekke uit die tijd, toen hij zelf als jonge bediende in de Kersentuin werkte. “Ik moest een keer haring aan tafel uitserveren aan prins Bernhard, die er lunchte met de wereldberoemde Ameri­kaanse dirigent Leonard Bernstein en Jaap van Zweden. Die avond bracht ik room­service naar Bernsteins kamer. Ik wist dat Bernstein getrouwd was, maar er lag wel een beeldige jongeman op het bed in zijn kamer.”

Gastheren, -vrouwen en kamermeisjes: ze moeten een flink slot op hun mond hebben, want ze zien en horen doorgaans meer dan het daglicht kan verdragen. Maar hoe ga je om met de soms pijnlijke situaties waarin je raakt verzeilt? Walthaus: “Ik ga zijn naam niet noemen, maar er was een bekende Nederlander die hier regel­matig kwam met zijn vrouw. Hij komt nog steeds af en toe. Op zeker moment kwam hij met een vriendinnetje binnen. Toen heb ik tegen hem gezegd: als je van mij bepaalde discretie verwacht, dan moet je met je vriendinnetje een ander restaurant zoeken. Want ik ontvang je vrouw ook. En je moet mij geen partner in crime maken, daar hou ik niet van.”

Tegen achten loopt Le Garage tegen achten goed vol, met bekende en minder bekende gasten. Bijvoorbeeld Karel Bagijn, de oud-verslaggever van het AD en Het Parool, met zijn jongere vrouw. Achter hem een gast met een fles Margaux 2008 onder zijn arm. Alsof het niets kost: zo’n flesje doet op de veiling meer dan duizend euro. “Niet het beste jaar,” zegt de casual geklede heer van wie de fles is. Maar hij gaat, eenmaal aan tafel, wel open. Naast de vele BN’ers komt ook well-to-do Amster­dam hier regelmatig. Schatrijke vastgoed­jongens, textielhandelaren maar ook min­der gefortuneerden en minder bekende artiesten en acteurs. Die dan ook niet altijd worden herkend. “Alles moet hier kunnen,” zegt Walthaus, “maar wel binnen een be­paalde grens. Van een celebrity accepteer je wat meer, zolang het je andere gasten niet stoort. Ik dacht eens: wat zijn dat voor een stelletje zigeuners aan tafel vier? Die lui begonnen met lepels tegen glazen te slaan en te zingen. Muzikaal top! Binnen tien minuten stond de hele zaak op zijn kop. Bleken het de echte Gypsy Kings te zijn. Oliver Stone kwam een keer binnen met Woody Harrelson en Juliette Lewis naar aanleiding van de Amsterdamse pre­mière van Natural Born Killers. Harrelson had een gigantische joint in zijn hand en Stone keek met zijn linkeroog in zijn rech­terbroekzak, zoveel drank had hij kennelijk al op. Maar ja, dat moet allemaal kunnen.”

Het meest memorabele moment, volgens Walthaus? Zonder enige aarzeling zegt hij: “Dat was met Rijk de Gooyer en de toen­malige kroonprins, onze huidige koning. In de begintijd van Le Garage, nu zo’n twintig jaar geleden. Het was heel druk en hectisch in de zaak. Rijk ging achter de piano zitten. Behoorlijk bezopen, dus iedereen hield zijn hart vast en dacht: o mijn God, daar gaan we. Maar Rijk maakte er een act van, zoals alleen hij dat kon. En uiteindelijk hing de kroonprins om zijn nek. Het werd een geweldige avond.” De leden van het koningshuis komen overigens nooit meer, daarvoor geeft een bezoek aan Le Garage toch te veel expo­sure. En sommige gasten willen ook niet komen als ze weten dat er bepaalde andere stamgasten zijn. “Er zijn er die ik dan moet waarschuwen. ‘Aardig dat je belt,’ zeggen ze dan, ‘dan kom ik even níet vandaag,’” aldus Walthaus.

Fotograferen mag eigenlijk niet in Le Garage, veel gasten nemen er aanstoot aan, maar voor dit verhaal wordt een uitzondering gemaakt. De fotograaf mag aan de slag als de gasten niet herkenbaar in beeld komen. Hoe doen paparazzi dat dan? “Vroeger was het moeilijk, dan moest je echt een camera hebben, dus dat was makkelijk te ontdekken. Die dingen van nu zijn zo klein dat het bijna niet meer te controleren valt. Ik heb een keer meege­maakt dat Julio Iglesias hier was met een Nederlandse dame. Hij nam zijn eigen wijn mee, een kistje Romanée-Conti, zo’n beetje de duurste wijn ter wereld. Toen is er stiekem een foto gemaakt door een gast achter een commode. Die foto is verkocht aan Privé.”

