Spring naar de content
bron: Paul Tolenaar

Alles voor het perfecte shot

Ze riskeerden hun leven om wereldwijd oorlogen en andere gruwelijkheden vast te leggen, en maakten – dichter bij huis – sprekende portretten van bijvoorbeeld koningin Beatrix. Topfotografen Raymond Rutting, Sacha de Boer en Vincent Mentzel bieden een kijkje achter de schermen. “Ik ben weleens met een pistool tegen mijn hoofd in de auto gesodemieterd.”

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: De Redactie

Kunnen jullie je de eerste keer herinneren dat jullie door de lens keken?
Sacha de Boer: “Dat was in 1974, in Artis. Ik was zeven.”

En wat zag je?
“Ik zag dat ik de tijd kon stilzetten. En dat ik zelf kleine plaatjes kon verzamelen. Ik zag de leeuw met mijn eigen ogen op een heel andere manier dan in zo’n klein schilderijtje door mijn Agfa Clack-camera. En ik vond het fascinerend dat ik die beelden van Artis nog steeds had als ik thuiskwam. Sterker nog, die momenten kon ik voor altijd bij me houden. Dat vond ik magisch.”
Vincent Mentzel: “Ik denk dat ik een jaar of tien was toen ik voor het eerst door de lens keek. Het was in Frankrijk. De foto die ik meteen voor ogen heb als ik eraan denk, maakte ik bij de Arc de Triomphe. Daar stond een fotomodel voor een foto- shoot. Het was heel zonnig en zij had een bontjas aan. Ik maakte een foto, ik was een jongetje van niks, en die vrouw keek heel boos naar mij. Ik heb die foto nog steeds.”
Raymond Rutting: “Ik was een jaar of twaalf en herstellende van een auto-ongeluk.”
De Boer: “Je moet ook niet rijden als je twaalf bent.”

[blendlebutton]

Rutting: “Ik was op de fiets geschept door een auto. We gingen op vakantie naar Texel, en ik kon nog niet zo goed lopen, dus mijn ouders dachten: we moeten hem iets geven om mee te spelen. Toen kreeg ik een polaroidcamera. Dat vond ik zo geweldig. Je drukte op een knopje, even wapperen en je had een foto. Dat was een hele openbaring. Ik heb daar echt voor een vermogen aan polaroidfoto’s gemaakt. Maar pas toen ik van het atheneum naar de mavo was gekelderd en ik mijn huidige vrouw leerde kennen, wier vader fotograaf was, ben ik er serieus werk van gaan ma- ken. Ik zag hem iedere avond thuiskomen met een fototas vol Leica’s. Zelf had ik toen net een documentaire over Vietnam- fotografen gezien. Ik vond het een enorm spannend idee dat je met zo’n fototoestel de publieke opinie kon beïnvloeden. Uiteindelijk kom je er wel achter dat het aan de buitenkant altijd mooier is dan aan de binnenkant. Ik kan wel zeggen dat mijn werk als fotograaf heel bepalend is geweest voor mijn karaktervorming.”

In wat voor zin?
Rutting: “Je krijgt meer oog voor andere mensen. Het klinkt misschien wat overdreven, maar ik heb me op een bepaald moment echt ten doel gesteld om iets goeds te doen voor anderen. Ik wilde iets terugdoen voor alle mensen die ik voor mijn lens had gehad en die daarna doodgingen, terwijl ik door die foto een gevierde fotograaf werd en allerlei prijzen kreeg. Dus toen ik in 2005 tot mijn verbazing een heel hoge koninklijke onderscheiding kreeg, dacht ik: dit is het moment om mijn droom te verwezenlijken. Want dan gaan er toch wat meer deuren open. Toen ben ik mijn exposities gaan veilen voor het goede doel.”

