Spring naar de content
bron: Wikimedia Commons

Op de sofa: Vuurspugen met Wilders

Politiek turbulente tijden vragen om introspectie. Dat geldt ook voor politici. Zij nemen maar wat graag plaats op de divan om in hun kracht te komen. Lucien de Bock geeft een inkijkje in de binnenwereld van de machtigsten van Nederland. Op basis van deze fictieve gesprekken kan geen diagnose worden gesteld en alle feiten zijn afkomstig uit het publieke domein.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Lucien de Bock

Ik zag er altijd een beetje tegenop als Geert weer langskwam. Het had altijd veel voeten in de aarde, de bewakers moesten eerst mijn spreekkamer inspecteren en de straat werd afgezet. Ook vond ik een sessie met Geert een uitdaging omdat hij me altijd een machteloos gevoel gaf door zijn onderliggende woede en ongeduld.

Toen hij eenmaal zat, zag ik aan zijn strak vertrokken gezicht dat hij woest was. Meestal informeerde hij eerst naar mijn welzijn, maar nu stak hij direct van wal. “Ondankbare honden zijn het, werkelijk godgeklaagd deze vertoning.” Altijd als hij emotioneel was, had hij meer last van de zenuwtrek rond zijn mond, waardoor net leek alsof hij een droge mond had.

Ik keek hem rustig aan en zei “ik zie dat je verschrikkelijk boos bent, wat raakt je zo?”

“Wat raakt je zo?”, bouwde hij me na. “Nou, wat dacht je van die uitslag van de verkiezingen? Dat is nog tot daaraantoe, maar vervolgens die reacties! Of ik ga aftreden, of er geen opvolger is en ga zo maar door.” Ik zag dat hij trilde van woede en zijn gezicht was nog witter dan anders. “En dat terwijl wij het beste verhaal hebben, nu en in de toekomst.” Het was altijd de kunst om te zorgen dat Geert niet tegen me ging speechen of me de les ging lezen over goed en kwaad.

“Je voelt je enorm gekrenkt,” zei ik rustig. “Ik gekrenkt? Hou toch op man,” reageerde hij fel. “Ik begrijp gewoon niet dat mensen niet luisteren. Als ze niet op mij stemmen dan loopt het slecht met ze af, heel slecht. Dan islamiseert Nederland in een ongekend rap tempo en raken we ons mooie land kwijt. Is dat wat ze willen?”

Nu was het zaak om de vertaalslag te maken naar de binnenwereld van Geert. “Ik begreep dat jij in elk geval gewoon doorgaat en dat er niks verandert, toch?” “Ja reken maar,” antwoordde hij strijdlustig “ik ben de PVV en ik blijf de PVV, zelfs achter mijn rollator zal ik nog strijden voor dit land.”

“Geert, dat frustrerende gevoel dat jij de anderen wil redden maar dat ze je inspanning niet genoeg waarderen en je misschien wel laten vallen, zoals nu, is dat een oud thema voor je?”

Ik zag aan zijn lichaamstaal dat hij dit onderwerp slecht verdroeg en alweer van binnen begon te koken.

Hij keek me kwaad aan vanonder zijn wenkbrauwen en antwoordde “toen ik tien jaar oud was, probeerde ik mijn klasgenoten mee te krijgen om de oliecrisis aan te pakken. Ik had een duidelijk pamflet geschreven over de noodzaak van benzine op de bon. Die dommeriken begrepen niet dat de oliecrisis een echt probleem was en vonden mij maar een vreemde snuiter. Ze lachten me sowieso vaak achter mijn rug uit vanwege mijn Indische uiterlijk. Ik was toen al een outsider.”

“En dat ben je gemakshalve de rest van je leven maar gebleven,” kopte ik in.

Geert reageerde niet en vertelde verder: “Rond mijn 18e ontdekte ik in Israël wie ik ben. We moesten in Moshav Tomer regelmatig naar de schuilkelder rennen vanwege de magnesiumbommen vanuit Jordanië. Ik voelde het gevaar, de adrenaline en had voor het eerst het gevoel dat ik echt leefde. Simpelweg omdat je ook dood kon gaan. Toen wist ik opeens dat ik de strijder ben die de opdracht heeft om de vijand te verslaan.”

“Klinkt dat niet een beetje hoogdravend, Geert?”, vroeg ik voorzichtig.

Hij reageerde weer niet op mijn vraag en ging vol vuur verder “In Venlo zeggen we altijd de kins d” n aezel waal nao de baek leie maar um doon zoèpe kanste neet. Dat betekent: domme mensen kan men niet alles leren. Dus die hebben iemand nodig om ze te beschermen, een held.”

“Maar je bent wel kwetsbaar als mensen je heldendom, inclusief je opofferingen niet voldoende erkennen of zelfs in twijfel trekken…”

“Nou, maak je daar maar geen zorgen over, Lucien,” antwoordde hij.

Ik keek hem vragend aan en zag dat hij toch worstelde met iets. “Nou het feit dat mijn Eerste Kamerlid Dannij van der Sluijs mij openlijk bekritiseert, of dat zelfs mijn trouwe twitterfan Michel vraagtekens bij m’n functioneren zet sinds de verkiezingsnederlaag, dat voelt als een dolksteek in mijn rug. En nu ook nog die twitterban!”

Ik reageerde empathisch “kortom, allemaal zaken waar je slecht mee om kan gaan en die enorm veel impact hebben op je”.

Hij begon opnieuw vuur te spuwen “die onnozele idioten, blind zijn ze, stekeblind!”.

Ik concludeerde dat zijn afweer nog erg gepantserd was en dat we nog een aantal sessies nodig hadden.