De nieuwe Joël Veltman (die dus geen beest is) is ook geen lieverdje

Zaterdag stond er in het Algemeen Dagblad een fijn artikel van Daniël Dwarswaard dat desalniettemin de rest van het weekend af en toe bij me terugkwam, net als die vierde pannenkoek die je niet meer had moeten eten. Het smaakt misschien een beetje zurig, maar toch: je hebt er wel twee keer plezier van.

Het was een vraaggesprek met Joël Veltman, aanvoerder van Ajax. Het ging over de Nieuwe Joël. Op de bij het stuk geplaatste foto’s zat de Nieuwe Joël. Hij droeg een zwart T-shirt, tegen de achtergrond van een zwarte tegelwand. Een soort doucheruimte was het. En midden in die doucheruimte zat Joël, de Nieuwe, en hij keek naar mij zoals hij zo ontzettend graag op mij wilde overkomen: verbeten en onverzettelijk.

Het AD-artikel kwam hier op neer: de Oude Joël een lief mannetje, en de Nieuwe is een, om in voetbaltermen te blijven, klootzak.
Dat laatste is een aanbeveling, in de voetbalwereld. Een beetje voetballer is een klootzak. Voetballers die geen klootzak zijn, zijn eigenlijk maar half voetballer. Mensen die geen klootzak zijn, zien een klootzak en denken: dat is vast een goeie voetballer. Zo werkt dat.

Joël Veltman
Een tackle op de enkel van Veltman levert Feyenoordspits Nicolai Jorgensen de rode kaart op. Beeld: ANP/Kay int Veen

Een signaal afgeven

Veltman legde aan de AD-journalist uit dat hij veel had opgestoken van de samenwerking met Davinson Sanchez, met wie hij vorig jaar in de achterhoede stond. “Een beest,” aldus Joël.

Dat wilde Joël ook wel worden, een beest. Helaas voor hem is Joël Veltman geen beest. Hij is gewoon Joël. Een aardige, Noord-Hollandse jongen die redelijk kan voetballen.

Wanneer aardige, Noord-Hollandse jongens die redelijk kunnen voetballen zich gaan spiegelen aan figuren als Sanchez en Chiellini, gaat het vaak mis. Wat er dan gebeurt, laat zich het best vergelijken met een kabeljauw die denkt dat ie een barracuda moet wezen.

Als een krankzinnige draaft Joël Veltman dan over het veld, in de hoop dat hij zijn tegenstander en passant omver kan lopen om zijn goede instelling te tonen. Dat is een signaal, denkt hij. Net als Miazga dacht dat hij een signaal afgaf toen hij Denzel Dumfries zaterdagavond in zijn kruis greep. Voor alle duidelijkheid: tijdens de wedstrijd dus.

Natuurlijk heeft het ook wel iets aandoenlijks, als spelers die ze gewoon alle vijf op een rijtje hebben zich gedragen als Materazzi of Pepe, omdat ze denken dat mensen dat graag willen zien. Wij hadden jaren geleden in ons team ook zo’n jongen.

Doordeweeks was hij een evenwichtige, ietwat saaie jongen die werkte in een outdoorwinkel, en in het weekend wilde hij zo graag aan zichzelf ontsnappen dat hij trapte en sloeg naar alles wat bewoog. Het hoefde niet eens een ander tenue te dragen. In de rust ging hij wijdbeens in de kleedkamer staan, goot drie bidons over zijn hoofd uit en concludeerde briesend: “Ik ben een beest.”

Tip: mensen die van zichzelf zeggen dat ze beesten zijn, zijn het eigenlijk nooit.

“Als je ouder bent,” zei Veltman zaterdag, “wil je ook op een andere manier een signaal afgeven naar je medespelers.” Dat kan ik beamen. Zelf ben ik sinds een tijdje ook wat ouder – niet veel – en verdomd: ik geef om de haverklap signalen af. En nooit verbaal, altijd fysiek. Gewoon, even bij de bushalte tegen iemand aan gaan staan, of bij de bakker je knie in de dij zetten van de persoon voor je in de rij. En als iemand je verbijsterd aankijkt, gewoon hautain glimlachen en weglopen.

Als de vriendin bijna slaapt, tik ik sinds kort altijd met mijn wijsvinger zo hard ik kan tegen de linkeroorlel. Gewoon, effe laten weten dat je er bent.

Je zou natuurlijk kunnen zeggen: wat een mentaliteit. Wat professioneel. Leer hiervan, jongens. Je zou ook kunnen zeggen: wat treurig, voor een volwassen man. Leer hier vooral niets van, jongens, en ga in godsnaam uit van je eigen kracht.
Het is eerst en vooral een beetje armzalig, als je aanvoerder bent van Ajax en je het niet op eigen kracht afkunt. Dat je je spiegelt aan Materazzi, en niet aan Lahm, of aan Hummels, aan Frank de Boer desnoods. Bij alles wat Joël Veltman doet of zegt, voel je de wanhoop van iemand die voortdurend net een beetje boven zijn macht bokst.

Dat ‘erin kletsen’ van hem, dat krijsen als een speenvarken als hij een trap krijgt, het doet me zo denken aan jongens die vroeger even wat harder liepen nét als we op onze strafrondjes de trainer passeerden. Aan de mensen die in college gewoon maar wat vroegen om iets te vragen (en niet om een antwoord te krijgen), aan bouwvakkers die vrouwen nafluiten omdat ze denken dat hun collega’s dat van ze verwachten.

K3, of Barthes

“Schelden doe ik niet,” vertrouwde Veltman het AD nog toe. “Daar geloof ik niet in. Het gaat er meer om wat je met je lichaam doet.”

Joël, jongen, precies dit is het probleem. Als je dan toch je tegenstanders uit hun evenwicht moet krijgen, omdat je vreest ze niet aan te kunnen als ze wel in evenwicht zijn, wees dan tenminste creatief. Doe eens een dansje, neurie negentig minuten lang van K3 in iemands oor of begin vlak voor een corner met het declameren van de eerste pagina van Roland Barthes’ essay La mort de l’Auteur – in het Frans. Succes gegarandeerd.

God, wat zou het leerzaam voor je zijn geweest als de fotograaf van het AD voor die fotosessie in de doucheruimte tegen je had gezegd: ga maar vast zitten, ik kom er zo aan.

En dat hij je toen drie uur zou hebben laten zitten. Op die tegels. In dat shirtje. Gewoon, om een signaal af te geven.

Meer Frank Heinen? Volg ons op Facebook