Kwijlend in een rolstoel: Hoe ga je om met de schaamte?

Emma Brunt 1 feb 2019 Cultuur

Wie door ziekte gebrekkig raakt, lijdt behalve aan het betreffende euvel ook nog eens aan schaamte. Die ook nog eens taboe is, wat het gevoel alleen maar erger maakt. Twee recente boeken – van Martine Bijl en journalist Henk Blanken – brengen dit verschijnsel voortreffelijk onder woorden.

Soms komt het onheil bijna geruisloos naderbij, door de achterdeur, op kousenvoeten. Als je dat later wilt navertellen, is het lastig om te bepalen wanneer je het eerste gerommel in de verte hebt gehoord en wat je toen dacht – misschien: er is zwaar weer op komst. Veel waarschijnlijker is dat je niets dacht, niets bijzonders in ieder geval, omdat je nu eenmaal gewend bent dat de bliksem altijd ergens anders inslaat.

“Waar wil je dat ik begin?” is dan ook de eerste retorische vraag die journalist Henk Blanken aan de lezer stelt aan het begin van het boek – getiteld Je gaat er niet dood aan (2018) – over het verloop van zijn parkinson. Bij de diagnose, zou ik zeggen. Want hoe gaat dat? Je komt met wat vage klachten bij de huisarts en vervolgens al verrassend snel bij een specialist, maar terwijl die twee je met hamertjes bekloppen en er het hunne van denken, ben jij nog steeds bang dat ze tot de conclusie zullen komen dat er niks aan de hand is en dat je je aanstelt. Dat was bijvoorbeeld waar Renate Rubinstein voor vreesde, terwijl haar neuroloog al begon te vermoeden dat ze MS had, zoals ze zich dat consult later zou herinneren in haar bundel Nee heb je (1985).

Lees de rest van het artikel via Blendle.

Reageer op artikel:
Kwijlend in een rolstoel: Hoe ga je om met de schaamte?
Sluiten