Genderbende: waar eindigt de emancipatie-escalatie?

Sociologe Emma Brunt over gender

De jaren zeventig zijn terug van weggeweest: weer slaat iedereen als een gek aan het emanciperen. Neem het besluit van de rechtbank in Limburg om een derde gender toe te staan in geboorteaktes. Ineens moeten de miniemste verschillen door staat en medeburgers erkend worden. Waar eindigt de emancipatie-escalatie?

Het is inmiddels zo’n jaar of veertig geleden dat mijn toenmalige buurman Henk, een kalende autoverkoper met wie ik nooit meer dan een knikje had uitgewisseld, plotseling op de stoep stond en aankondigde dat hij ons – mijn partner en mij – dringend iets moest vertellen dat wel even kon duren. Wilden we daar wat tijd voor vrijmaken op deze zondagmiddag, een uurtje of zo?

Daar zeg je natuurlijk geen nee op, maar inderdaad, dat gesprek liep nogal uit. Ettelijke uren later hadden wij zijn hele levensgeschiedenis te horen gekregen, die bleek te culmineren in de beslissing om in de week daarop van ‘Henk’ te veranderen in ‘Hanny’, zodat we ons er mentaal op konden voorbereiden dat we hem/haar met ingang van maandag in de straat zouden zien verschijnen in deze gloednieuwe gedaante: met een jurk aan en een blonde pruik op.

Hij kon zich namelijk goed voorstellen dat we daar raar van zouden opkijken. Wij, van onze kant, liepen over van begrip en konden hem met de hand op ons hart verzekeren dat we tegen die schok wel opgewassen dachten te zijn, maar zo gemakkelijk kwamen we er niet van af. Geen detail bleef ons bespaard.

We kregen de hele levensgeschiedenis van de buurman te horen, die bleek te culmineren in de beslissing om in de week daarop van ‘Henk’ te veranderen in ‘Hanny’.

Te beginnen met het besef, al heel jong, dat hij ‘in het verkeerde lichaam geboren was’, wat er in de puberteit toe leidde dat hij alle hormonale veranderingen die zich in dat wezensvreemde lichaam voltrokken – de baard in de keel, haar op zijn borst – een kwelling vond, en dat hij zich totaal geen raad wist met de verwachting dat hij belangstelling moest gaan tonen voor meisjes.

Met alle gevolgen van dien voor zijn latere liefdesleven: hij was nooit naar behoren getrouwd, zoals zijn broertjes en zusjes wel gedaan hadden, en hij was als enige heel lang bij zijn hoogbejaarde moeder thuis blijven wonen. Tot ze stierf en hij tegen heug en meug een eigen huishoudinkje had opgezet in een rijtjeshuis bij ons om de hoek, waar het al met al dus een tamelijk eenzame, troosteloze bedoening was geworden.

De omslag was pas gekomen toen hij voor het eerst iets hoorde over het begrip ‘transseksualiteit’ en over een mogelijke behandeling bij het genderteam van het VU Medisch Centrum in Amsterdam, waar artsen zaten die geslachtshormonen konden voorschrijven en eventueel ook bereid waren tot een chirurgische ingreep om hun cliënten (m/v) aan de ‘juiste’ lichamelijke kenmerken te helpen: een échte penis of een échte vagina. Met toebehoren uiteraard, of juist niet, want borsten hoorden er ook bij, of moesten er juist af, en als man had je dan ook nog van die dingetjes als baardgroei en een geprononceerde adamsappel.

Enfin, de lijst met alle benodigde ingrepen was lang en klonk niet aangenaam. ‘Ombouwen’ was de term die Henk/Hanny daar kortheidshalve voor gebruikte. Maar voordat het zover was, eiste het genderteam dat de cliënt in kwestie een paar maanden daadwerkelijk ging leven als iemand van het andere geslacht, om te verifiëren of de wens diep genoeg zat, en of hun cliënt zo’n drastische omschakeling in psychisch en sociaal opzicht aan zou kunnen. En zo kwamen mijn partner en ik er dus aan te pas, want deze coming-out was verplicht en álle buren moesten geïnformeerd worden.

