Don Arturo onthult: hoe schrijf ik een bestseller

Mijn nieuwste bestseller en pageturner, met de catchy titel Mijn Moeder is Gek, wordt op 4 november ten doop gehouden in Olhão, de hoerenhoofdstad van Portugal. Hoewel mijn standpunt is dat een goed boek zichzelf verkoopt en dus geen guerillamarketing nodig heeft, wil ik toch een paar woorden vuil maken aan mijn geheim. Ik doe dit vanuit Domaine Thermal Mondorf, een peperdure spa in Luxemburg. Deze ontslakkingsdetox betaal ik uiteraard niet zelf maar de uitgever had mij nogal dwingend gevraagd wanneer ik nou eindelijk eens al eens die honderden mee-eters uit ging drukken. Dit vanwege de diverse fotoshoots en geteleviseerde optredens die mij te wachten staan in zowel Nederland als Portugal. Ik moet toegeven dat ik inmiddels zoveel blackheads had opgespaard dat het wel leek alsof ik voor Zwarte Piet ging spelen op onze ambassade in Lissabon. Normaal spit ik die keratinebommen er uit met een zogeheten comodonenlepeltje maar daar was het even te druk voor.

Enfin, dat werd dus een weekje kuren op kosten van de zaak zodat ik er straks picobello uitzie.

Ik vind dat een auteur of autrice er goed uit moet zien. Eigenlijk is dat al het halve werk, kijk maar naar Herman Brusselmans. Ik krijg vrijwel dagelijks brieven, handgeschreven of digitaal, waarin deze of gene mij smeekt om het geheim van de smid. Vrouwen suggereren altijd dat mijn oeuvre zo goed verkoopt omdat ik ‘zo’n lekker ding ben’, terwijl mannen denken dat het juist vrouwen zijn die mijn boeken kopen omdat die mij zo lekker geil en woest vinden, daar in mijn stinkende hut aan zee, met al die honden en mijn baard van drie dagen en mijn kegel van een jaartje of veertig inmiddels. Nou, het zal mijn worst wezen wie of wat mijn lectuur koopt dus wat dat betreft ben ik behoorlijk genderneutraal. Ik ben wel blij dat het volk beslist, en niet een of andere lepe marketeer bij de uitgeverij. Die kommersjele sekswerkers van de literatuur willen alleen maar autrices van 21 met grote tetten, bij voorkeur GroenLinks angehaucht. Van die meisjes die schrijven dat de maandstonde een sociale constructie is.

In die laatste zin zat geen spatje ironie en ik zal deze terreur van de sneeuwvlokjes met grote tetten illustreren met het droevige voorbeeld van mijn grote vriend Joris van Os, de Brabantse Marcel Reich-Ranicki die ook mij aan een genadeloos kruisverhoor onderwierp.

Kom er maar in, Joor!

“Lieve nonkel Tuur. Ik ben een van die rancuneuze margeschrijvers die het vooralsnog zonder contract bij een grote uitgever moeten doen. Mogelijk omdat ik nog geen deuk in een pakje boter schrijf. Maar soms lijken er ook andere factoren mee te spelen. Zo deed ik onlangs mee aan de schrijfwedstrijd van een gerespecteerd Amsterdams uitgeefhuis. Twee verhalen stuurde ik in, en omdat ik de menselijke aard niets dan akeligs toedicht, verzon ik een listig plan. Ik deed ik alsof ik twee zwoele meiden was. Ik voegde profielfoto’s toe, fabriceerde een Facebookaccount, noem maar op. Het resultaat: eerste en tweede prijs. Eenmaal op de uitreiking werd ik argwanend ontvangen door de uitgeefster. ‘Kan ik u helpen?’ vroeg ze, waarna ik mezelf giechelend voorstelde als de twee winnaressen. Nou, zo’n beteuterd gezicht heb ik sinds Hillary Clinton niet meer gezien!

