Renate Dorrestein (1954-2018): ‘Hoe erger het toegaat, des te meer moet er worden gelachen’

Tom Kellerhuis 7 mei 2018 Cultuur

Renate Dorrestein is vrijdag op 64-jarige leeftijd overleden. In 1996 onderwierp HP/De Tijd de gelauwerde schrijfster – toen 42 – aan honderd vrijpostige vragen.

Wanneer heb je je voor het eerst verdiept in de positie van de vrouw?
“In 1972 werd ik verslaggeefster bij Panorama, achttien jaar oud. Ik was het eerste meisje in de geschiedenis van dat blad en kwam terecht tussen alleen maar oudere mannelijke collega’s; een milieu waarin ik heel snel kon radicaliseren. Ik was niet getrouwd, ik hoefde me niet te ontworstelen aan een gezin. Ik kon zo in de trein van het feminisme stappen, stond als het ware op het gelukkigste moment in de geschiedenis op het perron.’’

Dat je in die trein stapte, had dat louter te maken met de mannenwereld van Panorama?
“Dat is wel heel bepalend geweest.”

En niet het ruimdenkende katholieke gezin waaruit je komt?
“Een heel klassiek gezin: een altijd-weg-vader en een moeder die daar eigenlijk geen genoegen mee nam, maar het maar te slikken had. Drie meisjes en een jongen. Mijn broertje heeft in zijn hele jeugd nooit zijn bed hoeven opmaken.

Vond je moeder dat niet vreselijk, zo’n feministische dochter?
“Dat geloof ik niet. Ik heb wel vaak gedacht dat het voor de moeders van onze lichting enigszins zuur geweest moet zijn, dat hun dochters absoluut niet in hun voetsporen traden. Anja Meulenbelt zei eens: ‘De vrouwenbeweging was een beweging van dochters.’”

Verschil je dan nu zoveel van je moeder?
“Ik schrik vaak van de overeenkomsten. Ik merk dat ik de aardappels afgiet op dezelfde manier waarop zij dat doet.’’

Is het dan niet prettig te weten hoe je de aardappels moet afgieten?
“Het is handige bagage – maar daar waren wij niet mee bezig. Wij zongen woeste liederen: ‘Wij balen van ballen.’”

Daar baalden jullie toch helemaal niet van?
“Wat dat betreft zijn feministen vaak verkeerd begrepen. Wij namen mannen bij uitstek serieus en zagen ze niet aan voor kleine kinderen, wat de traditionele vrouw tot op de dag van vandaag doet.’’

Kreeg je voet aan de grond bij je Panorama-collega’s?
“Ik had een ontzettend grote mond. En zij hadden zoiets van: ach, we geven dat kind een kans.’’

Heb je er veel geleerd?
“Het zijn zeer vormende jaren geweest. Maar op een gegeven moment drong tot mij door dat ik in een totaal verkeerd Umfeld zat met mijn bevlogen boodschappen.’’

Had je een idee wat je wél wilde?
“Ik denk dat ik de journalistiek ben ingegaan omdat ik als kind in de Volkskrant de columns van Saartje Burgerhart las. Fantastisch. Dat wilde ik ook wel.’’

Hoe ben je columnist geworden?
“Hedy d’Ancona vroeg me een column voor Opzij te schrijven en na een paar jaar vroeg Arie Kuiper: ‘Wil jij de Renate Rubinstein van De Tijd worden?’ Toen werd mijn droom verwezenlijkt.’’

Wat is een goede columnist?
“Iemand die een geëxtrapoleerd standpunt inneemt en alles aansleept om zijn gelijk te halen; bewijzen uit het ongerijmde, het kan niet bommen.’’

Wat is je felste column geweest?
“Ik heb veel woede over me uitgeroepen door te beweren dat getrouwde vrouwen ‘moffenhoeren’ zijn. Dat kon ik erg goed uitleggen.’’

