Atte Jongstra: ‘Waren de geallieerden echt zulke moraalridders?’

Jeroen Konings 26 mrt 2019 Cultuur

Atte Jongstra (Terwispel, 1956) is een veelzijdig schrijver met een breed oeuvre van romans, essays en poëzie. Vandaag (26 maart) verschijnt zijn nieuwe roman De Aardappelcentrale, over een groep kunstenaars die probeert de Hongerwinter te overleven.

Zeg, waar gaat dat boek eigenlijk over?

“Over kunst, overleven en aardappelen. Een losbandig stel kunstenaars probeert te overleven in de laatste fase van Tweede Wereldoorlog. De beruchte Hongerwinter staat voor de deur. Middels zwarte handel en kunstvervalsingen poogt de groep aan voedsel te komen. De kunstvervalser van het gezelschap stelt voor om de aardappel als symbool te gebruiken. Ze besluiten vervolgens onder de naam ‘De Aardappelcentrale’ een standbeeld van de ‘onbekende overlever’ te plaatsen – een standbeeld van een aardappel dus. Het beeld wordt anoniem geplaatst.”

“Een onbekend persoon maakt van het standbeeld vervolgens een verzetsbeeld door een bordje met ‘Weg met Pieper Adolf, wij willen echte aardappelen’ bij het kunstwerk te plaatsen. Omdat de bezetter ‘De Aardappelcentrale’ op het spoor komt, besluit het stel kunstenaars te vluchten, naar het reeds bevrijde zuiden.”

“Zo begint het gezelschap aan een reis door gebieden die vlak achter het front liggen. Het is niemandsland, en dus ook niemands moraalland. Ze stuiten op plundering, verkrachting, vernieling, noem maar op. Niet alleen van de bezetter, maar juist ook van de bevrijder.”

Hoe bent u op dit onderwerp gekomen?

“Kunstvervalsing in de oorlog heeft me altijd erg geïnteresseerd. Adriaan Venema heeft dat met zijn boek Kunsthandel in Nederland 1940-1945 in mij aangewakkerd. Moraal in de oorlog is het hoofdthema in mijn boek. Donald Trump heeft moraal als politiek issue weer actueel gemaakt, maar moraal in de Tweede Wereldoorlog leidt nog steeds tot interessante vraagstukken.”

“Wat maken we bijvoorbeeld van de grijze en relatief onzichtbare amoralisten die in de oorlog stilletjes met de bezetter mee bewogen? Waren zij immoreel? Dat zou je kunnen beweren. Maar je zou ook kunnen zeggen dat als je wilt overleven, moraal als eerste overboord moet.”

“Een ander voorbeeld is het beeld van de bezetter en de bevrijder. Die tweedeling insinueert een duidelijke scheiding tussen het goede en het kwade. Ik vraag me dan af hoe dat in de werkelijkheid is gegaan. Waren de geallieerden nou echt zulke moraalridders? Die vraag komt in mijn boek veelvuldig aan bod.”

Wat is de mooiste zin uit het boek?

“‘Zo stond ze in de deurpost van de badkamer: gekleed in niets, op haar hoofd rustte een zwarte uniformpet, de tepel van haar linkerborst werd bedekt met een zwartlederen ban­delier, bevestigd aan een koppelriem die inderdaad erg strak zat; ze hield met gestrekte armen een dienblad voor zich uit met daarop een flesje, een gummiknuppel en een korte stok met afhangende kleine riempjes.’ Deze zin is mijn kortste samenvatting van een vrouwelijk NSB-personage, die haar moraalschuld met lijfstraf wil aflossen, maar wel graag seksueel.”

En de lelijkste?

“‘Het bombardement op Leuven door dronken ne­gerpiloten uit Amerika?’ Een zin als deze vinden we nu verwerpelijk, de moraal is veranderd. Het woord ‘neger’ is moreel besmet geraakt. Alles vloeit, dus ook de moraal. En ik citeer hier. Uit mijn eigen mond komt geen ‘neger’ meer. Uit mijn eigen pen vloeit trouwens ook zelden een lelijke zin.”

Hoe snel schrijft u?

“Ik schrijf vrij vlot. Over een boek als dit doe ik ongeveer een jaar. Ik schrijf gewoon tijdens kantooruren, met een kwartiertje lunchpauze. Of nou ja, tot een uur of drie ’s middags dan. Dan zit ik er meestal wel doorheen. Ik begin ’s ochtends met het teruglezen van wat ik de dag ervoor heb geschreven. Dat is handig om twee redenen: ten eerste redigeer je de tekst, ten tweede brengt het je terug in je verhaal. Zo laat je het boek zichzelf schrijven. Het helpt je om naar de tekst en de personages te luisteren. Zo kun je zien of ze wel mee willen naar waar je van plan was te gaan. Personages leggen je hun eigen wil op.”

Waar schrijft u mee?

“Ik schrijf niet met een machine, maar gewoon met Word op mijn laptop, eigenlijk ook een machine natuurlijk. Word is met name voor verwijzingen een uitkomst. Ik heb ooit, in het computerloze tijdperk, een boek geschreven met 748 voetnoten. Omdat ik de volgorde van de tekst nog weleens aanpaste heb ik alle voetnoten wel vijf keer moeten overtypen. Over dat boek heb ik uiteindelijk drie jaar gedaan.”

 Hoeveel verdient u eigenlijk aan zo’n boek?

“Ik heb mezelf laatst nog in HP als nooddruftige schrijver neergezet. Dat beeld klopt nog steeds. Ik verdien niet veel per boek. Ik heb gewoon een standaardcontract. Dat levert me tien of elf procent van de verkoopprijs per boek op. Reken maar uit.”

Welke schrijvers schaart u onder uw vrienden?

“Laurence Sterne, Émile Zola, Von Grimmelshausen, Montaigne, noem maar op. Oh, je bedoelt persoonlijke vrienden? Heel weinig. Schrijvers hebben de neiging om elkaar als concurrenten te zien. Dat is voor vriendschap erg ongemakkelijk. Schrijvers Mathijs van Boxsel en Rob Schouten spreek ik overigens wel veel. Alleen hebben we het dan dus nooit over literatuur. In plaats van schrijvers reken ik zodoende veel beeldend kunstenaars tot mijn vrienden. Dat geeft nooit gedonder.”

Wie is uw favoriete Nederlandstalige schrijver?

“Multatuli is mijn eerste keus, daar heb ik immers twee boeken over geschreven. Zijn kijk op de natuur is geweldig. Ik zie hem als een soort proto-ecoloog. Maar Willem Bilderdijk en Joost van den Vondel zijn voor mij ook erg van belang, met hun onvoorstelbare taalrijkdom. Dat zijn woordtrommels, om in te wonen.”

Tot slot: op het huis van welke schrijver zou u wel een precisiebombardement willen laten uitvoeren?

“Mag ik ze van tevoren opbellen om ze te waarschuwen? Niemand hoeft van mij dood.”

Reageer op artikel:
Atte Jongstra: ‘Waren de geallieerden echt zulke moraalridders?’
Sluiten