HP/De Tour: Angst voor de stenen

De Tour de France heeft Frankrijk jaarlijks drie weken volledig in haar greep. Tourkenner en journalist Jeroen Wielaert reist de renners drie weken lang achterna en vertelt u in zijn Tourkronieken het verhaal achter de Ronde.

Mooier, simpeler en dreigender kan het niet: in volle militaire symboliek is het peloton ten strijde getrokken op de Place d’Armes, het enorme binnenplein van de Citadel van Arras. Gistermiddag was het er heel stil. Vogels lieten zich vrolijk horen. Er liep een echtpaar rond. De man had een stadskaart bij zich. Zijn vrouw liep naar een paal met een draaibare tele-kijker en keek erin.

Ik volgde haar voorbeeld. In 3D wordt de situatie van 1678 zichtbaar, als de Citadel bijna voltooid is. Karren staan er, er liggen stapels hout, er wordt nog gewerkt aan de daken. Een begeleidende vrouwenstem wijst op de man in een rode jas die toezicht houdt op de werkzaamheden: het is Vauban, de militaire bouwmeester van Zonnekoning Lodewijk de Veertiende. Zijn Citadel staat op de werelderfgoedlijst van de UNESCO.

Terzijde van het grote plein staat een wat verlopen kapel tussen de bomen. Ik liep er naar binnen. Op elke muur zijn de namen gegraveerd van de gesneuvelden uit de eerste wereldoorlog, met hun  sterfdatum.

  1. Augizeau 9 juni 1918
  2. Dédisse 28 juli 1918
  3. Olivères 24 oktober 1918

J.S Arrante 1 november 1918

Het is heel sneu, als vele anderen hebben ze het eind van La Grande Guerre net niet gehaald, zijn ze gevallen in de razernij van de waanzin.

Op mijn verdere rondgang over het terrein zie ik grote, langwerpige betonblokken dwars op toegangswegen liggen. Ook in dit oude  fort wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de waanzin van nu het op de Tour gemunt heeft.

Van een andere aard zijn de grote gele letters die boven de gracht naast de Porte Royale staan, de klassieke toegangspoort die de renners vandaag uit rijden. Ze vormen de tekst LE TOUR…A LA FOLIE. Het is weer een andere benadering, een ode aan de Gekte van de Ronde.

Dat is dan weer heel vreugdevol, maar is niet het collectieve gevoel in het peloton over wat komen gaat. Op de radio werd veel gesproken over de Peur des Pavés, de Angst voor de Stenen. Die vrees werd al langer stevig opgevoerd. Voor mij was het een déja écouté, ik had het al eerder gehoord.

De Tourgeschiedenis bevat nogal wat lessen over de steenstroken onder Roubaix. Bernard Hinault noemde het ooit un connerie om ze in het parcours van de Tour op te nemen. Totale onzin, bullshit. Hij zei dat nota bene nadat hij in 1981 Parijs-Roubaix gewonnen had.

In 2010 gingen ze na de Tourstart van Rotterdam al op dag drie over de keien. Thor Hushovd bleef stoer overeind en won. Frank Schleck viel en moest opgeven. Lance Armstrong liep achterstand op en zei laconiek: ‘het is het risico van het vak’. Thijs Zonneveld zei vol verontwaardiging dat die stenen toch écht niet kúnnen.

Luistert u liever de hele kroniek? Jeroen spreekt iedere aflevering in. De tekst loopt zelf hieronder door.

In 2014 ging het al voor de Grand Départ van Leeds vrijwel nergens anders over dan de stenen die klaarlagen in rit 5, Ieper-Arenberg. Het regende stevig, die dag. Chris Froome gleed al voor de eerste steenstrook onderuit en moest de ronde verlaten. Vincenzo Nibali handhaafde zich in het geel, vlak achter ritwinnaar Lars Boom. Hij voltooide een solo zonder vrees noch blaam en klaagde niet over de stenen.

Op de stenen krijgen de winnaars gelijk.

Die hobbelige stroken zijn een soort dichtgegooide loopgraven, afgetopt met keien waar het rennersnoodlot tussen verscholen ligt. Hun namen zijn als een rollende Franse rap.

Escaudoeuvres à Thun, Eswars Paillencourt, Auberchicourt Ecaillon, Warlaing Brillon, Tilloy Sars-et-Rosières, Beuvry Orchies, Auchy Bersée, Mons-en-Pévèle, Mérignies Avelin, Pont-Thibault Ennevelin, Templeuve (Moulain de Vertain), Cysoing Bourghelles, Bourghelles Wannehain, Camphin-en-Pévèle, Willems `a Hem.

Het heeft iets lieflijks en hels tegelijk. En het hoort in de Tour. Het had eerder gemogen, deze ronde.

Lees en luister hier alle Tourkronieken van Jeroen Wielaert.