Waardoor is het zo karakterbepalend?
Rutting: “Je hebt te maken met mensen die voor je neus doodgaan. En je komt in situaties terecht die voor jezelf ook levensgevaarlijk zijn. Daardoor ga je heel anders over het leven en jezelf denken. Wat mijn opdrachtgevers ook vroegen, ik ging. Ik wist wel dat het gevaarlijk was, maar toch deed ik het. Het hoorde bij mijn werk, vond ik. Pas als je wat ouder bent, kom je tot de conclusie dat je ook goede dingen kunt doen als je een beetje voorzichtig bent en andere keuzes maakt. Dat inzicht kwam ongeveer zes jaar geleden. Op het Tahrirplein in Caïro. Ik dacht: wat doe ik hier? Dat moment was voor mij de omslag. Toen dacht ik: ik ga nu alleen nog maar dingen doen die ik zelf leuk vind.”

Kunnen jullie een voorbeeld noemen van een foto die je hebt gemaakt van iets heel ellendigs waar jullie vervolgens als fotograaf goede sier mee maakten?
Rutting: “Een mevrouw in Pakistan lag op sterven na een aardbeving. Het was koud, maar de zon scheen een beetje, dus de familie had haar buiten gelegd. Zij stonden eromheen om afscheid te nemen. Mijn journalistieke gevoel zei dat ik een foto van haar moest maken, maar ik durfde niet zo. Tot de familie me vroeg een foto te maken en ik er ook tussen ben gaan staan. Ik draaide mijn lens naar beneden. Eerst keek ze niet, maar ze hoorde blijkbaar de camera, dus ze keek ineens op, zo de lens in. Toen klikte ik. Een paar dagen later overleed ze. En toen ik thuiskwam won ik de Zilveren Camera voor die serie. Dus ja, daar heb je wel gemengde gevoelens over.”
De Boer: “Ik had dat toen ik voor het Rode Kruis in Ivoorkust kindjes met een longontsteking ging fotograferen. Je weet dat die zieke kinderen niet echt zitten te wachten op een fotograaf. Een kindje lag onder een lapje in een heel klein hutje, waar het alleen al door de hitte heel benauwd was. Hij voelde zich echt helemaal niet lekker, dat zag je aan alles. Maar je weet dat je toch een foto moet maken, want daarmee kun je aandacht en dus geld genereren. Maar op het moment voelt het heel erg alsof je een foto stéélt. Ik vond dat een heel moeilijk moment. Ik probeerde hem met oogcontact een beetje liefde te sturen. Zo van: ik weet wel dat het niet leuk is, maar het komt uiteindelijk goed, hopelijk.”

Mentzel: “Ik herken het allemaal heel sterk, ik heb parallelle ervaringen. Als ik me bezwaard voelde om een foto te nemen, suste ik mezelf met de gedachte dat ik altijd nog kon besluiten om hem niet te gebruiken. Ik ben door NRC Handelsblad veel naar conflictgebieden gestuurd, zoals Noord-Ierland, Libanon, Zuidoost-Azië en later naar de oorlog in Irak. Dat was behoorlijk heftig. Ik heb soms momenten gezien waarbij ik dacht: ik moet het eigenlijk niet doen. Maar toch nam ik de foto dan wel. Want je kunt niet tegen de krant zeggen: ik zag het, ik heb het alleen niet gefotografeerd. Soms was ik ook best emotioneel. Dan stond ik met tranen in mijn ogen door een zoeker te kijken in een vluchtelingenkamp in Palestina of in het Midden-Oosten. Dan voelde ik me ongemakkelijk bij het idee om een foto te nemen, maar wat me dan over de streep trok was de gedachte: ze moeten het godverdomme wel weten thuis. En dat is toch een beetje ons beroep. Je kunt niet zeggen: ik sta zo te janken, het lukt effe niet. Maar uiteindelijk maak je de mooiste foto’s in je hoofd. De mooiste plaatjes zie je als je net je camera niet bij de hand hebt, als het te donker is of als je het niet durft.”
Rutting: “Of als je op de snelweg rijdt en niet kunt stoppen.”

