Het best bewaarde geheim van Groningen

Kevin van Vliet 26 nov 2018 Cultuur

Minder bekend dan de poëzie van Jean Pierre Rawie (67) is zijn proza, waarin hij geregeld maatschappelijke kwesties – verengelsing, taalgebruik in kranten, #MeToo – aansnijdt. Deze beschouwingen, deels verschenen in het Dagblad van het Noorden, zijn nu gebundeld. Ook voor Rawies lezers buiten Groningen. 

Hoe gaat het met de gezondheid?

“Goed. Nu zie je die opleving vaker bij stervenden. Naarmate je ouder wordt, raak je je je ervan bewust dat het ieder moment afgelopen kan zijn. Ik spreek vaak op uitvaarten en krijg het daar almaar drukker mee.”

En met de alcohol?

“Ik dronk vroeger anderhalve liter jenever per dag, nu hooguit nog twee flessen wijn.”

Hoe lang verwacht u nog te leven?

“Ach, dat weet je niet, maar als ik nu dood zou neervallen, heb ik wel het idee dat ik iets achterlaat. Al siste Remco Campert mij eens in dronkenschap toe: ‘Die gedichten van jou, daar blijft over honderd jaar niks van over.’ Ja, wat moet je daar nu op terugzeggen.”

Uw proza is doorgaans actueler dan uw poëzie. Vindt u het leuk om zulke stukken te schrijven?

“Jazeker. Maar de reacties die ik er soms op krijg – je weet niet wat je leest. Zo schreef ik een stukje in Argus over de #MeToo-discussie. Toen kwam er onmiddellijk een boze brief binnen van een feministe die voorbijgegaan was aan de ironie die een kenmerk is van wat ik schrijf.”

Hoe denkt u over #MeToo?

“Tegenwoordig hoef je alleen maar te worden aangeklaagd en moet je je als een razende gaan verdedigen. Dat geval van die Gatti (voormalig chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest – KvV) bijvoorbeeld. Ontslagen, alleen omdat hij eens iemand over de wang heeft gestreken, of iets dergelijks. Gelukkig is hij in Frankrijk en Italië gewoon weer aan het werk.

“In de jaren zeventig, ik herinner me het nog goed, ontving ik twee weken lang iedere dag een meisje in de namiddag. Haar mobylettetje parkeerde ze voor mijn raam. Pas jaren later hoorde ik dat zij haar carrière binnen het Groningse feminisme bespoedigd had door rond te vertellen dat ze door mij verkracht was. Flauwekul natuurlijk. Ik reageerde verbaasd door te zeggen: ‘Veertien dagen lang, dat is een enorme prestatie!’”

Bent u volgend jaar nog op het Boekenbal te vinden?

“Ik ga niet meer. Mijn laatste Boekenbal, in 2013, stond in het teken van de zwarte bladzijden uit onze geschiedenis. Alle stoelen waren verwijderd uit de schouwburg en we moesten een uur lang naar een kwaaie negerin luisteren die ons het slavernijverleden inpeperde, waar ik part noch deel aan heb gehad. Ik kan niet zo lang staan, het gevolg van een beroerte, dus ik ging voortijdig naar buiten. Alle barren bleken nog dicht te zijn. Connie Palmen heeft persoonlijk een van die barren geopend, waarmee ze mijn hart voor eeuwig gestolen heeft. Die paar mensen die ik leuk vind om tegen te komen, tref ik ook wel zonder dat Boekenbal.”

Reageer op artikel:
Het best bewaarde geheim van Groningen
Sluiten