De tekst loopt hieronder door. 

Gender
Beeld: Shutterstock

Ja, ook die van veel verderop in de wijk, want Henk/Hanny was van plan om het grondig aan te pakken en wilde bovendien het gerucht ontzenuwen dat er midden in de nacht weleens een blonde vrouw bij hem naar binnen sloop, via de brandgang achter de tuinen, want die vrouw… ja, we hadden het al geraden, die vrouw was hij zélf. Het bleek zijn favoriete mantra te zijn, altijd met een soort denkbeeldig tromgeroffel en geweld van paukenslagen over het voetlicht gebracht: “De vrouw die ik al die jaren had gezocht, bleek ik zelf te zijn!” En dan begon Henk/Hanny van verrukking te stralen, alsof hij een kerstboom was waarvan alle lichtjes plotseling aan gingen. Zo stelde ik me voor dat puur geluk eruitzag.

Datzelfde zinnetje zou ik overigens nog heel vaak horen, want ik besloot ter plekke om over zijn transformatie te gaan schrijven en de komende tijd met hem mee te gaan naar de werkgroep T&T (travestie en transseksualiteit) van de NVSH in Utrecht, waar een handjevol lotgenoten maandelijks bijeenkwam om ervaringen en tips uit te wisselen. Waar je damespumps in maat 43 kon kopen bijvoorbeeld en of elektrolyse een aanrader was als je definitief van die vermaledijde baardgroei verlost wilde zijn.

Voor iemand als ik, ‘bij de geboorte gezien als meisje’ (zoals de gemeente Amsterdam onlangs stipuleerde dat het geslacht van een baby voortaan zal worden omschreven, in een verrassende opwelling van identiteitspolitieke correctheid) waren die T&T-avondjes een schier buitenaardse belevenis. Alle deelnemers, zowel de travestieten als de transseksuelen, waren mannen. Mannen die ieder op eigen wijze naar diverse biologische kenmerken en/of attributen van het vrouw-zijn verlangden, en het kostte me soms enige moeite om na te voelen wat daar zo fantastisch aan was.

Juist die obsessieve ‘bewijsdrang’ maakte een transseksueel tot datgene wat hij naar eigen zeggen nu juist níet was, namelijk een man.

Het schuchterste lid van dat praatgroepje was bijvoorbeeld een man die experimenteerde met vrouwenkleding, en zich bevend van angst en opwinding aan het begin van de avond ging omkleden op de wc en zich vervolgens weer bij het gezelschap voegde in een rokje van spijkerstof waar hij netkousen onder droeg. Geen enorme ingreep zou je misschien denken, maar zijn volle zwarte baard – die hij vooralsnog niet wilde afscheren – maakte hem toch tot een vrij opmerkelijke verschijning. Later, als hij nog meer had leren durven, wilde hij in die outfit ook een keer boodschappen gaan doen in de supermarkt.

Naar dat moment leefde hij toe. Wat mij toen opviel, was dat de transseksuele mannen – in feite échte vrouwen dus, in eigen beleving en presentatie – er niet over uitgepraat raakten dat ze heus, ja heus… enzovoort. De enige vrouw die het daar nooit over had was ik, voor mij sprak het namelijk vanzelf, en ik kreeg oog voor de paradoxale situatie dat échte vrouwen het niet nodig vonden om hun geslachtelijke identiteit voortdurend uit te dragen.

Juist die obsessieve ‘bewijsdrang’ maakte transseksuelen tot datgene wat ze naar eigen zeggen nu juist níet waren, namelijk een man. Of, op zijn allerbest, tot een man-in-transitie. Als het werkelijk de bedoeling was om te zijner tijd te veranderen in wat ze innerlijk al meenden te zijn, een doodgewone vrouw, zo’n vrouw die aan niemand iets hoeft uit te leggen, dan zouden ze toch een keer moeten afkicken van dat oeverloze gepraat erover.