Is er veel moed nodig om jullie werk goed te doen?
Mentzel: “Als je in je eentje bent wel. Het prettigst vind ik het als je met z’n tweeën of drieën bent. Ik ben in 1975 bijvoorbeeld samen met journalist John Jansen van Galen voor de Haagse Post en Newsweek naar Mindanao in de Filipijnen afgereisd om daar bij die jongens, de moslim-verzetsstrijders van het Moro National Liberation Front, onder te duiken. Tegenwoordig word je een kopje kleiner gemaakt als je zoiets doet, vroeger werd je nog als een soort curiositeit ontvangen. Maar zoiets is fijner om samen te doen. Ik ben in het Midden-Oosten weleens met een pistool tegen mijn hoofd in de auto gesodemieterd. Toen dacht ik echt: dit is einde verhaal. Gelukkig werd ik gered door een lokale AP-fotograaf die in die auto sprong en in het Arabisch heeft zitten lullen als Brugman.”
Rutting: “Je realiseert je gewoon niet zo vaak dat het gevaarlijk is wat je doet.”
Mentzel: “We waren naïef.”
Rutting: “Professioneel naïef. Uiteindelijk word je door schade en schande wijzer, maar je wordt ook nonchalant. Je denkt dat jou niks kan overkomen.”

Mentzel: “In het begin dacht ik: ik ben toch van de Nederlandse krant, niet van het lokale sufferdje, maar van een echt goede krant. Dat was wel naïef als je je later bedenkt dat een man je met een geweer door de straten is gevolgd met de gedachte: knal ik hem neer of toch niet? Dat is me serieus overkomen.”
Rutting: “Ja, dat soort dingen gebeuren.”
Mentzel: “Ik was zo’n broekie. Ik heb begin jaren zeventig een aantal malen Co Rentmeester geassisteerd. Hij was een Nederlandse fotograaf voor Life Magazine, die gewond raakte in Vietnam. Hij lag met een lange telelens op de grond toen een sniper hem in de gaten kreeg. Hij schoot zo, piew, in die lens. Gelukkig ketste de kogel af tegen zijn vinger waar-ie mee aan het scherpstellen was. Het topje van zijn vinger vloog eraf, maar daardoor overleefde hij het wel. Hij is daarna op slag andere dingen gaan doen. Hij dacht: dit is de moeite niet waard. Hij werd vervolgens natuurfotograaf en maakte foto’s van ijs en een prachtig boek over Indonesië. Maar het soort jeugdige naïviteit die hij in het begin had, die herken ik wel.”

Zit de noodzaak van het hebben van moed ook in kleinere dingen? Zoals dat je tegen Beatrix moet durven zeggen: “Uw haar zit niet goed.” Of: “Als u zo lacht, heeft u best veel onderkin.”
Rutting: “Je kon tegen Beatrix zeggen wat je wilde, maar uiteindelijk deed ze toch altijd wat ze zelf wilde.”
Mentzel: “Het is vooral een kwestie van wederzijds respect. Ik kwam in 1969 langs de kleedkamer van de legendarische Amerikaanse jazz-zangeres Sarah Vaughan. Haar deur in de Rotterdamse Doelen stond op een kier en ik zag haar op een bank liggen. Ik vroeg: ‘Can I take your picture?’ ‘Sure,’ zei zij, ‘I’m doing a job, you’re doing a job, go ahead.’ Dat ben ik nooit vergeten. Als er nu iemand kak heeft in Nederland, vertel ik het verhaal van Sarah Vaughan, en dan gaan ze nadenken. Sterretjes bijvoorbeeld. Of mensen die zeggen: ‘Nou, even vlug dan.’ En na drie keer klikken: ‘Nu heb je het wel hè, nou dag.’ Dan zeg ik: ‘Ho, ho, ho, ik ben nog bezig.’ Een fotograaf moet zijn tijd krijgen. Ivo Opstelten grapt nog altijd tegen collega’s: ‘Oeh, Mentzel zegt dat ik u heel veel tijd moet geven.’ En dan gaat-ie ervoor zitten. Het gekke is dat je wel wederzijds respect moet hebben, maar
dat er ook afstand moet zijn. Ik heb zestien jaar politiek gedaan. Maar op een gegeven dacht ik: ik ken de mensen te goed, ik moet wegwezen. Want dat is niet de bedoeling. Als ik de incrowd tegenwoordig bezig zie, kan ik me daar mateloos aan ergeren. Je moet juist een waanzinnige afstand houden. Zodat je iemand ook in moeilijke omstandigheden durft te fotograferen. Zoals Joop den Uyl, die gebogen over het Binnenhof liep vanwege zijn zorgen om de treinkaping door Zuid-Molukkers.”

