Spring naar de content
bron: FIlmdepot – Ganz

Docu’s over creatieve geesten: van ontroerend tot slappe hap

Na het bioscoopgeweld van de nieuwe Marvelfilm Avengers: Endgame – in Nederland staat de teller na een week al op 600.000 bezoekers – doen de meeste filmdistributeurs het nu even rustig aan. Zo gaan er deze week op kleine schaal twee documentaires uit voor de niet-superheldenfans, te weten Ganz: How I Lost My Beetle en The Man Who Stole Banksy.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Nico van den Berg

Op het eerste gezicht zijn dit twee totaal verschillende docu’s, maar er is een intrigerend verband tussen deze twee te trekken. Allebei gaan ze over creatieve genieën waar een flinke controverse omheen hangt. En verder liggen de titels ook lekker op één lijn: bij de één is wat gestolen, de ander heeft wat verloren.

De meest interessante en curieuze van de twee is Ganz: How I Lost My Beetle, een documentaire van eigen bodem, gemaakt door Suzanne Raes, die eerder portretten maakte van De Dijk, Boudewijn de Groot en de Nederlandse Olympische zwemploeg. Voor haar nieuwste film stortte ze zich niet alleen in het verleden, maar ging ze ook de grens over. Centraal in de documentaire staat namelijk Joseph Ganz, een Duitse ingenieur die in de jaren ’30 zijn autoliefde combineerde met zijn technisch talent en zo het concept en design voor wat later de Volkswagen Kever zou worden, ontwierp. De grote autobedrijven stonden in de rij om hem in te huren, ook omdat er nog geen betaalbare auto voor de gewone man was. Voor Hitler, die vanaf de jaren ’30 zijn macht snel wist uit te breiden, was een auto voor iedereen een ideaalbeeld. Niet voor niets legde hij in razend tempo een landelijk netwerk aan Autobahnen aan. Maar de briljante auto-ontwerper Ganz was Joods, dus dat paste niet helemaal in het plaatje van het Derde Rijk. Ganz kwam al snel zonder werk te zitten, terwijl delen van zijn ontwerp door Volkswagen werden gebruikt voor het succesvolle Kever – ofwel ‘Beetle’ – project. Ganz vluchtte, gewaarschuwd door vrienden, vlak voor de oorlog naar Zwitserland en wist te overleven. Maar credits voor zijn autowerk kreeg hij nooit, en verbitterd emigreerde hij naar Australië waar hij in 1967 overleed.

Het is op zich al een tragisch en fascinerend verhaal, maar Raes tilt het door haar aanpak nog een paar niveaus hoger. De kleine auto die Ganz ontwierp, is het ideale symbool van de kleine man tegenover de grote dreigende naziwereld. Zo wordt het verhaal van de Kever een ontroerend vehikel voor het geknakte leven van een man die er niet had mogen zijn.

Het verschil met de succesvolle Britse straatartiest Banksy kan niet groter zijn. De kunstenaar wiens identiteit nog altijd een mysterie is, maakte in 2007 een aantal graffititekeningen op de betonnen muur die Israël afscheidt van Palestijns gebied. Eén ervan, een tekening van een soldaat die de papieren van een ezel controleert, zorgt bij veel Palestijnen voor zo veel frustratie (“het doet niets aan de armoede hier”) dat het kunstwerk door een gespierde taxichauffeur van de muur wordt gebeiteld en op eBay voor veel geld wordt verkocht, waarna het via vage doorverkoopconstructies de halve wereld rondzwerft.

De opzet van The Man Who Stole Banksy wordt al snel duidelijk als we een lange stoet aan pratende hoofden voorbij zien komen. Niet alleen de stoere taxichauffeur, maar ook kunsthandelaren, advocaten en louche dealers doen allemaal een duit in het zakje: is het allemaal wel kunst, van wie is graffitikunst eigenlijk, is dit soort street art geen gebakken lucht waar krankzinnig hoge bedragen voor worden betaald?

Deze vragen hadden een waanzinnig interessante documentaire kunnen opleveren, maar het resultaat is even saai als vervelend. Want waar de film van Raes over Ganz nog een goed uitgedachte structuur heeft met mooie beelden die ook in de bioscoop nog boeiend blijven, komt de Banksy docu met rommelig camerawerk en een houtje-touwtje opzet niet boven een middelmatige tv-reportage uit. En waar de film over Ganz een krachtige voice-over heeft alsof we de stem van Ganz zelf horen, heeft de Banksy film de nietszeggende commentaarstem van Iggy Pop die zo te horen nooit heel veel zin in deze klus kan hebben gehad.

Dat creatieve genieën zelden ook helden zijn, maken beide documentaires in elk geval wel duidelijk. Zowel Ganz als Banksy zijn – elk op hun eigen terrein – verguisd en opzij geduwd door grote machten en belangen, of het nu gaat om de auto-industrie of de kunstwereld. Met Ganz: How I Lost My Beetle, heeft Joseph Ganz nu een klein maar indrukwekkend monument gekregen die zeker rond vier mei een plek in de bioscoop verdient. Het enige dat je na het zien van het slappe The Man Who Stole Banksy denkt, is: ‘deze film kan me gestolen worden’.

Ganz: How I Lost My Beetle en The Man Who Stole Banksy draaien vanaf 2 mei in een aantal Nederlandse filmtheaters.