Spring naar de content
bron: Anne Stalinski

Op stand leven ondanks een haperend lichaam

Hoe gaat een mens om met zijn ouder wordende lichaam en de daarmee gepaard gaande gebreken? Domweg ontkennen is een optie, tot je op een ochtend letterlijk je bed niet meer uit kunt komen. De nodige aanpassingen doen en moedig voorwaarts, wordt dan het devies.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Emma Brunt
Beeld:

Ik meen dat het Richard Pryor was die in een van zijn conferences vertelde dat hij pas op zijn negende aan zijn ouders had durven opbiechten dat hij eigenlijk een eh... zwart jongetje was.

En toen oprecht verbaasd was dat ze daar niet van opkeken, omdat ze het al die tijd kennelijk gewoon aan hem hadden kunnen zien.

[blendlebutton]

Het is een grap waar ik tegenwoordig vaak aan moet denken, omdat er aan mij inmiddels ook van alles te zien is waarvan ik had gedacht dat het onzichtbaar zou blijven, of wat ik op zijn minst toch nog wel een beetje hoopte te kunnen wegmoffelen. Ouder worden, weet ik nu, is bijvoorbeeld zo’n gegeven dat zich niet alleen aan de binnenkant van je hoofd bevindt, maar zich ook aan de buitenkant manifesteert. Wie had dat nou kunnen denken! Niet de vrouw die ik elke ochtend in de badkamerspiegel zie in ieder geval, want die is onverminderd in de weer met eyeliner en mascara en weet nog steeds van niets.

Pas als ik via een ongebruikelijke invalshoek een glimp van haar opvang – in een winkelruit, of omdat iemand een foto van haar op Facebook heeft gezet – zie ik opeens wat alle andere mensen in mijn naaste omgeving natuurlijk al veel eerder hebben gezien: ik ben oud geworden. Jazeker, dat ben ik, die mollige verschijning met de onderkin en de diepe plooien aan weerskanten van haar neus. En inderdaad, dat spierwitte haar (ik noem dat graag platinablond) wordt al een beetje dun op de kruin, als ik nog eens wat beter kijk.

Je vraagt je dan wel af hoe dat zo ineens heeft kunnen gebeuren, en daarna vergeet je het meestal weer een poosje, want je wilt uiteraard niet zo’n oude vrouw worden die de hele tijd over het verlies van uiterlijk schoon treurt. Dat is niet alleen futiel, maar ook kinderachtig en beneden je stand. Al is de neiging om van pure schrik naar een afleidingsmanoeuvre te grijpen niet altijd te bedwingen.

Leuke verhalen levert dat op, vooral als je met lotgenoten spreekt en toevallig in de stemming bent voor een dosis onverschrokken zelfspot. Zo hoorde ik dezer dagen van een vriendin die net terugkwam van een vakantie in New York dat er steeds mensen voor haar opstonden in de metro. Pas na lang nadenken had ze begrepen waarom: zij was de enige treinreiziger met grijs haar, alle anderen hadden hun haar geverfd. Wat haar in de ogen van Amerikanen prompt in de categorie ‘hoogbejaard en (dus) slecht ter been’ had doen belanden.

In dezelfde week sprak ik een vriendin die van ‘jong’ houdt en de vergissing had gemaakt om het op een flirten te zetten met haar aantrekkelijke en veel jongere fysiotherapeut. “Ach ja,” zei ze koket, in de loop van het gesprek, “ik ben tenslotte al 71.” In de verwachting dat hij spontaan zou gaan schateren, en iets zou zeggen in de trant van: “Ben je gek meid, wat een onzin, vrouwen zoals jij worden er alleen maar leuker op!” Maar dat zei hij niet. In plaats daarvan wierp hij een deskundige blik op haar stramme gewrichten en constateerde droog: “Tja, je hebt misschien nog drie jaar, of misschien wel vijftien, maar de slijtage kun je natuurlijk niet stoppen.”

“Nu weet ik dus wat hij ziet als hij naar mij kijkt,” zei ze enigszins uit het veld geslagen. “Hij ziet gewoon een oude vrouw.”

