Ik ben dol op kolonisten

Ik ben misschien te laat geboren, of in een land met ander licht. Ik voel me altijd wat verloren et cetera, et cetera.

Ach, leefde Ramses Shaffy nog maar. Die lieverd stal de woorden uit mijn mond met die gevoelige tekst want ik ben echt voor alles te laat geboren. Zelfs voor de patatgeneratie, de generatie Niet Nix en de millennials.

Het liefst was ik een beeldschone ruiter geweest in ons Indië, in een vlekkeloos wit kostuum. ‘s Middags lekker aan de high tea en roddelen met valse ouwe wijven en verder seksen met alles wat beweegt terwijl de koperen ploert genadeloos op de bips brandt.

Het mocht niet zo zijn, want karma besloot dat ik het licht zag in de onzalige bossen van de Hoge Veluwe, in het rampjaar 1959.

Kolonisten van Catan
Beeld: Carlos Bittar

Ik heb de schade ruimschoots ingehaald want tijdens mijn bliksemcarrière als gevreesd hoernalist woonde ik schitterende koloniale restaurants en hotels uit, in de tijd van de baas en op kosten van de Nederlandse belastingbetaler.

Ik schud achteloos wat namen uit de mouw: het Saint George in Algiers, de American Colony in Oost-Jeruzalem, het Victoria in Cairo, hotel Baron in Aleppo en last but not least de St. Georges in Beiroet.

Opa vertelt, en voordat de jonge lezertjes in slaap dutten, verklap ik vast de portee van mijn essayette. De fabrikant van het populaire bordspel Kolonisten van Catan heeft – in alle stilte – de naam van het spel veranderd in Catan. Want: ‘het woordje kolonisten heeft een nare bijsmaak,’ stelde een zijn beurt voorbijpratende woordvoerder.

Gek genoeg moest ik als kind helemaal niets hebben van koloniën. Niet dat ik bij de Jugendverein van de Internationale Socialisten zat hoor, of dat de eeuwenoude ziel van Sylvana in mij spookte. Integendeel: ik was een groot tegenstander van het opgeven van ons Indië aan de vijand.

In mijn memoires – deel 8 – heb ik met mijn eigen bloed het trauma beschreven dat ik opliep in vakantiekolonie Prinses Juliana te Egmond aan Zee.

Daar stierf het kind in mij, tussen het uitschot van Amsterdam. Ik was de enige die met twee woorden sprak, Louis Couperus las en met mes en vork at. Ik had gelukkig een negervriend die toevalligerwijs Sjimmie heette en uit de rafelrand van de Indische buurt in 020 kwam. Deze sympathieke reus beschermde mij voor een handvol snoep tegen het doorgefokte schorremorrie. Dankzij Sjimmie ben ik toen net niet groepsgewijs verkracht, anders was ik nu een zwempedo geweest en niet succesvol cursivist.

Ik hoor mijzelf weer zingen tijdens de dagelijkse dodenmars door de duinen, onder leiding van zuster Brunhilde:

“In Juliana moet je wezen,
in Juliana moet je zijn.
Daar wordt je geheel genezen
van je ziekte en je pijn.
En je speelt er heel de dag.
‘k Wou dat moeder mij eens zag.”

Boven de poort van de Prinses Juliana hing een bord met de tekst: laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt. Er stond nog net niet ‘Zeelucht maakt vrij’ want dat was het motto van de kinderhater onderwijzer Arie Cornelis Bos die in 1901 met de Amsterdammer A. Kerdijk en Rotterdammer G.L. Zwartendijk het Centraal Genootschap voor Kinderherstellings- en Vakantiekolonies oprichtte.

Hij stichtte de eerste vakantiekolonie aan de kust om ‘zwakke en behoeftige kinderen’ uit de hoofdstad op te vangen vanwege ‘het geringe bacteriegehalte der zeelucht, haar rijkdom aan fijne zoutdeeltjes en de niet hoog genoeg te schatten werking van de eeuwige zee op de psyche van de mens’. Ik kwam snotverdomme van de Veluwe, de groene long van Nederland! Het falderappes in de Juliana noemde mij spottend ‘professor’ omdat ik met een gouden kroontjespen de godganse dag klaagbrieven aan mijn ouders schreef die vervolgens verscheurd werden door de directrice, voor mijn ogen.

