Tosca Niterink: ‘Ik had opeens heel India beledigd’

Schrijver en actrice Tosca Niterink (Haarlem, 1960) en haar dans- en wandelpartner Anita Janssen kampeerden in Patagonië, doolden door Tsjernobyl en wandelden door Zuid-Korea. Ze bundelde haar reisverhalen, gebaseerd op de verslagen die ze eerder in NRC Handelsblad schreef, onder de titel De poncho must go on. We bellen naar de Amsterdamse kunstenaarskolonie Ruigoord, waar Niterink haar atelier heeft en net wat stond te schilderen.

Zeg, waar gaat dit boek eigenlijk over?
“Het gaat over reizen die ik de afgelopen tien jaar heb gemaakt, samen met Anita. Het eerste verhaal was voor de NRC. We zouden naar Japan gaan, de ‘kobo dashi’  wandelen langs 88 boeddhistische kloosters. Een paar dagen voordat we vertrokken, kwam die tsunami, en daarna die kernrampen. We zijn maar niet gegaan. Ik vond het eng. Ik had geen zin om later kanker te krijgen. Mijn verzekeraar had me vooraf nog gevraagd: ‘wilt u een verzekering tegen natuurrampen, voor vijf euro extra?’ Ik zei: ‘nee, ben je gek.’ Nou, die vliegtickets kregen we dus niet meer terug.
“Tijdens het reizen leef ik intenser. Je wordt niet afgeleid, je hoeft geen belastingformulieren in te vullen – al wordt het met die mobiele telefoon alweer moeilijker. Vroeger hing Aniet op reis één keer per week met haar ouders aan de lijn. Nu zitten ze elke dag te facetimen.”

Hoe snel schrijft u zo’n stukje?
“Ik schrijf ze gedurende de week in mijn hoofd. Het opschrijven zelf doe ik in een uur of twee uur. In Turkije heb ik eens op de werkkamer van de burgemeester zitten tikken, omdat alleen daar een internetverbinding was. Tegenover me stond een bewaker met een mitrailleur. Toen heb ik het in een halfuur geschreven.”

Kunt u zich makkelijker uitdrukken op papier of op het toneel?
“Papier, dan kun je er rustig over nadenken. Op het toneel moet je al die zinnen maar paraat hebben.”

Waar schrijft u mee?
“Ik schrijf op een computer. Zo’n appletje, een MacBook Air.”

Wat is de ergste tegenslag die u te verduren hebt gekregen tijdens het schrijven?
“Nou, we waren in Tsjernobyl en ineens lag mijn moeder op sterven. We moesten terug. Ik heb altijd gedacht dat het zou gebeuren als ik weg was, en dat is gebeurd. Ik vond het vreselijk. We moesten met de auto even heel snel 2200 kilometer terugrijden vanaf Kiev.
“En dan dat gedoe in India…”

(Fragment uit De poncho must go on: ‘Over tv gesproken! Obama was hier, en hij was vijf uur lang live op tv! Hij zat naar een bloedstollend saai en langdradig bloemencorso te kijken (ik zag hem wit wegtrekken van verveling, echt waar!). Hij zat naast premier Narendra Modi en die had net zo’n origami vouwwerk op zijn hoofd als de kamermeisjes in ons hotel maken van de gastendoekjes.’)

“Ineens had ik de premier van India beledigd, en het Indiase volk, want ik had geschreven dat ze allemaal platvoeten hadden. Aniet had nog zo gezegd: ‘dat kun je niet zeggen!’ Ik zei: ‘o nee? Ga jij maar eens buiten kijken.’ Ze keek en zei: ‘ja het klopt, iedereen heeft platvoeten.’
“Ineens kreeg ik een whatsappberichtje van Paul Steenhuis van de NRC, en hij schreef dat de Indiase ambassade in Den Haag gillend, schreeuwend had opgebeld. We moesten ophouden met die stukjes, anders zouden ze stappen ondernemen. Daarnaast waren ze er achter gekomen dat we geen werkvergunning hadden maar op een toeristenvisum reisden, dat is strafbaar in India. De ambassade heeft het verhaal uiteindelijk doorgespeeld aan de Indiase autoriteiten, en toen waren de rapen gaar. Ze dreigden de correspondent uit India, Joeri Boom, weg te halen. Van de Nederlandse ambassade kregen we te horen dat de regering ons wilde oppakken zodra we in het vliegtuig zouden stappen. We riskeerden een gevangenisstraf. Ik raakte helemaal in paniek. Zo’n bloedhete cel in India… ik werd gek.
“We zijn na een zenuwslopende trip in New Delhi aangekomen en besloten de Nederlandse ambassade maar te bezetten. Na een dag waren ze ons daar al zat. We zaten de tv-serie We zijn er bijna te kijken en Anita had pinda’s zitten eten, dus er lagen overal van die pindaschillen.
“Na eindeloze onderhandelingen werden we onder begeleiding van Buitenlandse Zaken en ambassadepersoneel op een vliegtuig gezet. Ik ben sindsdien wel voorzichtiger gaan schrijven. Ik dacht: wie leest de NRC nou? Lekker naïef natuurlijk.”

Hoeveel verdient u eigenlijk met zo’n boek?
“Een schijntje, natuurlijk. Ik krijg…” roept naar beneden: “Aniet, hoeveel gulden krijg ik nou per boek? 1,85? Zoiets, ja.”

Heeft u schrijvers onder uw vrienden?
“Jan van Aken, Hans Plomp en Gerben Hellinga, die ook hier op Ruigoord werken.”

Wie is uw favoriete Nederlandstalige schrijver?
“Gerard Reve. Met kop en schouders. Ik vind hem heel leuk. Het begon al toen ik kind was en voor het eerst dat kinderverhaaltje hoorde over Sinterklaas die op bezoek kwam bij een stoute jongen. ‘Sinterklaas deed zijn jurk omhoog ging op de schoorsteen zitten en kakte een drol van stront, die naar beneden viel en recht in de schoen van de stoute jongen terecht kwam. Wat zal die jongen opgekeken hebben.’ Als kind van tien wist ik al dat Reve grappig was, en niet omdat het over poep ging. Hij nam de oubolligheid van die tijd in de maling.”

Tot slot: op het huis van welke schrijver zou u wel een precisiebombardement willen laten uitvoeren?
“Ach, ik vind een heleboel schrijvers zoveel bla-bla hebben, maar ik ga geen namen noemen, want dat vind ik niet fijn. Ik kan bijvoorbeeld wel zeggen dat ik Connie Palmen niks aan vind – ik zeg maar wat – maar dat is een kwestie van smaak. In Kreatief met Kurk (satirisch programma voor de VPRO, met Arjan Ederveen – red.) hebben we wel wat mensen afgezeken en flink gekwetst. Ik heb besloten dat ik dat niet meer doe. Ik zou het zelf ook niet leuk vinden.”

The poncho must go on van uitgeverij Podium is nu verkrijgbaar.

Reageer op artikel:
Tosca Niterink: ‘Ik had opeens heel India beledigd’
Sluiten