De enigen die het niet zien, althans niet voortdurend, zijn wijzelf, de generatie van zeventigplussers, die in de jaren zestig parmantig verklaarde dat de slogan ‘forever young’ in ons speciale geval best eens een haalbare beginselverklaring zou kunnen blijken te zijn. Onze ouders, ja, díe werden zienderogen oud en sleets, en die gingen ten slotte nog dood ook, maar die waren dan ook niet echt jong geweest toen ze er de leeftijd nog voor hadden. Mijn vader en moeder hebben bijvoorbeeld nooit een spijkerbroek en een T-shirtje gedragen, of langs de Amstel lopen joggen op sneakers; die beproefde symbolen van eeuwigdurende jeugd pasten niet bij hun volwassen status. Mijn vader droeg een donkergrijs pak met een bijpassende winterjas van visgraat tweed, en mijn moeder kocht haar damesjurken en bontstola’s bij De Bonneterie, terwijl ze bij hoge uitzondering het meubilair weleens aan de kant schoven om een foxtrot te dansen op muziek van Malando of het Metropole Orkest.

Een jaar of tien geleden heb ik een boek over het ongerief van de ouderdom geschreven (Slecht nieuws voor iedereen), terwijl ik nu pas – met terugwerkende kracht – besef dat ik het daarin vooral over hún aftakelingsverschijnselen heb gehad, en hoe ik daar toen naar keek, niet zonder mededogen maar wel een beetje geringschattend. Alsof het nog niet helemaal tot me was doorgedrongen dat de ouderdom een algemeen menselijke conditie is waar ik, op mijn beurt, ook aan zou moeten geloven.

Eigenlijk heb ik geloof ik altijd verondersteld dat de oude dag een voorbijgaand verschijnsel was: onaangenaam, net als een griepje, maar niet levensbedreigend. Met de juiste antibiotica en een royale dosis vitamine C zou het vanzelf dus ook wel weer overgaan. Magisch denken zou je dat kunnen noemen, een gecompliceerde combinatie van ontkenning en zelfbedrog, waar de werkelijkheid weinig vat op heeft. Niet in de laatste plaats door de manier waarop er over ouden van dagen wordt gesproken, want daarin klinkt altijd iets verwijtends door, alsof ouderen het aan zichzelf te wijten hebben dat het mechaniek gaat haperen.

Gerookt zeker, te veel rood vlees gegeten, er met de pet naar gegooid als het op lichaamsbeweging aankwam en ook nog verzuimd om alle gluten af te zweren? Tja, dat krijg je er dan van, het kwaad straft zichzelf.

Bij mij kwam de reality check zo’n jaar of drie geleden, toen ik wakker werd en constateerde dat ik mijn bed niet uit kon komen. Niet als in: het gaat een beetje stroef, maar als in: het gaat totaal níet. Na twintig minuten draaien en mezelf in bochten wringen pakte ik dus de telefoon om mijn huisarts te bellen. Met een goed gespeeld vertoon van koelbloedigheid, want je kunt je als alleenstaande uiteraard geen dwarslaesie of een acute hernia permitteren. Maar tegen de tijd dat die huisarts kwam, drie uur later, had ik er al iets op gevonden, zodat ik tenminste de voordeur voor haar open kon doen.

Als ik me naar de rand van het bed verplaatste, en vervolgens een snoekduik nam naar de deurkruk van een kast, kon ik me daar in zoverre aan optrekken dat ik min of meer op mijn voeten terechtkwam, en vanuit die gebukte positie kon ik me dan centimeter voor centimeter opkrikken tot ik in ieder geval stónd. Een paar stapjes lopen (naar de wc, om maar iets te noemen) lukte overigens pas toen ik de stofzuiger ontdekte, en bedacht dat ik een gedeelte van de stofzuigerstang misschien zou kunnen gebruiken als geïmproviseerde kruk, een innovatie waarop ik behoorlijk trots was, al bleef het natuurlijk de vraag hoe ik me in de dagen en weken daarna moest gaan redden als de toestand zo bleef. En die bleef zo.

Van de neuroloog heb ik inmiddels vernomen wat het probleem is: een vernauwing in de wervelkolom waardoor bepaalde zenuwbanen beklemd raken. En sindsdien ben ik gefascineerd door ‘wieltjes’, bijvoorbeeld in de vorm van een zogenaamde ‘seniorenfiets’, met een extra lage instap, en ook voor het overige een toonbeeld van ergonomisch vernuft. Of een veilige driewieler, die bestaan ook.

