Spring naar de content
bron: ANP

Mode is het stomste dat er bestaat

“Bestaat er iets dat nog stommer is dan sport?”, heeft Rudy Kousbroek zich wel eens afgevraagd. Kousbroeks eerste impuls was om te antwoorden: “Nee, dat kan niet, dat is godsonmogelijk.” Maar soms twijfelde hij en tenslotte kwam hij tot de conclusie dat “mode, tenminste in sommige aspecten, even erg is als voetbal”.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Max Pam

Kousbroek (1929-2010) leefde in een eeuw dat er nog van sportverdwazing werd gesproken. Wanneer een land op de Olympische Spelen veel medailles had behaald, zoals de DDR, dan werd dat beschouwd als een teken van gebrek aan beschaving of zelfs van barbarij. Een land met zoveel sportsuccessen moest uitsluitend bewoond zijn door idioten als Erica Terpstra.

Maar in de sport heeft de DDR op alle fronten gewonnen. Daarentegen is de tijd voorbij dat Kousbroek voor een belangrijk schrijver werd gehouden, en dat ligt wat mij betreft niet aan Kousbroek maar vooral aan de tijd. Kousbroek is helemaal uit de mode en misschien zou ik ook geen aandacht aan hem hebben besteed als niet Karl Lagerfeld (1933-2019) onlangs was gestorven. Ze waren generatiegenoten, maar grotere verschillen zijn nauwelijks denkbaar. Probeer je je eens voor te stellen hoe Kousbroek er zou hebben uitgezien in de kleren van Lagerfeld, en vice versa.

Het is natuurlijk ironisch dat Kousbroek zelf de naam droeg van een kledingstuk. De kousbroek leek op wat je tegenwoordig een legging of maillot zou noemen en was bedoeld om het onderlichaam van voet tot aan taille te bedekken. Of Kousbroek er wel eens een gedragen heeft, weet ik niet, maar het zou mij niet verbazen wanneer hij er actief naar heeft gezocht.

Kousbroek zelf zag er altijd heel “gewoontjes” uit. Wat hij droeg, veranderde tijdens zijn leven nauwelijks: colbertjasje, overhemd, broek. Meestal een das, zeker bij meer formele aangelegenheden. Aan wat hij droeg, was doorgaans weinig te beleven. Een burgerman, die in zijn uiterlijk niet wenste op te vallen. Daar zat natuurlijk een filosofie achter, want het ging bij Kousbroek niet om het uiterlijk – het ging bij hem om het innerlijk. Om wat je dacht, maakte en schreef – daarin moest je opvallen! Of je de wereld verbaasde met een gestileerde, door Dior ontworpen fluitketel op je hoofd, dat was bepaald niet Kousbroeks ding.

Maar dan die Karl Lagerfeld. Mijn god, wat zag die man eruit! De totale smakeloosheid in al zijn levensfasen. Altijd zwart-wit als de Zwarte Zwadderneel, met de veel te hoge witte boorden van de dominee-pimp, die een paar vrouwtjes heeft lopen in het plaatselijke bordeel. Alles wat die man heeft “ontworpen” ademt nouveau riche in zijn meest banale vorm. Het is Lagerfeld die pas echt de kleren van keizer van de mode heeft gebracht, alleen is hij er – anders dan de naakte keizer – dubbel en dwars mee weggekomen. Crying to the bank, all the way. En dan te bedenken dat alles wat hij binnen heeft gegraaid kennelijk niet eens genoeg was om zichzelf een passend kunstgebit te laten aanmeten.

Petje af voor Karl, die volgens het mode-vrouwtje Cécile Narinx niet eens “vernieuwend” is geweest. Eigenlijk is het ongelooflijk dat deze man het heeft gebracht tot de baas van een de grootste modehuizen en dat vrouwen kritiekloos bereid zijn geweest fortuinen uit te geven voor kleren die volgend jaar alweer als verouderd in de kast werden gehangen.

