‘Weinig leiders durven mensenrechtenkampioen te zijn’

Nico Hofstra 4 dec 2018 Cultuur

De zeventigste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) deze maand is maar deels reden voor een feestje, benadrukt de Belgische Amnesty International-directeur Wies de Graeve. In zijn boek ‘Het recht om mens te zijn’ beschrijft hij het nut van de mensenrechten als moreel kompas. Hard nodig, onderstreept hij: “Er zijn nog maar weinig leiders die echt durven opstaan, die een mensenrechtenkampioen durven zijn.” 

De mensrechten hebben volgens De Graeve de afgelopen zeventig jaar een waardevol parcours afgelegd. Veel landen hebben de doodstraf afgeschaft en vrouwen- en LGBT-rechten hebben een opmars gemaakt. “Helaas hebben de mensenrechten hun belofte voor de hele wereld nog allerminst waargemaakt,” stelt De Graeve. “Vraag het aan mensen in Jemen, Afghanistan of Congo. Weinigen daar zullen reden zien voor een feestje, en terecht natuurlijk. Mensenrechten staan onder druk.”

In zijn boek Het recht om mens te zijn schrijft De Graeve over het keerpunt waarin de UVRM in de huidige samenleving is beland, een keerpunt waarbij met name de universaliteit van het verdrag in twijfel wordt getrokken. Het recht ‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren’ prijkt krachtig bovenaan de lijst met de 30 mensenrechten. Hoeveel blijft hier in de praktijk van over?

Zijn de mensenrechten anno 2018 niet op z’n retour?
De Graeve: “Absoluut niet. Voor mij staat die tekst met de dertig artikels nog steeds als een huis en ik zou iedereen aanraden om die nog eens te lezen. Het verdrag is niet juridisch bindend, maar vanuit de UVRM zijn juist talloze verdragen voortgekomen die wel bindend zijn en die ons nog elke dag beschermen als het gaat om vrijheid van meningsuiting, privacy of de strijd tegen discriminatie.”

Maar het universele van ‘alle mensen zijn gelijk’ lijkt er beetje vanaf te zijn.
“De gelijkwaardigheid van mensen wordt inderdaad ondergraven door een nieuwe generatie politiek leiders die van verdeeldheid hun handelsmerk maken. Zij zeggen: mensenrechten zijn heel belangrijk, maar zij bestempelen ondertussen bepaalde groepen in de samenleving als zondebok, als onvolwaardige mensen die dus minder rechten hebben. Er zijn nog maar weinig leiders die echt durven opstaan, die een mensenrechtenkampioen durven zijn. Dat klinkt als idealistisch gewauwel, maar het is echt niet zo dat de mensenrechten zijn geschreven door een stelletje marihuana-rokende hippies. Onze rechten zijn opgetekend door een generatie diplomaten en politici met de donkerste periode uit de wereldgeschiedenis achter de rug. Het is hoog tijd om de urgentie van de mensenrechten opnieuw onder de aandacht te brengen.”

Hoe relevant vindt u de Verenigde Naties nog als waakhond voor de mensenrechten?
“De VN is er inderdaad wel eens beter aan toe geweest. Zij zijn te verlamd door verdeeldheid en ze komen te weinig in actie. Dat wil niet zeggen dat ze niet meer relevant zijn. Het belang van de VN en het Internationaal Strafhof staan voor mij buiten kijf. Dat kunnen enorm krachtige instrumenten zijn, alleen worden ze op dit moment door eigenbelang en nationalistische reflexen kapotgemaakt. Toch wil ik een lans breken om de VN opnieuw sterker te maken en ik pleit met name voor internationale samenwerking. Dat is voor mij de enige weg vooruit.”

Dat lijkt nog niet zo te lukken. Was het niet funest voor de internationale samenwerking toen Amerika dit jaar uit de mensenrechtenraad van de VN stapte?
“De motivatie van de Verenigde Staten om eruit te stappen was dat de raad niet goed genoeg werkte. Nou, daar hebben ze best een punt: die werkt inderdaad niet goed genoeg en is aan hervorming toe. Maar mijn mening is dat terugtrekken uit de raad niet de juiste weg is. Ze hadden moeten blijven en hun macht moeten gebruiken om de raad te verbeteren. Zoals gezegd kan de raad een enorm krachtig platform zijn waarin staten elkaar ter verantwoording kunnen roepen met betrekking tot de schending van mensenrechten. Maar inderdaad, als er landen vertrekken valt de samenwerking stil.”

Toch zegt u in uw boek met concrete voorbeelden te komen van hoe de mensenrechten als moreel kompas kunnen dienen in actuele kwesties, zoals de asiel- en vluchtelingencrisis.
“Dat klopt. Bij de vluchtelingencrisis wordt er vaak gedacht aan hordes mensen die Europa overspoelen. Er wordt angst gezaaid door vluchtelingen als bedreiging voor onze cultuur te bestempelen. Vluchtelingen zijn nog wel altijd mensen en geen hordes dieren en zij hebben recht op asiel. De UVRM geeft een vrije goede handleiding voor wat ons te doen staat, namelijk opnieuw reddingsoperaties uitvoeren op zee en een betere samenwerking aangaan om uit die crisis te komen.”

“Een ander voorbeeld is toen ik me principieel uitsprak tegen de doodstraf – ook wanneer het om een IS-strijder ging. Daar heb ik een gigantische lading kritiek op gekregen. Toch blijf ik bij mijn standpunt. Voor mij is het verbod om mensen onmenselijk te behandelen een absoluut mensenrecht. De doodstraf is de ultieme vorm van ontmenselijken. Met mijn mensenrechtenbril – het morele kompas dat het verdrag ons biedt – blijf ik mijn standpunt herhalen. Kritiek brengt me niet van mijn stuk, het zet mij alleen maar meer aan om uit te leggen wat mijn morele uitgangspunten zijn.”

Reageer op artikel:
‘Weinig leiders durven mensenrechtenkampioen te zijn’
Sluiten