Van deze en gene hoorde ik dat er in Haarlem een fantastische fietsenmakerij zit – ’t Mannetje – waar ze er eer in stellen om ouderen ‘met een beperking’ weer mobiel te krijgen. Daar was geen woord te veel mee gezegd, zo bleek toen ik me er meldde voor een proefritje. Maar zulke technische hoogstandjes zijn duur (1500 euro is wel het minste waar je op moet rekenen), terwijl ik op een doodgewoon roestbarreltje van Marktplaats niet meer bleek te kunnen rijden. Ik zwabberde bij het op- en afstappen als een buitenlandse toerist met zelfmoordneigingen, zodat ik in feite de gevangene dreigde te worden van mijn flatje. En vanaf dat moment werd alles in mijn leven gereduceerd tot een logistiek probleem.

“Fysiotherapie!” riepen alle vrienden en bekenden behulpzaam, want lichaamsbeweging is inmiddels heilig verklaard, het geëigende panacee voor elke kwaal, maar dankbaar was ik niet voor die goede raad. Ja, dát is nou nog eens een verrassende suggestie, dat ik daar zelf niet opgekomen ben, snauwde ik dan terug, want je kunt behoorlijk humeurig worden van al dat binnen zitten.

De echte moeilijkheid liet iedereen liggen; daarvoor geldt kennelijk dat je het meegemaakt moet hebben om je er iets bij te kunnen voorstellen. De kern van mijn probleem was namelijk: hoe kóm ik bij de praktijk van een fysiotherapeut, of waar dan ook, als zelfs de dichtstbijzijnde tramhalte en het zwembad te ver zijn geworden om te lopen?

Ik had huisarrest gekregen, daar kwam het op neer. Zelfs als ik zo’n wonderfiets zou kunnen betalen, zou ik er niet lang plezier van hebben, daar zorgt het korps plaatselijke fietsendieven wel voor, zodat ik in feite alleen met zo’n voorziening geholpen zou zijn als ik een villa in het Gooi met een garage en een elektronisch beveiligd toegangshek erbij cadeau zou krijgen.

In de Socrateslezing die Hedy d’Ancona in mei van dit jaar hield, op uitnodiging van het Humanistisch Verbond, legt ze een verfrissende belangstelling aan de dag voor de praktische problemen die ouderen op hun weg vinden als ze het ideaal van de participatiesamenleving willen realiseren. Het kabinet Rutte III zweert namelijk bij de zelfredzaamheid van ouderen, die idealiter kans zien om zelfstandig te blijven. Met wat hulp van een aantal volstrekt hypothetische mantelzorgers (ik zou bijvoorbeeld echt niet weten waar ik zulke hulptroepen vandaan moest halen); intussen wordt er voornamelijk bezuinigd op allerlei vormen van thuiszorg en sluiten verzorgingshuizen hun deuren.

Het stereotiepe beeld dat van ouderen bestaat, wordt er zodoende niet aantrekkelijker op. Hedy d’Ancona schrijft: “Daarbij gaat het om eenzaamheid en onomkeerbaar verval, om behoefte aan zorg, om verlies van lotgenoten, verlies van eigen zingeving en maatschappelijke betekenis. Dit beeld heeft eigenlijk het andere – de van hun VUT genietende, de winter aan de Spaanse kust vertoevende, de altijd onderweg zijnde caravanbezitters – vervangen.”

Bejaarden worden steeds vaker afgedaan als een kostenpost, is haar conclusie, een last voor de gemeenschap, en de maatregelen die in de politieke sfeer worden gepropageerd om al die oudjes op de been te houden (zoals wat vaker samen eten en nóg meer mantelzorg) noemt ze ‘patroniserend’. Met name als die erop neerkomen dat je al die ‘eenzame’ ouderen vooral moet trakteren op een bingomiddagje in het buurthuis, en ze voor de gezelligheid maar het beste bij elkaar kunt zetten.

Hoe dat uitpakt, kun je wekelijks zien in het tv-programma Geer & Goor Stevig Gebouwd, waarin Gordon en Gerard Joling uitrukken om de oudere medemens te verblijden met een leuk uitstapje en hem of haar en passant ook nog even gevoelig te ‘dollen’. Ze doen dat volgens hun eigen onnavolgbare formule, waarbij Gerard Joling fungeert als ‘aangever’, terwijl Gordon de grap ‘afmaakt’ door de bal die voor zijn voeten wordt gelegd trefzeker in het doel te schieten.