Toen een fotograaf van De Telegraaf onlangs tijdens een shoot voortdurend tegenwerking kreeg van Joost Eerdmans en Thierry Baudet, zei hij dat fotograferen toch echt zíjn vak was. Waarop Baudet zei: “We willen het lánd veranderen. Dan kunnen we heus wel een fotograafje aan.”
Mentzel: “Ik las het ja. Als iemand moeilijk doet, denk ik: sodemieter op man. Het is ook in jullie eigen belang. Maar ik heb het ook geregeld gehad. Dan had je drie uur in je autootje gezeten, kwam je aan, stond er een man – ik noem geen namen – in de deuropening die zei: ‘Maak maar.’ Dan zei ik: ‘Ik moet eerst even mijn handen wassen en wat drinken.’ Die man wist niet wat-ie meemaakte, joh.”
Rutting: “Mensen beseffen niet hoezeer je erover nadenkt. Hoe vaak ik wel niet binnenkom en hoor: ah, meneer komt een plaatje maken.”
Mentzel: “Een plaatje maken?!”
Rutting: “‘Nee,’ zeg ik dan, ‘ik kom een foto maken.’ Ik ben weleens weggegaan. Heb gewoon gezegd: ‘Wilt u niet? Nou prima, toedeledokie.’ Ja, ik moet wel de kans hebben om een foto te maken. Vincent en ik hebben allebei het Koninklijk Huis een tijd gedaan, en die mensen weten gewoon dat je voor een goede foto de tijd moet nemen.”

Mentzel: “Beatrix zei van tevoren hoeveel uur ze had. En als je dan na twee uur al klaar was, zei ze: ‘Nu al? Nou, zullen we dan maar aan de wijn gaan?’ Ik heb een aantal maal een staatsiefoto gemaakt en dat is echt een proces waar je in gaat. Dat is niet van: kom binnen en maak een kiek.”
Rutting: “Zo’n staatsiefoto is natuurlijk wel anders. Dat moet eerst allemaal doorgesproken worden.”
Mentzel: “Ja, maar dat doe je ook voor de vorm met de lui die daarover gaan. Uiteindelijk bepaal jij met Willem-Alexander of met Beatrix wat je doet. Ik heb drie keer zo’n staatsieportret gedaan met koningin Beatrix, en dan maak ik toch echt zelf de dienst uit. En dat gaat ook heel goed hoor.”

Hoe maak je Willem-Alexander een beetje lossig?
Mentzel: “Door eerst iedereen weg te sturen die niet ter zake doende is. Dat is een hele hoop van zijn entourage. Ik mompel dan tegen hem: ‘Stuur ze weg,’ en dat doet hij dan ook braaf. En dan ga je een beetje een gesprek voeren. Ik heb samen met Renate Rubinstein het boekje Alexander over hem gemaakt toen hij achttien jaar werd; het werkt wel als je teruggaat naar die tijd. Dan kom je vanzelf in een redelijk relaxte sfeer.”

Zijn broers stonden bij deze foto achter jou gekke bekken te trekken, toch?
Mentzel: “Ja. De laatste keer had ik ook iemand die dat deed, mijn assistent Levien Willemse. Dat werkt goed. En verder heb ik eigenlijk niet meer dan een gesprek, en af en toe druk ik op de knop of ik zeg: joh, doe eens zus of zo, en dan heel langzaam manoeuvreer je iemand in een vorm die je wilt hebben. Er is nergens een geheim.”