Dat brengt mij terug bij Kousbroek, die schreef dat mode geheel ten onrechte wordt beschouwd als een kunstvorm: “Als iets vorig jaar mooi was, dan is het dat nu nog: als iemand er vandaag me voor gek loopt dan was dat vorig jaar ook al zo. Als iemand een schilderij of een ander kunstvoorwerp koopt en er verrukt is, en zich er een jaar later voor schaamt, dan zijn er maar twee mogelijkheden. Of het kunstwerk was slecht, of de betrokkene was niet goed snik. Zo is het ook in de mode: daarvoor geldt trouwens vaak allebei”.

Weliswaar bestaat ook in de kunst het verschijnsel dat de waardering voor een werk kan veranderen, maar dat een Rembrandt ineens van de ene op andere dag uit de mode kan zijn, zoals bij wijde broekspijpen, dat komt in de schilderkunst nauwelijks voor. Mode is juist de ontkenning van kunst, volgens Kousbroek. “Het is een truc om mensen te veel te laten betalen voor iets, het ze vervolgens weg te laten gooien, terwijl er nog niets aan veranderd is, en ze daarna weer veel te veel te laten betalen voor iets soortgelijks.”

Het personeel dat in modezaken werkt, behoort volgens Kousbroek tot het meest lusteloze en gemelijkste volk dat op deze aarde rondloopt. “Het zijn vertegenwoordigsters van de modeterreur, die de klanten minachtend laten voelen dat zij er zonder blouse met drie mouwen uitzien als een vogelverschrikker, voor zover hun verveelde opmerkingen niet onverstaanbaar zijn door de popmuziek.”

Hoe tijdloos Kousbroeks observatie is, blijkt uit een bericht van vorige maand, waarin wordt gemeld dat ‘de rapper Lil’ Kleine veertigduizend euro uitgaf in een Parijse modezaak, omdat het personeel hem wegkeek’. Alles in dit bericht is weerzinwekkend: de rapper die er even veertig ruggen tegenaan kwakt om te showen hoe gevuld hij is, de wezenloze spullen die hij koopt – “doe die hutkoffer er maar bij” – en de lamlendige winkelbediendes die vragen of hij dat allemaal wel kan betalen. Hoewel, dat zou ik met zo’n stompzinnige klant vermoedelijk ook hebben gedaan.

Toen Lil’ Kleine had afgerekend, riep hij: “Hier kom ik dus nooit meer.” Ja, dat zal ze leren in Parijs!

Schrijven tegen de mode is volgens Kousbroek vechten tegen de bierkaai. Het papagaaiengepraat van de modedeskundigen is in alle kieren van onze samenleving doorgedrongen. Je vindt op elke televisiezender en je vindt het elke dag in elke krant, ook in mijn krant, de Volkskrant. Daar schreef Cécile Narinx afgelopen vrijdag over twee pagina’s: “Trek die hoodie maar uit, volgend jaar dragen we ruiten, knielange rokken en wollen truien, in grijs en donkerblauw. Mag suf klinken, maar op de catwalk in Parijs zag het er verdraaid lekker uit. Precies waar je zin hebt als je geen monstersneaker meer kunt zien.”

Let op het ‘we’.

Dat is geen journalistiek, dat is de verkooptruc om ons rijp te maken voor weer iets nieuws dat wij volgend jaar naar het Leger des Heils zullen brengen. De stijl van schrijven is tante Betje op z’n Coco Channels: “Je kon er natuurlijk de klok op gelijkzetten. Hangen alle modewinkels vol met nogal mannelijke sportieve kleding voor vrouwen, wordt er op de catwalks met mode voor de komende winter uit een héél ander vaatje getapt.”

Net had ik de klokken gelijk gezet en twee pagina’s lang uit dat hele andere vaatje getapt, toen ik eindelijk de pagina wist om te slaan, om daar geconfronteerd te worden met het bericht dat je op je werk bij Goldman Sachs geen pak met das meer hoeft te dragen. Het Duitse merk Hugo Boss had het al voorspeld: “stropdas en kostuum keren vooralsnog niet terug op de werkvloer”.

Ik wist dat niet, maar ik ben meteen naar mijn klerenkast gehold om die ene das die ik nog bezit strak om de nek te trekken.

Onderwerpen