Aan de koffie legde ze het nog eens zuchtend uit: ‘Uitgevers zijn altijd op zoek naar het mediahaakje. Een schrijver die een boek schrijft is geen nieuws. Waarom zetten we juist jou in de markt? Ben je beroemd? Berucht? De hamvraag is altijd: Hoe krijgen we jou aan tafel bij Matthijs? En ja, mooie vrouwen verkopen nu eenmaal meer boeken.’

In dat kader mocht het begrijpelijk wezen dat de geestdrift voor kalende blanke veertigers in uitgeverskringen tamelijk gering was.

Is het niet eigenaardig, waagde ik, dat de identiteit van de schrijver tegenwoordig belangrijker is dan zijn boek? Met een veelbetekenende blik antwoordde ze: ‘Echt GOEDE schrijvers komen er toch wel.’

Wat ze eigenlijk zei was: ‘Goede schrijvers komen er toch wel, ondanks ons uitgeefbeleid.’

Me dunkt dat dit beleid er juist op geënt zou moeten zijn om de echt goede schrijvers onder de aandacht van een lezend publiek te brengen.”

Gunfactor

Nou vind ik Joris veel maar geen lekker wijf, dus die uitgeverij had een goed punt. Toch werd Het Grote Foute Jongens Boek dat ik samen met Rob Hoogland schreef, een regelrechte bestseller terwijl wij nou ook niet bepaald twee lekkere jonge meiden zijn.

Het succes van dat boek kwam vooral door de gunfactor die oom Rob in gansch het land geniet als Telegraaf-columnist. Overal waar ik met deze vriendelijke reus kwam in het kader van onze boekpromotie, vielen de vrouwen in katzwijm. Mij zagen ze niet staan, hetgeen niet zo verwonderlijk is omdat oom Rob ruim een meter langer is. Oom Rob is ook een mannenman, zo’n kerel die naast je zit in de kroeg en aan wie je al je geheimen verklapt. De hardnekkige geruchten dat Hoogland biseksueel is, wil ik bij deze ontkrachten. Wij deelden tijdens onze literaire toernee vaak een kamer in diverse Van der Valks en zelfs als ik zijn bacardi-cola had aangelengd met scopolamine alias duivelsadem, wees hij mijn avances van erotische aard af. Oom Rob ging gewoon snurken of, nog kwetsender, naar damestennis op Eurosport kijken, in zijn grote witte onderbroek. Het enige wat ie dan nog zei, was: Tuur, mix jij nog eens zo’n lekker bacootje voor me?

De hardnekkige geruchten dat Hoogland biseksueel is, wil ik bij deze ontkrachten.

Zonder oom Rob was het Grote Foute Jongensboek nooit een bestseller geworden. Toch dien ik in alle bescheidenheid op te merken dat ik één briljante ingeving had: ik eiste dat Stella Bergsma een bijdrage leverde aan het boek. Oom Rob vond dat een vreselijk slecht idee, vooral vanwege de hoge leeftijd van de diva maar uiteindelijk had ik eindelijk ook eens gelijk. Stella schreef dit onthutsende proza en droeg daarbij nolens volens bij aan het enorme succes van het boek. Kom er maar in, Stella!