Waar kwam die scherpe pen vandaan? Van je vader, je moeder of van Gerard Vermeulen, destijds Panorama’s hoofdredacteur?
“Beslist niet van Vermeulen. Het ligt voor de hand dat mijn vader het juiste genenmateriaal heeft bezorgd. Maar al dat verzet en dat – o God – overal voor te paard willen, dat heb ik van mijn moeder.’

Schreef je naast je columns proza?
“Dat deed ik al jaren. Ik schreef elk jaar een boek en stuurde dat naar alle uitgevers – zonder succes. In 1983, met Buitenstaanders, lukte het ineens wel. Daarin had ik een eigen stem gevonden en kwam ik erachter dat ik de baas was in mijn boek.’’

Dat was je in je columns toch ook?
“Maar ik had nog nooit die omslag gemaakt naar de roman. Ik was geneigd erg plechtstatig te schrijven en erg saai.’’

Voelde je enige verwantschap met collega-schrijvers?
“Kurt Vonnegut heeft mij over de streep getrokken. Toen ik voor de zoveelste keer Slaughterhouse Five las, drong het tot me door: een fantastische mengeling van het banale en het verhevene, van ernst en luim, op zo’n eigen manier gedaan dat ik dacht: zo kan het dus ook.’’

Heb je jezelf door je Angelsaksische manier van schrijven, met veel ironie en weinig emotie, niet een beetje buiten de Nederlandse literatuur geplaatst?
Your words, not mine. Ik weet dat die opvatting over mij bestaat, maar ik deel haar niet.’’

Waarom niet?
“Ik kan slecht onderscheiden wat mijn boeken buitenissiger maakt dan andere boeken. Ik ga er 150 keer doorheen, schiet echt nergens in de lach, en denk nooit: God, wat ben ik leuk.’’

Je weet zelf toch wel wanneer een passage grappig is?
“Zeker, maar in de praktijk kom ik vaak veel hilarischer over dan ik nastreef. Ik heb de neiging het hele leven als één grote slapstick op te vatten.’’

Waarom niet als één grote tragedie?
“Omdat ik mij niet wens te laten verlammen. Hoe erger het toegaat, des te meer moet er worden gelachen. Daar heb je meer aan dan aan jaren wenen.’’

In Heden ik schrijf je met veel zelfspot over de ziekte ME (myalgische encephalomyelitis), die je zes jaar geleden heeft getroffen. Waarom ben je erover gaan schrijven?
“Uit verontwaardiging.’’

Dus toch uit ernst?
“Ernst en spot sluiten elkaar toch niet uit? Ik dacht: dit is zo idioot, als het mij overkomt, overkomt het dus ook vele anderen. En ja, ik heb een openbare stem.’’

Ben je een wereldverbeteraar?
“Zeker. Toen ik ziek werd, was ME nog tien keer zo omstreden als nu: mensen werden de spreekkamers uitgelachen. Voor veel artsen had Heden ik iets van: wacht even, die vrouw opereert in de openbaarheid, zij kan het zich niet veroorloven een aanstelster zijn.’’

Was het niet raar van een feministische voorvechtster opeens een boegbeeld van de ME-patiënten – een heel ander volksdeel – te worden?
“De overeenkomst is juist heel erg groot. Het heeft allemaal te maken met macht en machteloosheid.’’

Krijg je nooit genoeg van al dat geweeklaag?
“Misschien interesseert mij dat juist wel. En ik heb toch nooit gezegd dat ik de nationale ombudsvrouw op het gebied van ME ben? Ik heb ervoor gezorgd dat die ziekte uit haar apocriefe hoek kwam. Aan de andere kant: stel je voor dat ik mij over elk onderwerp waarover ik een boek schrijf, maatschappelijk zou moeten manifesteren.’’

Dat wil je allemaal niet aan je hoofd hebben?
“Vroeger, toen ik jong en gezond was: graag. Nu kan het gewoon niet meer.’’

Je hebt maar vijf uur energie per dag. Hoe zien die uren eruit?
“’s Ochtends ben ik op mijn best. Ik sta tegen tienen op; tot twee uur kan ik alles toen wat ik wil. Dan slaap ik tot vier of vijf uur en dan hangt het ervan af hoeveel pep ik nog heb. ’s Avonds om tien uur duik ik mijn bed weer in.’’