Of was dat juist een deel van de bekoring, voor mijn Henk/Hanny bijvoorbeeld? De mogelijkheid om je als – laten we eerlijk zijn: vrij saaie – autoverkoper opeens te profileren als iemand met een dramatische, om niet te zeggen theatrale levensloop, in de veronderstelling dat alle omstanders dat even fascinerend zouden vinden als jijzelf?

Ik vond dat een tamelijk storend, narcistisch trekje, misschien wel begrijpelijk in het licht van alle pijn en moeite die het kostte om ook in het oog van de buitenwereld erkenning te krijgen voor dat o zo essentieel geachte vrouw-zijn, maar op den duur wel erg vermoeiend. Om niet te zeggen irritant.

Ik dacht stiekem weleens dat mannelijke transseksuelen ergens in hun jeugd de misvatting hadden meegekregen dat vrouwen alles cadeau kregen.

Het stond in ieder geval haaks op mijn eigen pogingen tot bewustwording in die tijd, want ik maakte deel uit van de vrouwenbeweging en daar was juist het besef doorgedrongen dat je je als vrouw zo los mogelijk moest zien te maken van al die stereotiepe verwachtingen en gedragsvoorschriften met betrekking tot ‘vrouwelijkheid’ die vrouwen leerden onderkennen als een last en een beperking. Die verwachtingen worden nu gender genoemd: het hele complex van (dwingende) sociale en culturele opvattingen over de verschillende rollen die mannen en vrouwen dienen te spelen, zowel in hun persoonlijk leven als in de openbare sfeer.

Daar zat ik dan, met mijn feministische ideeën over een toekomst waarin het biologisch bepaalde geslacht niet langer maatgevend zou zijn voor wat bevrijde, gelijkwaardige mannen en vrouwen van hun leven konden maken, ook maatschappelijk gezien, en probeerde me te verplaatsen in de denkwereld van mannen die niets liever wilden dan trouwen met een lieve echtgenoot, bij voorkeur een weduwnaar met kinderen (want een baarmoeder kon het genderteam van de VU helaas niet leveren) om zich vervolgens te kunnen wijden aan activiteiten als bloemschikken, truitjes breien en make-uptips uitwisselen met de buurvrouw.

Kortom, tuttigheid troef. En ik dacht weleens, stiekem, dat mannelijke transseksuelen ergens in hun jeugd de misvatting hadden meegekregen dat vrouwen alles cadeau krijgen, terwijl mannen gedoemd zijn om kostwinner te worden en voortdurend van alles moesten presteren, zowel in bed als daarbuiten. Waarbij ze voor het gemak wel even vergaten dat het alleen jonge, uitzonderlijk mooie meisjes is gegeven om te schitteren in een carrière als trophy wife van een rijke man, en dat het genderteam ook dáár niet in kon voorzien.

Als ik er nu op terugkijk – in het licht van de recente verwarring over transseksuelen, transgenders en al die andere gender uïde buitenbeentjes die genderneutrale openbare toiletten eisen en op een genderneutrale manier aangesproken wensen te worden, zonder in (binaire, jakkes!) ‘hokjes’ gestopt te worden op basis van zoiets onbeduidends als biologisch geslacht – dan valt me vooral op dat het in de jaren zeventig en tachtig nog niet chic werd gevonden om met iets transgenderachtigs te koop te lopen.

