De muziekdocumentaire is volwassen geworden

Vanaf deze week draaien Whitney en Grace Jones: Bloodlight and Bami in de Nederlandse bioscopen over twee popiconen in de popmuziek: Whitney Houston en Grace Jones. De diversiteit van de twee films – en de grote stroom aan andere muziekdocu’s – laat de volwassenheid van het genre zien. De muziekdocumentaire is een blijvertje in de bioscoop geworden.

Waar de film Whitney het conventionele pad volgt van archiefmateriaal en een chronologisch verteld verhaal, durft de maker van Grace Jones: Bloodlight and Bami het experiment op te zoeken en de cliches van het muziekdocu-genre (praatje en archiefplaatje) te doorbreken.

Maar vooropgesteld: muzikanten zijn van oudsher een dankbaar onderwerp voor documentaires. Je hoeft maar oppervlakkig naar de muziekscène te kijken, of de tragische levens dienen zich al meteen aan.

Denk aan Herman Brood (Unknown Brood, 2016), Kurt Cobain (Kurt Cobain: Montage of Heck, 2015) of Amy Winehouse (Amy, 2015). Allemaal levens die van hoge hoogtes ineens tot een triest eind kwamen en meteen al een fascinerend verhaal voor een documentaire opleverden. Met de nieuwe film Whitney is het niet anders. Je moet wel onder een steen hebben gelegen wil je niets hebben meegekregen van haar opkomst als de zangeres met de engelachtige stem in de jaren tachtig tot haar gewelddadige relatie met zanger Bobby Brown en haar excessieve drugsgebruik in de jaren erna. Drugs, die uiteindelijk ook haar tragische dood hebben veroorzaakt.

Muziekdocumentaire
Beeld: Entertainment One

Whitney van Britse filmmaker Kevin Macdonald is niet de enige Houstondocumentaire; zoals met meer van dit soort onderwerpen zijn er meer filmmakers die een graantje van dit Titanic-achtige verhaal willen meepikken. Vorig jaar maakte de Britse filmmaker Nick Broomfield het indringende Whitney: Can I Be Me, waar hij vooral liet ziet hoe iemand de controle over zijn eigen leven kan kwijtraken. Broomfield probeert niet te oordelen, maar voert verschillende stemmen uit haar leven op om de kijker zelf conclusies te laten trekken. De kracht van Whitney: Can I Be Me zit ook in de afstand die Broomfield tot zijn onderwerp – Whitney Houston – probeerde te houden.

Als je werk om zo’n complex leven gaat waar veel archiefbeelden vooral uitblinken in wat je niet te zien krijgt, is zo’n aanpak een verademing. Zeker als je deze film naast het deze week uitgekomen Whitney van de eveneens Britse Macdonald. De filmmaker begint zijn documentaire met de felle kleuren die zo bij de jaren tachtig zijn gaan horen, en snijdt dat met de grimmige politiek uit die tijd, om daarna de link te leggen met de jeugd van Whitney Houston. Dit is een verband dat wel heel geforceerd overkomt, net als de rest van de film, waarin zaken als – het niet bewezen – seksueel misbruik wordt gebruikt om de zogenaamde biseksualiteit van de zangeres te verklaren.

muziekdocumentaire
Beeld: Arti Film

Het is deze overmaat aan suggestieve teksten en verbanden die van Whitney een matige film maken. Tel daarbij op het overbekende archiefmateriaal en de saaie chrolologische manier van vertellen, en je ziet een schoolvoorbeeld van een reportage in plaats van een filmisch interessant werk. Hoe anders is de andere muziekdocu van deze week opgezet: Grace Jones: Bloodlight and Bami van Sophie Fiennes.

Hier is namelijk geen geforceerde psycho-analytische voice-overs of een bombardement aan archiefmateriaal te vinden. Nee, de regisseur probeert Grace Jones te vangen door haar als een vlieg aan de muur te volgen tijdens de opnames van haar laatste plaat Hurricane, alweer enige jaren geleden. Daartussendoor krijgen we bloedmooi gefilmde nummers te zien die zijn gedraaid tijdens een grote live-tournee, vlak na het uitkomen van de plaat.

Het verfrissende bij deze film is ook dat het hier niet om een tragisch leven gaat, waardoor de gedachte aan ‘aasgier cinema’ meteen de kop wordt ingedrukt. We zien een gepassioneerde zangeres die op het podium niet heel veel verschilt van hoe ze bij haar ouders en vrienden is. Zonder overigens de negatieve karaktertrekken weg te drukken. Nee, de kracht van de documentaire is het – zonder talking heads – schetsen van een filmisch razend interessant karakter.

Dat vorm belangrijk is, zal iedere speelfilmmaker beamen. Gelukkig wordt de creatieve aanpak nu ook steeds vaker gebruikt in muziekdocumentaires. In Kurt Cobain: Montage of Heck zitten bijvoorbeeld prachtige animatie-scenes. Een documentaire als Searching for Sugar Man (Malik Bendjelloul, 2012) over de zoektocht naar een doodgewaande zanger, is bijna opgebouwd als een thriller. En de docu 20 Feet from Stardom (Morgan Neville, 2013) laat op een waanzinnig energieke en visueel spetterende manier het ondergewaardeerde leven van achtergrondzangeressen zien.

Natuurlijk zijn er al sinds cinema bestaat prachtige muziekdocumentaires gemaakt. Denk aan Stop Making Sense over Talking Heads uit 1984 of Don’t Look Back over Bob Dylan uit 1967, maar het aantal goede films uit dit genre neemt de afgelopen jaren sterk toe. Ook filmfestivals als IDFA in Amsterdam besteden steeds meer aandacht aan muziekdocumentaires en steeds vaker belanden ze ook in de bioscoop. Dat er naast veel parels ook regelmatig middelmaat tussen zit, is alleen maar goed. Dat hoort bij een genre dat volwassen is geworden en waar je vaak niet stil bij kan blijven zitten in de bioscoop. Gelukkig is het donker in de bioscoopzaal…

Whitney en Grace Jones: Bloodlight and Bami draaien vanaf donderdag 9 augustus in bioscoopzalen door het hele land.

Meer filmverhalen van Nico van den Berg? Volg ons op Facebook