Lange tijd kon je bijna niks eten. Ben je van dat strenge boekweitdieet af?
“Ik ben nog voor een paar dingen allergisch – zoals zuivelproducten.’’

En hoe zit het met de alcoholische versnaperingen?
“Een paar borreltjes af en toe kan tegenwoordig weer.’’

En autorijden in die oude, rode Toyota van je?
“Dat kan ook weer, hoewel ik nooit de grote weg opga. Maar er gaan maanden voorbij dat ik het erf niet verlaat.’’

Toch een hele vooruitgang met een paar jaar geleden?
“Het verschil is enorm. Ik kon niks meer. En er zijn incidenteel nog steeds zulke perioden. Dan denk ik: o jee, het begint weer van voren af aan.’’

Heb je dood gewild?
“Ja, absoluut.’’

Geprobeerd ook?
“Nee, dat kon ik mijn ouders niet aandoen: zij hadden al een kind door zelfmoord verloren – mijn zuster. Maar ik ben erg wanhopig geweest.’’

Is het niet vermoeiend er telkens maar weer over te moeten praten?
“Het is net als met het feminisme: hoe kan ik niet geïnteresseerd zijn in zaken die onlosmakelijk tot mijn biotoop behoren?’’

Maar er zijn talloze andere thema’s: de dood, de liefde. Hoe ziet bijvoorbeeld het liefdesleven van een ME-patient eruit?
“Dat is er op het moment niet – een half jaar geleden ging het uit tussen mij en mijn vriend. Ik kan alleen maar zeggen dat ik het mis. Het leven is veel leuker als je een minnaar hebt.’’

Je noemt hem een minnaar. Had je er soms meer?
“Het was geen partner: we woonden niet samen.’’

Waarom ben je nooit getrouwd?
“Daar heb ik nooit enige aandrang toe gevoeld.’’

En een minder traditioneel huwelijk?
“Waarom? Elke keer dat ik verliefd was, dacht ik: dit is de ware, met hem wil ik de rest van mijn leven doorbrengen. Maar luttele maanden later was dat totaal over. Ik ben helemaal niet trouw, niet monogaam. Ik leg dat mijzelf niet op en eis het niet van ander.’’

Ben je een nymfomane?
“Tussen monogamie en nymfomanie zit nog een heel andere wereld. Ergens in dat gebied opereer ik.’’

Wel altijd één minnaar tegelijk?
“Ach, hoe het zo uitkomt. Wat het leven op je pad brengt.’’

Hoe kun je een rijk seksueel leven hebben als je zo ziek bent?
“Dat het zo goed te combineren viel, heeft mij ook verbaasd.’’

Knapte je er misschien van op?
“Ik lag toch al in bed, ik was toch al horizontaal georiënteerd. Seks is bij uitstek iets waarbij je de volledige rijkdom der dingen beleeft – goeie seks tenminste. Als je leven verder tamelijk kaal is, is het een fantastische compensatie.’’

Had je daar dan wel energie genoeg voor?
“Je kunt erg prettig bemind worden zonder eigen energie: gewoon gaan liggen en hij doet zijn best maar. Dat datzelfde haperende lichaam me zoveel plezier en genoegen kon verschaffen, was een van de grootste godsgeschenken.’’

Was het voor je minnaar niet moeilijk – én feministe én ME?
“Geen van tweeën is besmettelijk, hoor. Hij had mijn werk nooit gelezen. Bovendien leerde hij me kennen als een dweil en dacht hij niet: was ze maar weer haar oude zelf.’’

En daarvoor: mannen die jou wel leuk vonden maar je eigenlijk niet zagen zitten om wat je schreef?
“Toen ik een baan bij Opzij kreeg aangeboden, zei mijn toenmalige minnaar: ‘Als je die baan neemt, ben je me kwijt.’ Ik heb de baan genomen.’’