Met de van hem bekende en niet zelden vernietigende gevatheid, waar ik persoonlijk weerloos tegenover sta (jaja, Gordon is een van mijn guilty pleasures), maar die van de getroffenen wel een goed ontwikkeld incasseringsvermogen vraagt. En wat blijkt? Tot opluchting van alle fans in de huiskamer heeft het vermogen tot zelfspot van de ouderen die ze op sleeptouw nemen niet noemenswaardig geleden onder hun gevorderde leeftijd.

Ze laten zich niet alleen goedmoedig plagen, maar geven soms ook heel effectief lik op stuk. Onlangs zag ik beide heren naast een oudere mevrouw (74) op de sofa zitten, terwijl ze hun pesterige opmerkingen afwisselden met complimentjes, zoals te doen gebruikelijk in dit format, totdat de dame in kwestie dat afstrafte door tegen Gordon te zeggen: “Jou had ik me grappiger voorgesteld.” Eén-nul voor de senioren, wat mij betreft. Lachen! Maar toen Gordon dat pareerde door een potje te slijmen en op te merken dat ze nog zo ‘verbazingwekkend vitaal en scherp’ was, viel ik zelf met een plof door de mand.

Dat was namelijk precies, maar dan ook precies wat ik op dat moment zelf dacht, ik was net zo aangenaam verrast als Gordon, totdat ik me realiseerde dat die mevrouw maar één jaartje ouder was dan ik.

Zo diep zit dat neerbuigende toontje met betrekking tot ouderen er dus in, ook bij mij, terwijl ik nota bene zelf bij die vereenzaamde, zielige brekebenen hoor.

Oud zijn is ontegenzeggelijk een stigma in een op jeugd en innovatie gerichte samenleving als de onze, het strekt zelden of nooit tot aanbeveling, en dat leidt ertoe dat het vaak gepaard gaat met gevoelens van schaamte. De Amerikaanse socioloog Erving Goffman heeft die specifieke vorm van gêne al eens tot op het bot geanalyseerd in zijn boek Stigma (1963), wat niet alleen voor ouderen maar voor iedereen met een (zichtbare) handicap heel verhelderend kan zijn. Invaliden stuiten eveneens op het probleem dat ze zichzelf in gedachten nog steeds identificeren met het ‘gezonde’ deel van de mensheid, met de onbezorgde geluksvogels die niet in een karretje zitten. Als ze daarmee geconfronteerd worden, volgt er vaak een verontschuldigend lachje.

Dat lachje zal veel bejaarden maar al te bekend voorkomen: het verschijnt bijna vanzelf op je gezicht als je bij de kassa van de supermarkt met je pinpas staat te hannesen omdat je je leesbril niet bij je hebt, of als je bij het verlaten van de trein een por in je rug krijgt omdat je niet snel genoeg uitstapt. Maar ook als je merkt dat je tijdens het lezen van een column van Youp van ’t Hek op het woord ‘rimpelkop’ stuit, en – heel sportief – je best doet om daar geen aanstoot aan te nemen en je eigen rimpelkop stijf dicht houdt.

Goffman memoreert ergens dat er in wezen maar twee strategieën zijn waarmee de zelfverachting bestreden kan worden. Je kunt bij voortduring over je gebrek klagen, als je de omstanders de mond wilt snoeren door ze een schuldgevoel te bezorgen – in dat geval heb je van je stigma een key identity gemaakt die al je andere eigenschappen overheerst. Of je kunt er terloops mee omgaan, zoals de Britse rolstoelrijder die elke meewarigheid de pas afsneed door luchtig op te merken: “I just happen to be a person sitting down.”

Tot die laatste benadering heb ik mij onlangs bekeerd, toen ik besefte dat de oplossing voor mijn mobiliteitsprobleem al die tijd in mijn eigen portemonnee had gezeten: het onvolprezen pasje waarmee mensen die slecht ter been zijn een RMC-taxi kunnen bestellen, in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning, die onder andere voorziet in aanvullend openbaar vervoer. Voor het luttele bedrag van een tramkaartje.

Alleen mijn gekrenkte zelfbeeld stond dat in de weg, maar die ijdelheid ben ik gelukkig voorbij.

[/blendlebutton]