“Of ik die malle booskabouter even kapot wil schrijven in dat kleuterboek van hem. Natuurlijk, geen probleem. Want, mijn hemel, dit is er weer eentje voor op de boekenberg hoor. Een boek vol kleedkamerpraat voor je aanleunwoning. Je kunt ze ook meteen naar De Slegte brengen. Het ‘foute jongens’-boek. Twee bejaarden die zichzelf nog jongens noemen. Dat is ongeveer net zo charmant als Hitler met strikjes. En dan dat fout. O guttegut. Nou dames, berg je maar hoor. De zichzelf overschattende schrijfseniorenbrigade komt eraan. Houd je rokjes in bedwang en je petticoats vast. Don Dreumes wil er met zijn tequilakleffe pootjes onder graaien, want ooh hij is zoo fout. Zo lekker ondeugend, joh. Oi, oi, oi. Fout is het stout voor mannen, vermoed ik. Maar dan nog net een tikkie takkie kansarmer. Al niet leuk toen het nog leuk was, zeg maar. Van Amerongen die al sinds jaar en dag mijn plek in de krant bezet houdt, door iedere week precies dezelfde column vol zuur katerbraaksel te produceren. Haatbait voor de woedende witman. Jankblank zeurberichten van een middelbaar erectieprobleem op pootjes. Die iedere dag met zijn stomdronken rotte rattekop op een wankel keukenkrukje gaat staan, zodat hij net bij Facebook en Twitter kan, waar hij zijn doldwaas hilarische nijlpaardplaatjes post, om die dan vervolgens met een dikke politica te vergelijken. Eeenig. Waar hij onder de noemer ‘satire’ zijn xenofobe bangbullshit post, die door zijn holhoofdige volgers echt geloofd wordt. Waar hij ons iedere dag op de hoogte houdt van welk wijf hij al dan niet geil wordt. Daar word IK dus niet geil van. Wie denkt er aan mij? God in ieder geval niet toen hij Van Amerongen schiep. En die Hoogland. Die ken ik helemaal niet. Foute jongens. Ik kan niet genoeg gottegotten om duidelijk te maken hoe treurig ik het vind. Op de voorkant in je incontinentieslip. Na midlife is het leven op, heren. Leer dat toch es. Met je malle kleurboek. Fout. Pff. Denken dat iemand daar op zit te wachten. Dat is pas fout.”

 

Ik heb deze passage tot in den treure uitgevent in en op de diverse sociale media en oom Rob en ik haalden hiermee zelfs de Opzij. De dames van het blad vonden ons maar een stelletje vieze, ranzige, seksistische, rechtse witte mannen met een drankkegel van hier tot Lesbos, maar ze vonden ons ook ‘good sports’ omdat we neofeministe Bergsma een podium hadden gegeven in die verder zo smerige hoerenlopersbijbel. Enfin.

Oh ja, ik zou het nog over het geheim van mijn nieuwe bestseller hebben. Eigenlijk is het heel simpel: een boek over moeders doet het altijd goed. Mijn eerste plaatje was Mama van mijn jeugdidool Heintje, en die aanschaf heeft mijn verdere leven gestalte én inhoud gegeven. U moet Mijn Moeder is Gek dus lezen met Mama van Heintje op repeat.

En verder is een perfecte lancering van een boek belangrijk. Dus niet in een of ander kantoortje van een uitgeverij met twee flessen prosecco van de Aldi en een zakje kaasstengels, maar met veel pump and circumstance.

Enfin, op zondag 4 november (ook nog eens mijn 59ste verjaardag!) doe ik een knalfuif in een voormalig bordeel in de hoerenhoofdstad van Portugal. Diverse kopstukken van de Nederlandse expatgemeenschap doen hun opwachting – ik noem mijn zakenpartner Erik de Vlieger, Charles Hofman, de weduwnaar Komrij, Arie Pos, de biograaf van Gerrit en verder zullen er diverse vertegenwoordigers van de Algarviaanse LGBTTQQFAGPBDSMNC2SAP+-gemeenschap de boel opvrolijken. Oom Rob Hoogland gaat mij roasten, Neerlands beroemdste cineast Martin Koolhoven, alias Kool, zal een en ander vastleggen voor het nageslacht, Pierre van Duijl treedt op met zijn magische trekzak en niemand minder dan mijn kunstbroeder Pieter Waterdrinker wordt ingevlogen uit het verre en koude Moskou. Uiteraard is de voltallige redactie van de Haagsche Post aanwezig, en de dames van mijn uitgeverij Pepper zonder wie dit allemaal niet mogelijk is. En natuurlijk bedank ik mijn lieve moedertje in de hemel, de enige betrouwbare vrouw die ik mijn toch al zo droevige bestaan heb mogen ontmoeten. Wat was ze knap he?

Reageer op artikel:
Don Arturo onthult: hoe schrijf ik een bestseller
Sluiten