Parijs Roubaix 2019: de geschiedenis van de derde hond

Frank Heinen 15 apr 2019 Mening

Stel: je doet een schone onderbroek aan, zet je vierkante montuur op en bezoekt een marathonvoorstelling waarop de Oscarwinnende korte films van de laatste veertig jaar worden vertoond. Uren later, stoned van de kwaliteit en met een blaas als een skippybal, kom je de foyer weer in, en graaft met je bacillenhand een schaaltje Japanse mix leeg. Je staart een tijdje naar een filmposter van een ‘kolderieke’ Franse film, terwijl je voelt hoe die ene vraag in je opborrelt, als een luchtbel in brak water. Wat ga ik hier in godsnaam van onthouden?

Zoiets had ik gistermiddag, maar dan zonder montuur en zonder Japanse mix en zéker zonder schone onderbroek, maar mét de jaarlijks marathonvoorstelling Oscarwaardige films die als Parijs-Roubaix in het uitzendschema staat.

Renato Scotti

Bij het krieken van de zondag begonnen Karl Vannieuwkerke en Michel Wuyts al aan hun eigen Hel: twee mannen die allebei liever spreken dan luisteren, een uur of zeven samen in een hokje. De renners galoppeerden door die streek waar de Thalys altijd extra lijkt te versnellen, zodat je niet hoeft te zien hoe grijs en arm en stoffig het er is, een beetje zoals ambassadeurs van de Postcodeloterij vroeger altijd in een grote fourwheeldrive dwars door een uitverkoren Afrikaanse nederzetting tot vlak voor de door de lotenkopers gefinancierde put werden gereden.
“U ziet dat het volle leven hier nog niet bloeit,” stelde Wuyts vast.
Wat heet: in het eerste deel van de Kleine Kapitein-trilogie van Paul Biegel komt een drijvende stad voor, Spookstad. Alle kleur is in die stad verboden, omdat de baas, de Norse Heerser, aan liefdesverdriet lijdt. Ik moet altijd aan Spookstad denken tijdens de eerste uren van Parijs-Roubaix. Ook gisteren was het weer grijs en duister. Zelfs het geboomte oogde nors. De wegen glooiden met zichtbare tegenzin en de dorpjes geeuwden en leken nauwelijks (of in elk geval: te weinig) onder de indruk van de jaarlijkse intocht van Renaat ‘de wind snijdt hier letterlijk door je gezicht’ Schotte, wielergoedheiligmens. Onderwijl wogen Karl en Michel 250 kilometer verderop en wogen de kansen van de Belg-… eeh, ik bedoel de favorieten. In Parijs-Roubaix mogen renners van andere nationaliteiten zich in principe wel inschrijven, maar het wordt niet aangemoedigd. Behalve dan als ze Peter Sagan heten, of Cancellara, en ze zo goed zijn dat ze kunnen uitgroeien tot de Voldemort du jour. Van Sagan, toch de titelverdediger, hoefden we wat dat betreft weinig te verwachten dit jaar, lieten Michel en Karl uitschijnen van boven hun koffiekoeken. Dat kwam, aldus Wuyts, door de “Zesdaagse van de Diarree” die hij eerder dit jaar scheen te hebben gewonnen. Voor Dillier, de Zwitser die vorig jaar tweede werd, waren ze angstiger: dat was een ‘vies manneke’. Niet vanwege een of andere zesdaagse die hij dit jaar al tot een bruin einde had gebracht, maar vanwege het feit dat hij zelden schijnt over te nemen. Was Dillier in Sint-Niklaas geboren, dan spraken wij liever over een ‘slimme coureur’.
‘Om 16.54 passeert er een trein in Chéreng,’ zei Wuyts.
Dat duurde nog zes uur. Die moesten we nog kunnen halen.
Daarna was het al bijna tijd voor het nieuws. Renaat(Wuyts zou hem later die dag nog ‘Renato Scotti’ noemen) ging ergens een pain saucis eten.