Heb je ooit kinderen gewild?
“Ik heb mij op mijn 23ste laten steriliseren. Ik wilde geen moeder zijn en ik had geen zin om mijn hele leven voorbehoedsmiddelen te moeten gebruiken of regelmatig in zak en as te moeten zitten.’’

Nooit spijt van gehad?
“Nog niet. Kan nog komen.’’

Je schrijft toch tamelijk vaak over kinderen?
“Ik ben dol op kinderen, niet op hun ouders.’’

Ben je nog katholiek?
“Ik voel me nog katholiek.’’

Praktiserend?
“Ik ga elk jaar op Aswoensdag een kruisje halen en kom af en toe in de kerk.’’

Nooit van je geloof gevallen?
“Nee. Maar ik denk niet dat God zich zo persoonlijk met mij bemoeit. Als kind dacht ik dat je hem door het gebed even om aandacht kon vragen. Dat geloof ben ik verloren: ik bid om mezelf te troosten.’’

Vaak?
“Ja. Door te bidden krijg ik het gevoel dat ik onderdeel ben van iets veel groters.’’

Huilde je veel?
“Hou op: oceanen. Jarenlang, echt elke dag. Zo vaak dat de tranen nu op zijn.’’

Ben je harder geworden?
“Dat weet ik nog steeds niet. Of smart nou verhardt, zoals J.A. Dèr Mouw zegt, of toch niet.”

Heeft het succes van je boeken je geholpen bij de verwerking van je ziekte?
“Zou er een verband zijn? Ik heb me meer altijd zeer bevoorrecht gevoeld dat ik niet alles kwijt hoefde te raken.”

Je bedoelt: het schrijven?
“Die ziekte heeft mijn repertoire verruimd. Personages en thema’s waar ik anders niet op gekomen was.”

Je verdient al jaren behoorlijk met je werk. Wat heb je met al dat geld gedaan?
“Niets. Dat heeft me dus in staat gesteld dit huis te kopen. Ik heb alles op de bank gezet.”

Zo’n half miljoen per jaar?
“Nee, hoor.”

Drie ton?
“Ga je som nog maar eens opnieuw maken.”

Gemiddelde verkoop per boek: honderdduizend exemplaren?
“Welnee. Hooguit vijftig-of zestigduizend.”

Had je deze prachtige Aerdenhoutse villa kunnen kopen als je gezond was geweest?
“Dan had ik die financiële back-up niet gehad. Ik heb jarenlang geen cent uitgegeven. Ik ging niet op vakantie, ik had geen dure auto. Het geld ging gewoon niet op.”

Was dat vroeger anders?
“Ik liet het ontzettend makkelijk rollen. Ik ben nu pas gaan beseffen wat een compensatie geld eigenlijk gaf. Want wat deed je als je baalde? Je kocht een mooie bos rozen. Of een middagje shoppen en je voelde je weer hartstikke pico — ik kan nu nooit meer toegeven aan dit soort impulsen.”

Hoe shop je nu dan?
“Ik laat mijn kleren kopen door een vriendin.”

Bijvoorbeeld iets roods in die en die maat?
“Bijvoorbeeld. Die vriendin doet het voorwerk: zij laat in één winkel twee of drie dingen weghangen en haalt mij dan op om te passen. En zíj beslist uiteindelijk. Want beslissen gaat ook moeilijk.”

Je koopt als het ware je gemak?
“Als ik twee vazen en een gietertje nodig heb, laat ik de Ikea-gids opsturen. Ik bel de boodschappen door aan een scholier. De firma James komt een keer per maand met kratten Spa en poezeneten. Al die praktische dingen zijn goed op te lossen, als je het je tenminste kunt veroorloven.”

Kost het veel geld?
“Ziek-zijn kost ontzettend veel geld. Je zoekt voor alles de eenvoudigste en dus duurste oplossing.”

Hoe ziet de ideale man eruit?
“Dat is zo’n bizarre vraag, die wordt alleen aan mij gesteld. Alsof ik daar de hele week van wakker lig.”