Je hebt tegen Beatrix weleens gezegd: “U moet wel een beetje van me houden, anders kan ik geen goede foto van u maken.”
Mentzel: “Ja, dat geldt voor iedereen. Je moet wel iets van een verstandhouding hebben met je onderwerp. Je kunt niet gaan staan en denken: wat een lul. Dat werkt niet.”
De Boer: “Een portret maken is een samenwerking.”
Mentzel: “Yousef Karsh, die de prachtige, wereldberoemde foto van Churchill maakte, pakte Churchill precies waar hij hem kon raken, namelijk door zijn geliefde sigaar uit zijn hand te trekken. Dat was natuurlijk zijn handelsmerk. Ik zei ook weleens tegen een hooggeplaatst persoon: ‘Mag ik even uw haar door de war doen?’ ‘Dat is mijn handelsmerk,’ zei die persoon, ‘dat kan niet.’”
De Boer: “De moed om dat soort dingen te zeggen of om zomaar op mensen af te stappen, heb ik normaal niet. Maar zo’n camera helpt me over een bepaalde drempel heen. Want je hebt een missie: je moet een goed portret maken. Dat dwingt je om over je eigen grenzen heen te gaan. Om dingen te durven die ik anders niet zou durven.”
Rutting: “Voor mijn werk durfde ik met een camera voor mijn neus alles, maar als ik dan op vakantie was en een vakantiefoto wilde maken, durfde ik ineens niet meer dicht bij mensen te komen. Die angst was echt heel erg. Het is de laatste jaren wat minder geworden, maar ik heb dat heel erg gehad. Dat je een foto voor je werk moest maken was de stok achter de deur, en daar ging je ver in. Héél ver.”
De Boer: “Ja, ik heb jou in Guatemala weleens dingen zien doen die ik zelf niet zou doen. Er zat een man met een heel groot kapmes tussen zijn benen, en Ray- mond loopt er gewoon op af. Hij zegt niet eens ‘hallo’, maar het is gewoon meteen: klik-klik-klik-klik-klik. Van heel dichtbij. Ik dacht echt dat hij klappen ging krijgen. Maar dat gebeurde niet.”
Rutting: “Ja, ik ben wel vrij brutaal wat dat betreft.”
De Boer: “Vrij. Ja.”

Rutting: “Terwijl ik normaal gesproken heel verlegen was. En ik had een enorme hekel aan reizen. Dat vond ik verschrikkelijk. Ik durfde niet eens naar Amsterdam. En dan kies je een vak waarvoor je drie keer de wereld rond moet. En met mensen in aanraking komt met wie je liever geen contact hebt. Maar toch vind ik dat ik de mooiste baan ter wereld heb. Soms is het
keihard, en soms is het zwaar, maar het mooie is dat je zoveel facetten van het leven voor je lens krijgt. Alle leuke dingen, maar ook alle erge dingen. En dat sla je allemaal op in je hoofd. Het gekke met fotograferen is dat de beelden die je door je lens ziet niet direct binnenkomen. Je bent op dat moment zo bezig met andere dingen, zoals je kader. Dat is een afwijking die veel fotografen hebben. En daardoor komt het echte leed ook pas later binnen. Als het je meteen zou raken, zou je het misschien direct kunnen verwerken, maar nu moet je dat doen als je niet meer bent ter plaatse bent. Dat is heel ingewikkeld. En dat zorgt ervoor dat sommige collega’s van vroeger nu alleen nog maar bloemetjes kunnen fotograferen. En zelf heb ik er ook best last van gehad. Maar ik heb het inmiddels wel een plek gegeven.”
Mentzel: “Sommige Vietnam-fotografen kwam je vervolgens in de Filipijnen weer tegen, en daarna weer in het Midden-Oosten. Die moesten de geur van het slagveld in hun neus hebben. Die konden niks anders meer dan alleen maar oorlogen fotograferen.”
Rutting: “Die willen ook in het harnas sterven.”
Mentzel: “Ja, zo’n jongen als de Britse oorlogsfotograaf Tim Page, die kwam je dan tegen met een kogel in zijn kop.”
Rutting: “En hij liep mank.”
Mentzel: “Hij was er ook een beetje mal van geworden. Maar het was heel leuk om met hem op te trekken.”
Rutting: “Ik ging ook een keer met hem mee. Het was zijn verjaardag nota bene, en toen liep hij zo een mijnenveld in. ‘Kom maar,’ zei hij. Ik dacht: je kan me de boom in. Ik liet er vijf of tien meter tussen, en ging in zijn voetstappen erachteraan. Dat deed ik dan wel.”

