EU wil holle ‘Europese waarden’ opvullen met arthouse films

Vorige week was onze filmredacteur in Straatsburg waar het Europees Parlement voor de twaalfde keer de LUX Filmprijs uitreikte. Nog nooit van deze prijs gehoord? Niet vreemd, want zelfs onder filmjournalisten geniet deze prijs geen grote bekendheid, laat staan bij het grote publiek. Hoog tijd dus om te kijken wat deze prijs eigenlijk voorstelt en hoe het Europees Parlement deze prijs gebruikt ten gunste van het ‘Europese verhaal’.

Als een moloch doemt het ronde gebouw van het Europees Parlement op uit de mist die over Straatsburg hangt. Drie weken per maand is het er uitgestorven (als het Europees Parlement in Brussel vergadert), maar nu is het circus weer neergestreken in Frankrijk en zitten de koffieruimtes en wandelgangen vol met parlementariërs en journalisten.

Vlak voor de plenaire vergaderzaal zijn als een cultureel statement groot de woorden ‘Lux Film Prijs’ op de muren geprojecteerd. Het Europees Parlement beroept zich er met trots op dat het als enige parlement ter wereld een eigen filmprijs heeft. De prijs werd voor het eerst in 2007 uitgereikt, met als belangrijkste reden het stimuleren van het debat in Europa over thema’s als migratie en vrouwenrechten aan de hand van Europese films. Niet voor niets kreeg de prijs de naam LUX, wat zoveel betekent als ‘licht’ en ‘verlichting’.

Elk jaar worden er via een ingewikkeld selectieproces drie films voor deze prijs genomineerd. Dit jaar waren dat het Duitse Styx, het Servische The Other Side of Everything en het IJslandse Woman at War die de LUX prijs vorige week kreeg. Het zijn drie prima films die hun sporen op diverse festivals al ruimschoots verdiend hebben. De thema’s die in de films zitten, passen – toeval of niet – wel heel mooi in de door het Europees Parlement zo vurig gewenste discussie. Styx gaat over een vrouw die vanaf haar eigen boot op volle zee wordt geconfronteerd met een groep vluchtelingen die dreigt te verdrinken, The Other Side of Everything is een persoonlijk verhaal over de risico’s van nationalistisch denken, en Woman at War gaat over een vrouw die hoogspanningsmasten saboteert uit frustratie over milieuvervuilende energieopwekking.

Ongemakkelijke combinatie

Dat kunst en politiek een ongemakkelijke combinatie zijn, werd pijnlijk duidelijk in een paneldiscussie die een dag voor de prijsuitreiking in Straatsburg werd gehouden. Achter de debattafel zaten de drie regisseurs van de genomineerde films, aangevuld met Evelyne Gebhardt, vice-voorzitter van het Europees Parlement en één van de drijvende krachten achter de LUX Film Prijs. Pijnlijk, omdat er eigenlijk geen debat was. Er was vooral een grote eensgezindheid over wat Europa zou moeten zijn: meer migratie, harde milieumaatregelen en een streng gelijkheidsbeleid. De drie filmmakers zaten als activistische politici achter de tafel, waarbij het vooral ging om de vraag wat Europese politici kunnen leren van de manier waarop filmmakers hun politieke en sociale boodschap in een aansprekend verhaal verwerken. Als toeschouwer kreeg je sterk de indruk dat er hier een verbond was ontstaan van filmmakers en politici, waarbij de films als politiek instrument worden gezien. Tekenend is de reactie van vice-president Evelyne Gebhardt in een interview dat ik met haar had: “Ik zie niet in waarom verhalenvertellers die moeite doen om activistische vrouwen te laten zien, zich niet druk zouden maken om verkiezingen. Ik vind het mooi om te zien dat ze zich druk maken over de rol van het Europees Parlement. En dat ze de LUX Film Prijs gebruiken om hun zorgen te uiten.” Dat er in Europa in toenemende mate geen sprake is van één verhaal, maar juist van veel verschillende opvattingen over wat Europa zou moeten zijn, werd hier simpelweg genegeerd.

Het belang van de drie genomineerde films is niet omdat ze over zogenaamde Europese thema’s gaan, maar omdat het films zijn met een enorme universele zeggingskracht. Het zijn films over mensen in verdrukking, over idealen, over rechtvaardigheid. In de debatten rond de LUX Film Prijs in Straatsburg werd echter het begrip ‘Europese waarden’ direct aan deze films gekoppeld. Alsof dit soort films niet in andere delen van de wereld worden gemaakt: arthouse-films vinden we ook in Afrika, Latijns-Amerika, Azië, ja zelfs in de VS. Het getuigt van een Europese neo-kolonialistische manier van denken als we dit soort humanistische films wereldwijd ‘Europees’ zouden noemen, met ‘Europese’ idealen en een ‘Europese’ moraal. Gebhardt geeft er een opmerkelijke draai aan: “Dit zijn inderdaad universele waarden en daarom zijn ze zo belangrijk in Europa”. Terwijl in de paneldiscussie het begrip ‘Europese waarden’ meerdere keren over tafel vloog.

Na een paar dagen ondergedompeld te zijn in de LUX Film Prijs in Straatsburg, blijft de vraag overeind voor wie de prijs eigenlijk is en of je Europeanen met dit soort films echt aan het stemmen krijgt. De gemiddelde bioscoopbezoeker zal niet echt warm lopen voor dit soort films, laat staan als het om Eurosceptici gaat. De meeste Europarlementariërs lopen zelf ook niet warm voor hun eigen LUX Film Prijs. Slechts 20 procent nam dit jaar de moeite de drie films te bekijken en hun stem uit te brengen. Een weinig verlichtende gedachte.


Woman at War draait vanaf 27 december in de Nederlandse bioscopen, Styx vanaf 17 januari.

Reageer op artikel:
EU wil holle ‘Europese waarden’ opvullen met arthouse films
Sluiten