Krijg je vaak dit soort vragen?
“Altijd. En wat ook altijd wordt gevraagd: of ik misschien wel een man had willen zijn.”

Heb je ooit niet zelf geroepen dat je te veel man bent?
“Ik riep wel eens dat ik als man vast ook een klootzak zou zijn. Het is erg moeilijk voor mannen het klootzakkendom te vermijden in een wereld die ze daar zoveel kans toe geeft.”

Jij gelooft niet in een echt verschil tussen mannen en vrouwen?
“Het is heel moeilijk om er niet in te geloven. De interessante vraag is waar het verschil vandaan komt: nurture of nature.

We hebben nu eenmaal toch mannen en vrouwen?
“Laten we eens ophouden dat te roepen. Wij zijn gaan denken dat seks oorlog is. Een van de aannames van het feminisme is nu juist dat je moet kijken naar de verbindende factoren en naar elkaars goede kanten.”

Zijn we zo langzamerhand niet uit-geëmancipeerd?
“Over Joost Zwagerman werd geschreven dat hij de kroonprins van de Nederlandse letteren is. In dezelfde tijd kwam De virtuoos van Margriet de Moor uit — dat boek is terecht de hemel in geprezen. Maar niemand komt op de gedachte haar de kroonprinses te noemen. Daar kun je iets uit opmaken.”

Jij rookt zware Brandaris, drinkt jonge jenever. Hoort dat bij het feminisme, dit typisch mannelijke gedrag?
“In de vrouwenbeweging werd juist niet gerookt. Daar ga je dus weer: denken dat er een voorgeschreven gedrag bestaat voor mannen en vrouwen.”

Of deed je het om je ergens tegen af te zetten?
“Ik heb altijd zware shag gerookt. Ik heb wel op een gegeven moment gedacht: nu raak ik op respectabele leeftijd; nu moet ik overgaan op een bekend filtertje. Maar die zijn niet lekker.”

Wat was jouw drijfveer om te gaan schrijven?
“Ontsnappen aan de werkelijkheid. Het had te maken met mijn journalistieke werk in Afrika en Azië: ik was heel jong toen ik oog in oog kwam te staan met oorlog en hongersnood. Ik denk dat mijzelf geestelijk gezond heb gehouden door daarnaast de fantasiewereld in te gaan.”

Heb je nooit de behoefte gehad ook een voorvechtster van de Derde Wereld te worden?
“Je kunt je wel over van alles opwinden, maar ik zat in Haarlem boven op het grootste onrecht aller tijden: het feit dat mannen en vrouwen niet hetzelfde soort leven kunnen leiden.”

Is het niet ironisch dat de mannen tegen wie je je vroeger bij Panorama afzette, je tegelijkertijd ook gevormd hebben?
“Dat is wel mooi in het leven. Dat het probleem en de oplossing zo vaak in elkaar besloten liggen.”

Het heeft je tevens mondig gemaakt?
“Maakt niet elke vorm van emancipatie je per definitie mondig?”

Dankzij Panorama ben je nu zoals je bent?
“Dat zullen we dus nooit zeker weten. Ik schreef al boeken voordat ik in de journalistiek kwam. Ik heb veel langer geoefend als schrijver dan als journalist.”

Verraden je columns, gebundeld in Korte metten, niet een beetje dat Panorama-toontje? Alleen al zo’n woord als ‘tussen-beens’?
“Dat is een woord dat ik heb gemunt. Het wordt nu allerwegen gebruikt tot en met Koot en Bie. Het bestond niet tot ik het uitvond.”

Was je taalgebruik in die columns toch niet ietwat te popi-jopi?
“Als ik die columns teruglees, rijzen de haren mij te berge. Ze verkopen nog steeds, maar ik vind ze verschrikkelijk gedateerd.”

Wanneer komt het emotionele vervolg op Heden ik?
“Daar wordt kalm en doelbewust naar toegewerkt. Per boek lukt het beter. Ik deinsde er lange tijd voor terug, uit angst dat het sentimenteel werd, een zigeunermeisje met een traan. Die angst verlies ik gaandeweg.”