De Boer: “Maar jij doet ook wel eens dat soort dingen, Raymond. Ik herinner me een foto dat jij voor de troepen uit liep met zo’n mijnenzoekding. Dat was een prachtige foto overigens.”
Mentzel: “Dat zeiden de Nederlandse mariniers in Cambodja tegen mij ook: ‘Gaat u vooral uw gang, meneer, wij volgen wel.’”
Rutting: “Ja, precies. Maar dan heb je zo’n idioot idee dat je een foto moet maken die nog nooit is gemaakt. Ik heb zoveel dingen gedaan waarvan ik later spijt had. Wat dacht ik?!”
De Boer: “Ik heb weleens problemen met de Hongaars-Amerikaanse oorlogsfotograaf Robert Capa die in mijn hoofd zit en me aanstuurt. De beste man is overleden, maar hij zit op mijn schouder en zegt dingen als: ‘If your pictures aren’t good enough, you’re not close enough.’ Dus hup, dichterbij gaan. Aan de andere kant zit er een engeltje die zegt: ‘Doe het nou maar niet! Wees voorzichtig, niet te ver van de bus.’ Ik was ergens midden in Ethiopië en zag allemaal prachtige dromedarissen. Ik riep: ‘Stop the car, ik wil eruit.’ Dus ik liep ernaartoe met Robert Capa op mijn schouder die riep: dichterbij, dichterbij, beter voor de foto. En het andere engeltje: doe dat nou niet, niet zo ver van de bus, je weet niet waar je bent, je bent in the middle of nowhere in Ethiopië. Uiteindelijk stond ik redelijk dichtbij te fotograferen, en zag ineens in mijn lens dat er twee mannen met stokken aan kwamen rennen. Ik heb die foto waarop je die kerels met die stokken op me af ziet rennen trouwens nog. Maar goed, daarna schijn ik harder te hebben gelopen dan welke marathonloper dan ook. Echt zóef, weer terug naar die bus. Maar daar aangekomen zag ik een andere kerel in de deuropening van de bus staan. In een reflex trok ik die kerel zo uit die deuropening, sprong zelf in de bus, en riep: drive, drive! Maar voordat we weg kunnen rijden is die engerd alweer terug. Toen heb ik hem keihard een trap in zijn kruis gegeven. En daarna, hop, direct de deur dicht gezwaaid. Bedankt, Robert Capa!”
Rutting: “Ja, je moet uitkijken als je met Sacha op pad gaat. Dat weet je nu wel.”
Mentzel: “Nou!”
Rutting: “We hebben er alle drie ervaring mee: je komt in zulke bizarre situaties terecht!”
Mentzel: “Shit happens.”
De Boer: “Shit happens. Wel een goede plaat.”
Rutting: “We hebben het nu steeds over heel erge dingen, maar de laatste jaren heb ik ook op andere vlakken de schoonheid in de fotografie ontdekt. Ook andere dingen kunnen heel mooi zijn om je creativiteit en je gevoel in te leggen. Zonder de adrenalinestoot die je nodig hebt om in die oorlogsgebieden te werken, en waar je op den duur een beetje verslaafd aan raakt. Het is bij mij nu wat breder geworden en dat bevalt me prima.”