Wat onthoud je? Je hoofd is een parkeerplaats in Castricum op de eerste zomerdag van het jaar: voor de lunch kan er al niks meer bij.
Onthoud je de valpartijen? Iljo Keisse die een verkeersbord uit de straat kopt, Tiesj Benoot door de achterruit? Onthoud je de naam Stablinski (hoeft niet, word je toch jaarlijks aan herinnerd)? Onthoud je Wout van Aert, die lek rijdt, achtervolgt, onderuit glijdt, achtervolgt, aanvalt, zich opblaast, achtervolgt, een volgauto ontwijkt, blaast, zucht, versnelt, zijn hoofd schudt en als een mottig cyclocrossertje in Roubaix arriveert, dertien statiën van de kruisweg achter de kiezen en dan nog die schimmeldouches erachteraan. Ik zag hem zitten, Van Aert. Op het middenterrein van de wielerbaan. Hij kon niks meer uitbrengen en oogde als iemand die na een overstroming huis en haard is kwijtgeraakt. Daarna legde hij zijn hoofd te rusten op een gele plastic zak – vermoedelijk alles wat er nog van zijn bezittingen restte.
Onthoud je het Bos? Het Hellegat? De Grote Oef? Echt? Ook als er eigenlijk niets gebeurt, ondanks dat ze op tv blijven beweren dat het een ‘gekledder van a tot z’ is? Onthoud je Wesley Kreder, Lars Boom, Mike Teunissen, omdat je een geheide oranjeklant bent? Onthoud je de tranen van Sep Vanmarcke op de wielerbaan, de tranen van iemand die voelt hoe dat wat hij elk moment leek te kunnen grijpen elk jaar een beetje verder uit zijn bereik wordt geduwd, door een Opperwezen dat liever op de grote hoop schijt in plaats van de boel een beetje eerlijk te verdelen?
‘Hoe is het met je knie?’ vroeg de Sporza-verslaggever belangstellend.
‘Da interesseert mij momenteel nie,’ snikte Sep, die zijn beide knieën zou geven voor één kassei op een stukje hout.

Wat blijft je bij als je in augustus, onder een palmboom, terugdenkt aan Parijs-Roubaix 2019? Philippe Gilbert? De man die monumenten verzamelt zoals anderen suikerzakjes? Het enthousiasme van Marco Haller, half mens, half Afsluitdijk? Of toch Evaldas Siskvicius, de Litouwer die vorig jaar nog in alle (Baltische, hihi) staten was toen hij uit koers genomen dreigde te worden en voor wie ze de poorten van de hel moesten openzetten zodat hij, meer dan een uur na de winnaar, alsnog zijn anderhalve rondje over de wielerbaan kon rijden, in de schemering van de loser, en die nu als negende eindigde, vóór Van Avermaet. De mug, misschien niet direct een olifant geworden was, maar toch zeker wel een uit de kluiten gewassen waterbuffel. Sommige korte films maken zichzelf.

Derde hond
Het is teveel. Parijs-Roubaix, bedoel ik. Niet voor renners, die hoeven alleen maar vooruit. Ik heb het over de mensen die op de bank liggen en al die prikkels maar moeten zien te verwerken, al die teleurstellingen een plekje moeten geven, geestelijk bedoel ik, mensen die toch al met een zonnebril binnen moeten zitten vanwege het gebitt van Pollitt, die renners de gracht in zien rijden en ze er niet meer uit zien komen, want ja, we harken door en de koers wacht op niemand en zo, behalve op de machinist van een trein in Chéreng natuurlijk.
Renato Scotti vatte het vanaf de motor als volgt samen: ‘Erg veel evenementen!’
Het geheugen is een vreemde machine. Je weet wat er in gaat, maar wat er uit komt, blijft afwachten. Als ik moet gokken, qua Parijs-Roubaix 2019: Nils Pollitt. Die lange armen, als wurmen aan zijn schouders gekleefd en die tanden, die tot de zeldzame zaken behoren die je scherper gaat zien als je er verder van verwijderd bent. Hoe hij bijna (ei zo na) won, als onbekende buitenlander, wat volgens mij helemaal niet mag.
“Denk aan de geschiedenis van de derde hond,” zei Michel Wuyts bezorgd. “Al is Pollitt natuurlijk geen hond.”
Prima titel wel voor de Pollitt-kortfilm die in mijn hoofd nog even zal blijven draaien: De wonderlijke geschiedenis van de derde hond.

Reageer op artikel:
Parijs Roubaix 2019: de geschiedenis van de derde hond
Sluiten