Met een uitzonderlijke identiteit, zal ik maar zeggen, dus beslist niet zoiets huisbakkens als man of vrouw, maar met de keus uit een duizelingwekkend scala van identiteiten tussen die twee polen in. Chic – tegenwoordig zou je dat cool noemen, of cutting edge of zoiets – was het indertijd om een bewust lesbisch geworden voorhoedefeministe te zijn, naar het voorbeeld van radicale koplopers als Anja Meulenbelt of Anneke van Baalen, en het was ook heel salonfähig om een Rooie Flikker te zijn, of op zijn minst om een boezemvriendje te hebben die dat was en op vrijdagavond te gaan dansen in sociëteit De Schakel en later in de iT of in de RoXY. Maar transseksuelen werden toen vooral een beetje sneu gevonden.

Een overheid hoeft zich toch niet te bekommeren om de vraag in welke mate de geachte toehoorders zich kunnen vinden in de biologische sekse die hun bij de geboorte is toegekend?

Als de jaren zestig iets van blijvende waarde hebben opgeleverd, dan is het dat allerlei maatschappelijk achtergestelde groepen – vrouwen, kinderen, mensen met een kleurtje of een migratie-achtergrond – destijds aan de vrijheid hebben geroken en de een na de ander ook de middelen hebben gevonden om hun gerechtvaardigde eisen en gevoeligheden op de politieke en sociaal-culturele agenda te krijgen.

De hele samenleving werd fluïde, om dat postmoderne begrip er nog maar even bij te halen, en veranderde van een langs hiërarchisch lijnen geordende bevelshuishouding in een open structuur, een onderhandelingshuishouding met ruimte voor alle mogelijke individuele en subcultureel bepaalde verschillen. Wat dat betreft lijkt het soms even of ik per ongeluk in een tijdmachine ben gestapt en in de jaren zeventig ben beland, toen iedereen als een gek aan het emanciperen sloeg.

Met dit verschil dat het nu niet gaat om aantoonbaar sociaal achtergestelde groepen, die strijd leveren uit naam van gelijke behandeling en sociale rechtvaardigheid, maar om de kleinzerigheid van mensen die er kennelijk genoegen in scheppen om ook de allerminiemste individuele differentiatie tot Algemeen Probleem te verheffen en te eisen dat alle anderen – de overheid voorop – zich daar vergaand in verdiepen.

Het meest saillante voorbeeld daarvan is natuurlijk de gestaag uitdijende reeks letters die naar een gendervariatie of seksuele voorkeur verwijzen, en waar je inmiddels Wikipedia voor nodig hebt om uit te vissen waar ze op slaan. Tot op heden is het ge- bleven bij LHBTQIAP, als ik me niet vergis, maar die onuitsprekelijke, cijferslotachtige combinatie is beslist voor uitbreiding vatbaar.

Gender
‘Tot op heden is het ge- bleven bij LHBTQIAP, als ik me niet vergis.’ Beeld: Shutterstock

Met de eerste vier letters heb ik overigens weinig moeite, die zijn algemeen bekend, maar wat te denken van de Q (queer, voor mensen die zich met geen enkel genderetiket of seksuele voorkeur kunnen identificeren), de A (aseksueel) en de P (panseksueel)? Wat ik bijvoorbeeld nog mis is een tweede P (polyamoureus, voor mensen die er twee of meer seksuele relaties tegelijk op na willen houden) en de vervaarlijk klinkende BDSM’ers, die geïnteresseerd zijn in Bondage and Discipline en/of in sadomasochistische praktijken.

Die woeker van het allerkleinste verschil, waardoor mensen die verder niets met elkaar gemeen hebben zich opeens in dezelfde afgelegen uithoek van de genderkosmos bevinden, bien étonnés de se trouver ensemble, is van een bekrompen navelstaarderij waar dat T&T-praatgroepje van weleer bij verbleekt. Postmodernisten met een ‘fluïde identiteit’ willen zogenaamd niet in ‘hokjes’ geplaatst worden, en om dat te vermijden bedenken ze er nog tientallen hokjes bij!