Wanneer is fotografie het leukst? Als je op het knopje drukt of als het uiteindelijk in de krant staat?
Mentzel: “Als het erin staat. Als je dacht: zo, die foto is in the pocket, dan was de eerstvolgende gedachte: nou nog zorgen dat-ie in de krant komt. En soms moest je daarvoor nog hard lobbyen. Maar bij NRC kreeg ik gelukkig veel ruimte. Al was ik nooit tevreden, hoor. Want je levert een keur aan materiaal in.”
Rutting: “En dan denk je: waarom hebben ze die nou genomen?”
Mentzel: “Het leukste is natuurlijk als alles klopt en het dan ook nog op de voorpagina staat.”
Rutting: “Ik ren nog elke ochtend naar de brievenbus om die krant eruit te trekken en te kijken hoe de foto’s erin staan.”
Mentzel: “Fotografisch gezien is de Volkskrant samen met Trouw een van de betere kranten. Maar de rest bakt er niet zoveel meer van.”
De Boer: “Ik doe vooral veel portretfotografie en ik word er altijd heel blij van als mijn geportretteerden blij zijn. Ik doe vrij veel auteurs, en dat zijn niet altijd de makkelijkste mensen. Ik heb bijvoorbeeld Sonja Barend gefotografeerd voor haar boek. Die foto zie ik dan overal op de co- ver van haar boek in boekhandels staan, wat heel leuk is, vooral ook omdat het een heel leuke shoot was. Zij en haar man waren heel erg blij met de foto.”
Mentzel: “Ik heb weleens aan haar gevraagd: ‘Moet ik iets retoucheren?’ Waarop zij antwoordde: ‘Nee hoor, ik heb alle lijntjes eerlijk verdiend.’”
De Boer: “Daar word ik dan weer blij van.” Vragen mensen tegenwoordig steeds vaker of je nog gaat fotoshoppen? Zo van: mijn wallen shop je wel even weg, toch?
Mentzel: “Ja, alleen kan dat bij de krant niet. Ik ben een keer bijna ontslagen omdat ik een foto had ingekleurd. Journalistiek gezien mag je nul komma nul aan het beeld, de realiteit, rommelen. Al is dat na- tuurlijk behoorlijk relatief. Als er een heel arm kind ligt te sterven bij zijn gezinnetje, en jij maakt daar een foto van terwijl je daar tussen zes andere fotografen ligt, dan krijg je een heel ander beeld dan wanneer ik een stapje terug doe en die ring aan fo- tografen erbij pak. Het is zo subjectief. Als wij met z’n drieën naast elkaar staan, krijg je drie verschillende foto’s.”
De Boer: “Ik ben nog nooit in Egypte geweest, maar die piramides schijnen aa één kant aan de rand van een woonwijk met allemaal flatgebouwen te staan. Maar niemand draait zich om om die andere kant te fotograferen. Daardoor denkt iedereen dat die dingen ergens midden in de woestijn staan.”

Hebben jullie nog tips voor de ideale vakantiekiek?
De Boer: “Ik zou zeggen: details. Mensen willen vaak te groot en te wijd en te veel. Terwijl een detail heel veel kan zeggen over een plek.”

Mentzel: “Neem je iPhone, dat is het leukste fototoestel ter wereld. Het is onbedreigend, en de kwaliteit is inmiddels zo goed.”
Rutting: “En doe een stapje dichterbij. Wat je veel ziet is dat mensen liever inzoomen en zelf op een afstand blijven staan. Want ze willen geen onderdeel worden van het geheel. Maar doe eens een stap naar voren, zodat je wel onderdeel wordt en mensen zien dat je een foto maakt. Dan krijg je soms heel andere dingen dan wanneer je met een telelens schiet.”
De Boer: “En knoop een leuk gesprek aan. Want wat is er leuker dan om je camera te hebben als excuus om met iemand een praatje te maken? Om iemand even te leren kennen?”

De liefde voor fotografie zat er bij jou al van heel jongs af aan in. Pas vier jaar geleden besloot je te stoppen als presentator van het NOS Journaal om je fulltime op de fotografie te storten. Waarom heeft dat zo lang geduurd?
Sacha de Boer: “Ik heb mijn liefde voor fotografie wel al heel vroeg gevolgd, hoor. Ik ben vanaf mijn vijftiende foto-assistent geweest. En ik heb tijdens mijn tienerjaren enorm gespaard voor een spiegelreflexcamera. Die heb ik gekocht toen ik twintig was. Daar heb ik heel veel mee gefotografeerd en ook geld verdiend. Maar tegelijkertijd studeerde ik communicatiewetenschap en deed ik er allerlei dingen naast. Een van die dingen was dat ik voor RTL Nieuws werkte. Eerst als koerier, daarna als geluidsman, later mocht ik ook af en toe eens vragen stellen, en zo is het verder gerold.”

Ben je nu je het fulltime aan één stuk kan doen, duizend keer zo blij als toen je nog het Journaal las?
De Boer: “O ja. Echt. Ja, dit was toch wel mijn roeping.”
Rutting: “Dat is fotografie inderdaad, daarom blijf je het ook altijd doen.”
Mentzel: “Een fotograaf gaat nooit met pensioen.”

[/blendlebutton]