Gaat de ernst in de toekomst belangrijker worden dan de luim?
“Alsof het een het ander uitsluit. Ik zou over mijn eigen doodsbed nog een klucht kunnen schrijven. Dat we ergens om moeten lachen wil niet zeggen dat we er ook niet om kunnen huilen.”

Ook je laatste boek Verborgen gebreken is weer jolig van toon, waardoor de verschrikkelijke waarheid je bijna ontgaat. Is dat wel de bedoeling?
“Hanneke Groenteman zei tegen mij: ‘Ik heb zo genoten van het boek, ik heb zo gelachen, en toen ik het uit had werd ik er helemaal beroerd van.’ ‘Dan heb je een heerlijke leeservaring gehad,’ zei ik.”

Is Verborgen verbreken een vrouwenboek?
“Het gekke is dat als ik een boek schrijf over een meisje en een vrouw, dan zeg jij en zeggen velen met jou: dit is een vrouwenboek.”

Zit dat je dwars?
“Misschien omdat ik het gevoel heb dat het nogal discutabel is. Als Harry Mulisch Twee vrouwen schrijft, zal niemand dat een vrouwenboek noemen.”

Mulisch is geen feministe. Jij wel. Zou het daardoor komen?
“Dan kun je dus zeggen: Hier zijn buitenliteraire criteria aan het werk.”

Voordat je ziek werd, stond je bekend om je werkdrift. Was het moeilijk de meeste werkzaamheden te laten varen?
“Dat was vreselijk. Ik had het gevoel dat een groot deel van mijn identiteit verloren ging.”

Je werkt nog steeds als een paard – hoe kan dat met zo’n slopende ziekte?
“Ik schrijf een boek per jaar, en dat is ook het enige.”

Doen de meeste schrijvers dat niet?
“Die doen daarnaast nog een heleboel andere dingen. Voor iemand die niet helemaal fit is, is schrijven een uitgelezen professie. Hoe minder je aan je kop hebt, hoe beter dat voor het boek is.”

Nogmaals: hoe lukt dat je met hersenen van griesmeelpap?
“Nou, dat hoofd is stukken beter dan het was.”

Maar je publiceert al jaren met enorme regelmaat. Je schrijft toch wel meer dan twee regels per dag?
“Dertien bruikbare regels per dag, heb ik eens uitgerekend. De gemiddelde Nederlander die naar de Maggifabriek moet, doet meer. Er hangt ten onrechte een geur van heiligheid rond creatieve beroepen.”

Ga je er nog wel eens op uit?
“Daar word ik zwaar voor gestraft. Ik kan het risico niet nemen dat ik door een uitspatting weer een maand in bed lig.”

Het roken heb je nooit opgegeven — je stoomt als een trein. Moet je daar eigenlijk ook niet mee stoppen?
“Ik heb met God afgesproken dat als ik beter word, ik dan ophoud. Maar eerder hoef ik dat niet te proberen. Eén zonde hebben mag.”

Wat is in jouw toestand ‘uitspatten’?
“Als er de komende twee weken niets in de agenda staat, durf ik het risico te nemen. Ik ben dus pas — een hoogtepunt — naar de film geweest. James Bond.”

Er is niets aan dit huis dat duidt op een mindervalide bewoonster. Ben je nog wel ziek?
“Ik heb weer zestig procent van mijn krachten terug. En het is godzijdank stabiel.”

Hoe groot is de kans dat je helemaal beter wordt?
“Ik ben nu zo vreselijk optimistisch; dit kan alleen maar in tranen eindigen. Ik heb het gevoel dat ik het ergste heb gehad.”

Dan komt de oude Dorrestein weer terug?
“Sommige ervaringen veranderen een mens nu eenmaal blijvend.”

Dus?
“Niet dus.”

Reageer op artikel:
Renate Dorrestein (1954-2018): ‘Hoe erger het toegaat, des te meer moet er worden gelachen’
Sluiten