En de gemeente Amsterdam heeft daar alle begrip voor en vermaant haar ambtenaren om als het even kan termen als man/vrouw of ‘geachte dames en heren’ te omzeilen. Ja, dat kan natuurlijk. Maar voor wie of wat is dat relevant? Een overheid hoeft zich toch niet te bekommeren om de vraag in welke mate de geachte toehoorders zich kunnen vinden in de biologische sekse die hun bij de geboorte is toegekend?

Of in de seksuele voorkeuren die ze in hun latere leven hebben ontwikkeld, zoals een voorliefde voor hetzelfde geslacht? Je moet volgens mij wel in ernstige mate paranoïde zijn als je meent dat de traditionele aanhef die van dames en heren spreekt speciaal bedoeld is om jou – als panseksuele, polyamorie bedrijvende transgender – apart te zetten en buiten te sluiten. En bovendien gaat dat de overheid ook geen bliksem aan. Maxim Februari wees daar een poosje geleden al fijntjes op door in NRC Handelsblad te noteren dat hij liever ‘meneer’ heet dan ‘transgender’.

Volgens Judith Butler is het niet: ik ben een vrouw en daarom gebruik ik lippenstift, maar: ik gebruik lippenstift en daarom ben ik een vrouw.

De hier gesignaleerde verwarring gaat overigens al een poosje mee, want de gebezigde terminologie – en de gedachtegang erachter – dateert van 1999, toen de Amerikaanse filosofe Judith Butler een boek liet verschijnen dat sindsdien op menig studentenleesplankje te vinden is: Gender Trouble. Een in onnavolgbare orakeltaal geschreven academische verhandeling, die ervan uitgaat dat het biologische geslacht geen ‘feitelijk gegeven’ is, simpelweg af te lezen aan de distributie van X- en Y-chromosomen en een aantal andere daaruit voortvloeiende lichamelijke kenmerken, maar dat het onderscheid tussen mannen en vrouwen veeleer een ‘mentale constructie’ is.

Een artefact dat deel uitmaakt van een (tiranniek, normatief) ‘discours’ en als zodanig moet worden opgevat als een volstrekt willekeurige tweedeling. Evenals gender, dat in haar optiek niet zozeer is wat mensen zijn, of juister: wat ze op grond van sociale en culturele opvattingen menen te moeten zijn, maar louter en alleen wat ze dóen.

Het is volgens haar dus niet: ik ben een vrouw en daarom gebruik ik lippenstift, maar: ik gebruik lippenstift en daarom ben ik een vrouw. In dat kader pleit ze voor het vertonen van subversief en parodistisch gedrag, zoals crossdressing en andere ‘overtredingen’ op gendergebied. Androgynie voor iedereen, daar moet het naartoe.

Vandaar het verondersteld ‘fluïde’ karakter van genderidentiteit, want gedrag is veranderlijk: je kunt ineens besluiten dat je vandaag toevallig meer man bent dan vrouw, terwijl het morgen misschien weer precies andersom is. De sociale werkelijkheid wordt door Butler opgevat als de resultante van dat discours, een direct gevolg van de manier waarop mensen in een bepaalde gemeenschap denken en praten, en is dus een rechtstreeks gevolg van de woorden die ze hebben geleerd te gebruiken. Om aan die sociale werkelijkheid iets te veranderen zou er dus in de allereerste plaats iets moeten veranderen in de taal.

Zie ook het werk van postmodernistische Franse filosofen als Foucault, Lacan en Derrida, of beter: zie dat maar niet, want dat is meer iets voor ‘ingewijden’. Een heremetisch gesloten bastion. Of zoals Stephan Sanders een poosje geleden schreef in zijn column in de Volkskrant: “Vergelijk het met een heel strikt deurbeleid bij de dansclub.”

