Van Buma tot Vindicat: wij tegen de rest

Het is de oudste truc in het boekje: wij tegen de rest. De gemakkelijkste manier om een groepsgevoel te creëren, is om je samen af te zetten tegen een gemeenschappelijke vijand. Je hoeft geen moeite te doen om te verzinnen wie ‘wij’ zijn, als je duidelijk voor ogen hebt wie ‘zij’ zijn. Alle interne onenigheid verdwijnt als sneeuw voor de zon zodra er ineens van buitenaf een dreiging wordt gevoeld. En de afgelopen weken gaat het eigenlijk nergens anders over. Van Vindicat en Sybrand Buma tot aan moslimdiscriminatie of Eberhard van der Laan, in de kern gaat het er allemaal over bij welke ‘wij’ we worden ingedeeld of uitgesloten.

Die ‘wij’ is tegelijkertijd een probleem als een oplossing. Het kan magisch zijn wanneer het spontaan ontstaat. Verbroedering, verbinding, een gevoel om ergens thuis te horen. Je hebt geen gemeenschappelijke vijand of zwart schaap nodig, omdat je bezig bent gezamenlijke oplossingen voor gezamenlijke problemen. Maar het kan heel snel doodeng worden zodra van dit mechanisme gebruik wordt gemaakt om mensen tegen elkaar uit te spelen.

Uiteindelijk heeft die ‘wij’ veel te veel macht als er te veel mensen onderdeel van kunnen worden. Ze zouden zich dan nog weleens druk kunnen gaan maken over dingen die ze allemaal aangaan. Gezondheidszorg, onderwijs, banen, huizen, gelijkheid. Het is veel gemakkelijker om die ‘wij’ onder controle te houden door ze op te delen in andere groepjes.

Wij versus mensen die zich anders kleden, die een andere taal spreken, die op een andere manier liefhebben, die tot een andere god bidden, die een andere kleur hebben. Het is voor deze groepen vaak heel makkelijk om uit te leggen wie de ander is en waarom die eng is, maar heel moeilijk om uit te leggen wie er tot de ‘wij’ behoort en waarom die enge ander daar geen deel van uit mag maken.

Buma
Beeld:

Nederland is wanhopig op zoek naar het ‘wij’-gevoel. Politici maken er misbruik van door prachtig getimede speeches te geven en opmerkingen te maken over onze superieure joods-christelijke cultuur, de ‘gewone Nederlander’, en normen en waarden, precies op het moment dat er maatregelen doorgevoerd worden die voor de meerderheid van de Nederlanders nadelig zijn. Tekenend was het dan ook dat Sybrand Buma in een interview op BNR helemaal geen antwoord kon geven, toen er eens doorgevraagd werd wie die ‘gewone Nederlander’ nou eigenlijk was waar hij over speechte terwijl hij liep te rommelen met het eigen risico.

De vraag werd drie keer aan hem gesteld in andere bewoordingen. Hij kon na een boel gedraai alleen maar als gemeenschappelijk kenmerk van de ‘gewone’ of ‘boze’ Nederlander geven dat ze zich zorgen maken over immigratie. Kortom, angst voor ‘de ander’. Op de vraag of dit dan betekent dat Nederlanders met een migratie-achtergrond dan geen ‘gewone Nederlanders’ zijn, zegt Buma alleen dat hij ‘het perspectief toch zou willen focussen op wie die zorgen hebben’. Mensen mogen alleen onderdeel uitmaken van de ‘wij’ van Sybrand Buma als ze ook bang zijn voor de door hem gedefinieerde ander. Hij wil het perspectief alleen maar op de angst houden.

Maar ‘de ander’ die Buma voor ogen heeft, is helemaal niet verantwoordelijk voor de problemen die de meeste Nederlanders hebben. Alleen omdat je zegt dat immigranten geen gratis zorg zouden moeten krijgen, betekent niet dat jouw eigen risico omlaag gaat. Omdat je bang bent voor moslims, betekent dat niet dat je een sociale huurwoning of een broodnodige loonsverhoging krijgt.

Het CDA heeft deelgenomen aan 25 van de 28 van de Nederlandse kabinetten na de Tweede Wereldoorlog. Ze weten heel goed hoe vaak er van ‘de gewone Nederlander’ gevraagd is om zijn broekriem maar aan te halen tijdens en na de crisis. Dat vroeg het CDA ze namelijk zelf.

De meeste Nederlanders zijn ook echt niet zo dom als ze op dit moment door de politiek worden aangesproken. Over het algemeen weten we heel goed wanneer we worden gepiepeld. De gewone Nederlander is gekke Henkie niet. Gezien de reacties op de speech van Buma denk ik dat er weinig Nederlanders zijn – bezorgd of anderzijds – die de illusie hebben dat Sybrand Buma de volksvader is waarop we zitten te wachten wanneer hij weer eens het Wilhelmus aanhaalt. Maar we snakken in Nederland zo erg naar iets waar we het allemaal eindelijk weer eens over kunnen zijn, dat het bijna niet meer uitmaakt waar we het vinden. Als we verder zo verdeeld zijn, is alleen voetbal niet meer voldoende.

Van der Laan
Beeld: ANP/Robin van Lonkhuijsen

Ik stond deze week aan de Herengracht in Amsterdam waar duizenden mensen zich spontaan verzameld hadden om te applaudisseren voor de doodzieke Eberhard van der Laan. Mijn collega’s uit Rotterdam en Almere trokken er hun wenkbrauwen bij op. Vast aardig bedoeld, maar waar kwam die emotionele burgemeester verering vandaan? Waarom werd dit zo publiek uitgemeten?

Ik kon het in eerste instantie niet uitleggen, maar toen ik er eenmaal was begreep ik het. Ik stond op de brug tussen een Jordanese loodgieter en een jonge Marokkaan die er allebei geen seconde aan twijfelden of ze bij de Amsterdammers hoorde waar Eberhard zo graag nog een poosje burgemeester van had willen blijven.

We applaudisseerden uit liefde voor de stad, die we met hem deelden en waar we van hem allemaal onderdeel van mochten uitmaken. Er was geen ‘ander’ nodig om verbroedering te voelen. We snakken naar leiders die de waarheid spreken, die oprecht zijn als ze over de verbinding van hun burgers preken. En oprechter dan een burgervader die zijn stad wil besturen tot aan zijn sterfbed wordt het niet.

Dankjewel Eberhard, dat je ons dat nog hebt gegeven.

Meer leuke content? Like ons op Facebook