Ik klaagde vooral over de ‘lievelingetjespap’ die er uitzag alsof een peloton soldaten in een trog met griesmeel, havermout en behangerslijm had staan fappen.

Goed, het kolonietrauma heb ik van mij afgeschud tijdens mijn schitterende loopbaan als razende reporter, met het Midden-Oosten en Noord-Afrika als dramatisch decor. Nou lees ik dus dat de spellenfabrikant van De kolonisten van Catan overspoeld werd door klachten van de Wekker-achtigen.

Ik citeer het Algemeen Dagblad: dat we met deze naamgeving teruggingen naar de oude, blanke roots. Dat soort ongein. We werden gewezen op de negatieve aspecten van het Nederlandse koloniale verleden. Het woordje ‘kolonisten’ heeft een nare bijsmaak. Daar wilden we van af.”

De spellenfabrikant kreeg onder meer kritiek uit pro-Palestijnse hoek. “Sommige mensen stelden dat we hiermee steun gaven aan de bouw van Joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, een moderne vorm van kolonisatie. Maar dit spel is echt niet bedoeld om politiek te bedrijven.”

De laatste jaren is het debat over de koloniale geschiedenis van Nederland fel opgelaaid. Eind vorig jaar stelde een Rotterdams kunstcentrum nog voor om een streep door haar naamgever te zetten, de ‘foute’ zeeheld Witte de With. Ook moesten de Amsterdamse Coentunnel, de Gouden Koets en VOC-schip de Halve Maen, de Negerhut van ome Tom, het beeld van Michael de Ruyter in Vlissingen, de Zoeloelippen in Kuifje (deel één), de attracties van de Efteling en mijn helden Sjors en Sjimmie het ontgelden. Volgens tegenstanders zijn dat stuk voor stuk iconen uit een periode van koloniale uitbuiting en slavernij.

VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff – die het Catan-spel vaak heeft gespeeld – vindt de naamswijziging ‘verkrampt’. “Je zit met houten blokjes routes te maken en je handelt in kaartjes met daarop wol, steen en hout. Tijdens het spel heb ik nooit de link gemaakt met andere culturen of het koloniale verleden.”

Overigens vind ik Klaas Dijkhoff een lekkere vent, terwijl ik niet eens homofiel ben, en hij vermoedelijk ook niet, al weet je dat maar nooit bij Brabanders. Klaas lijkt mij vooral heel gezellig, anders speel je geen Kolonisten van Catan. Misschien doet ie af en toe gek en gaat ie lekker naar het Cultuur- en Ontspannings Centrum (C.O.C.) in Breda, meespelen in de competitie De Kolonisten van Catan voor Nudisten die de Griekse beginselen zijn toegedaan.

En dan nu de portee van mijn cursiefje: het moet opgehouden zijn met dit zielige gedonder, beste vrienden, met deze weerzinwekkende taalzuiveringen.

Zelfs onder de Duitse bezetting mochten we onze eigen spelletjes en straatnamen behouden.

De Tupperware-bende van Wekker, Sunny, Anja en ‘les autres’ haalde ternauwernood 5000 stemmen. Zonder die geweldige invalburgemeester had Syllie nooit die restzetel gehad, daar durf ik om te wedden.

Professor Wekker sleepte vier stemmen binnen terwijl ze elke dag in de media was, twee jaar lang!

Het leeft dus helemaal niet onder de bevolking, dat gemekker van Wekker. Kappen dus! Enfin, ik ga eens informeren wanneer dat kampioenschap Naaktlopende Kolonisten van Catan is. Iemand het nummer van Klaas?

Meer Arthur van Amerongen? Volg ons op Facebook