Vandaar al die rare etiketten en aanspreekvormen waar nu op aangedrongen wordt, want ben je eenmaal into Butler en omarm je haar visie, dan is de verwachting dat je de realiteit naar je hand kunt zetten door de dingen anders te gaan benoemen. Met voorbijgaan aan het feit dat er niets ‘taligs’ is aan het verschil tussen een baarmoeder en een penis, een weerbarstig gegeven dat iedereen onmiddellijk duidelijk zal worden op het moment dat je besluit om samen met een partner aan de voortplanting te beginnen. En ook aan de machtsverschillen in de wereld, aan oorlog of vrede, aan rijkdom of armoede, is bitter weinig te doen als je alleen een taalanalyse tot je beschikking hebt – zoals de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum in 1999 al eens heeft betoogd in The New Republic, in een lekker ‘ouderwets’ feministisch pleidooi voor sociale betrokkenheid en verantwoordelijkheidsgevoel voor de publieke zaak (getiteld ‘The Professor of Parody’). Wat haar betreft kwam Butlers betoog neer op ‘hip defaitisme’.

Bizar genoeg viel dat micro-gesteggel over genderneutraal gemeentebeleid toevallig samen met een SIRE-campagne waarin de biologische en vooral psychologische verschillen tussen jongens en meisjes juist weer de nadruk krijgen, omdat de schoolresultaten van jongens achterblijven bij die van de meisjes en jongens ook aanzienlijk vaker worden gestraft voor ‘probleemgedrag’ of de diagnose ADHD te horen krijgen. Te druk, te rumoerig. Meisjes zijn over het al- gemeen rustiger en doen het daarom beter in ons ‘gefeminiseerde’ schoolklimaat, waar bovendien vaker een juf voor de klas staat dan een meester.

De bedenkers van deze campagne daagden alle ‘opvoeders’ in den lande dan ook uit om zich te buigen over de vraag: “Laat je jouw jongen genoeg jongen zijn?” In het campagnefilmpje werden beelden getoond van vrolijke jongetjes die op dat gebied kennelijk niets tekortkwamen, tomeloos rondrennend in een onverslijtbare broek, of op het punt om uit een boom te vallen. Maar wat dat met de leersituatie in een schoolklas te maken had, werd mij niet duidelijk.

Overbezorgde ouders zijn geen zegen voor een kind, maar dat geldt net zo goed voor de opvoeding van meisjes, zoals al vaker is geconstateerd, onder anderen door de Britse socioloog Frank Furedi. Was die campagne nu bedoeld om zulke helikopterouders op de nadelen van hun aanpak te wijzen, of moesten de juffen en de (schaarse) meesters er inspiratie uit putten om vooral de jongens voor de verandering eens een vuurtje te laten stoken op het schoolplein?

Ten tijde van de tweede feministische golf heeft de opvatting dat elk kind anders is veld gewonnen, en dat ouders en opvoeders er daarom goed aan doen om zo min mogelijk sekse-stereotiepe verwachtingen te verbinden aan het gegeven dat ze met een jongen of een meisje te maken hebben, en dat lijkt mij nog steeds een heel gezond standpunt.

Bovendien luisteren kinderen amper naar wat er tegen ze wordt gezegd, want ze imiteren vooral wat de volwassenen in hun omgeving dóen. En wat ze dan zien, zijn werkende moeders die heel goed in staat zijn om zich buitenshuis te doen gelden, en vaders met papadagen die zowaar hebben geleerd hoe de wasmachine werkt.

Ook bij de SIRE-campagne kreeg ik weer even het gevoel dat de tijd werd teruggedraaid, maar nu niet naar de vrijgevochten jaren zestig en zeventig, maar naar de jaren vijftig, toen het nog heel gewoon was dat jongens hutten bouwden op een braakliggend landje, terwijl hun zusjes hielpen met de afwas. Het kan aan mij liggen, maar ik heb niet het gevoel dat de argumentatie er sedertdien op vooruitgegaan is.

Bovenstaand artikel verscheen eerder in onze meest recente genderspecial.

Meer leuke content? Like ons op Facebook