Hoe gekker je doet, hoe sneller dat naar buiten komt. “Als Daan Schuurmans in zijn onderbroek door de zaak zou rennen, dan weet iedereen dat via alle social media na­tuurlijk in no time.” Het zal de echte ster­ren de afgelopen digitale jaren een stuk voorzichtiger hebben gemaakt, want voor je het weet heb je een miljoen likes op Facebook met je onbesuisde actie. Minder bekende gasten hebben niet zo te lijden onder dat fenomeen, al kunnen die het de bedrijfsleiding weer flink lastig maken. Walthaus weet er alles van. “Ik noem we­derom geen naam. Maar een half-bekende gast komt half beschonken binnen met in z’n kielzog een paar vriendjes en een stel meiden. Hij gaat aan tafel zitten. Ik denk nog: zou je dat nou wel doen, maar wie ben ik. Hij begint aan een van die meiden te friemelen. Vervolgens gaat hij hier in de zaak bij haar op schoot liggen. Volle bak. Ik loop naar buiten en rook een sigaret; ik rookte in die tijd nog. En wie komt daar aangelopen? Zijn vrouw. ‘God,’ zegt ze, ‘heb je mijn man gezien?’ Maar wat moet je zeggen? Vraagt ze: ‘Zit hij soms bin­nen?’ Mijn aarzeling gaf al aan: ‘Ja, hij zit binnen.’ Ze stapt het restaurant in en ziet hem liggen, op schoot bij die meid. Hij kijkt dronken op vanaf die schoot, recht in het gezicht van zijn eigen vrouw. Hilarisch gewoon. Er ontspon zich gelukkig geen scène, ze zijn gewoon samen naar huis gegaan, maar het was wederom legenda­risch.”

Zulke gevalletjes kunnen ook minder prettig eindigen. “Daarom pleit ik er in het kader van de ethiek voor dat de gasten bepaalde normen in acht nemen. Bijvoor­beeld dat iemand die een afspraak heeft met een ander dan zijn partner, dat hij dat dan niet doet in het restaurant waar hij ook met die partner komt. Wat ik nooit zal doen is het volgende: als een gast de ene dag met een blonde vriendin binnenkomt en twee dagen later met een vriendin met bruin haar, is zeggen: God, alweer een nieuwe vriendin bij je? Nee, dat zeg je dus niet.”

Het pleasen van de gast, tot op zekere hoogte het spel meespelen, verder kun je niet gaan, volgens Walthaus. “Nogmaals, je moet er te allen tijde voor waken dat je een partner in crime wordt. Ik word regelmatig mee gevraagd naar een club, of bij mensen thuis, maar dat doe ik niet. De mensen vragen mij namelijk niet om wie ik ben, maar om wat ik vertegenwoordig. Ga gewoon weg, ik hou mijn bek wel. Mijn beroepsethiek is: wat hier gebeurt, blijft hier en binnenshuis. Maar het voordeel van ons bedrijf is dat we zo in de picture staan, dat wie echt discreet wil zitten niet naar hier komt.”

Het loopt reeds tegen elven. Nog steeds is er een gezellige drukte en geroezemoes in de zaak. Gastheren en -vrouwen lopen nog druk te serveren. De eerste gasten verlaten het restaurant alweer, maar af en toe druppelen er nieuwe binnen. Ook de drank vloeit rijkelijk. En als de drank in de man is, gebeuren er – zoals overal – wel­eens onverkwikkelijke zaken.

Walthaus: “Ik heb het eens gehad met een bekende gast die in de hoek pontificaal met een jonge meid begon te tongzoenen: ja, dat kan hier gewoon niet. Zelf heb ik er maar als het half liggen op de banken wordt, dan nemen mijn andere gasten er aanstoot aan. Toen heb ik tegen deze eigenaar van een groot vastgoedbedrijf gezegd: wil je daarmee ophouden, want mijn andere gasten vinden het niet prettig. Pissig zei die man: ‘De rekening en ik ga.’ Maar hij moest hij eerst langs meneer Braakhekke, die bij de bar zat. ‘Ik kom hier nooit meer,’ zei hij boos tegen Joop. Waarop Joop de legendarische woorden sprak: ‘Maar het is hier toch geen Yab Yum?’”