Spring naar de content
bron: Wikimedia Commons

Waarom ik het benauwd krijg van zogenaamde vrouwenkunst

Wekelijks schrijft Joke de Wolf op zaterdag een column over kunst. Deze week: geef jonge vrouwelijke kunstenaars docenten die net als zij vrouw zijn, of gekleurd, of allebei.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Joke de Wolf

Meisjes kunnen niet voetballen, zeiden de jongens. De jongens konden het weten, zij konden het wél, dus geloofde ik ze blind. Ik kan me niet herinneren dat we op de lagere school ooit één serieus spelletje voetbal met de hele klas hebben gespeeld. Op de middelbare school kwamen alle teamsporten voorbij tijdens de gymles. Behalve voetbal, volkssport nummer één, dat was van de jongens, argumenten hoefden ze niet eens te geven. Op tv zag ik als tienjarige Van Basten, Gullit en Rijkaard het EK winnen, en begreep dat ik nooit zo zou kunnen voetballen als zij.

In de VS zijn honkbal en American Football jongenssporten, en zo werd het voetbalveld meisjesterrein. Amerikaanse jongens kunnen niet voetballen, de meisjes wel. Dat die meisjes niet genoegen nemen met suffe interviewtjes over het wedstrijdverloop maar met politieke statements komen en het over homoseksualiteit hebben verbaast vooral het inmiddels wat oudere jongenspubliek. Kunnen ze niet gewoon net als de jongens hun mond houden? Waarom die show eromheen? En wat doet sport überhaupt in deze kunstcolumn?

De vergelijking tussen sport en kunst wordt vaak gemaakt, al zijn er nauwelijks overeenkomsten. Bij sport doet iedereen, alleen of in een groepje, hetzelfde truukje en degene die dat truukje het snelst, het verst of het vaakst kan is het knapst. Bij kunst gaat het erom níet hetzelfde te doen als de anderen, zijn er geen winnaars. Bij sport zijn regels heilig, bij kunst gaat het er vaak om ongeschreven regels te overschrijden. Het thema van sport is winnen, beter zijn dan de ander en de grenzen van het menselijk kunnen opzoeken, kunst kan over alle facetten van het leven gaan. Sport heeft dagelijks uren prominente zendtijd op de Nederlandse tv, een goed Nederlands tv-programma over beeldende kunst is zeldzaam en de enige keer dat beeldende kunst het journaal haalt, is als er een schilderij gestolen of geveild is. Sport wordt op de lagere school zelfs door de koning gepromoot, kunstonderwijs wordt gezien als elitair luxeproduct.

Toch is er één onderdeel waarbij de vergelijking wél opgaat: vrouwen lijken als sporter én als kunstenaar serieuzer te worden genomen. De laatste paar jaar zijn er opvallend veel tentoonstellingen met werk van oudere vrouwelijke kunstenaars  – noem ze alsjeblieft geen kunstenaressen of schilderessen, het gaat om volwassen kunstenaars die toevallig vrouw zijn, geen dames die zo af en toe wat bloemetjes aquarelleren. Kunstenaars die vaak hun leven lang ondanks hun ambitie en talent in de marge werkten, niet mee mochten doen met de jongenskliekjes van bijvoorbeeld de New Yorkse kunstscene, geen solo-tentoonstellingen kregen in galeries, niet serieus werden genomen door de grote musea. Vrouwen konden immers niet schilderen, zeiden de mannen.  

Daarbij werd voor het gemak vergeten dat tot ver in de twintigste eeuw vrouwen ook niet móchten leren schilderen, niet op de manier waarop mannen dat deden, niet naar naaktmodellen, niet op de academie. Bij het Bauhaus, de illustere Duitse kunstacademie die dit jaar in het zonnetje staat, werd vrouwelijke studenten dringend verzocht zich bij de weefgetouwen te houden, en vooral niet architectuur of schilderkunst te bedrijven. De dochter van Gerrit Rietvelds geliefde Truus Schräder-Schröder wás architect, gediplomeerd in Zwitserland, maar mocht in het na-oorlogse Nederland alleen maar schoolgebouwen ontwerpen. Gedesillusioneerd vertrok ze naar de VS. Het ontbrak de vrouwen niet aan talent of ambitie, wel aan de mogelijkheden dat te ontwikkelen. En aan de voorbeelden. Inmiddels zijn die er: Marlene Dumas, Tracey Emin, Marina Abramovic, Rineke Dijkstra, Irma Boom, Francine Houben. Anders dan bij de sport hebben vrouwen geen fysiek nadeel bij het maken van kunst ten opzichte van hun mannelijke collega’s, ze kijken wél anders naar de wereld, bijvoorbeeld naar het vrouwelijk naakt  – ik noem maar even het meest populaire onderwerp uit de kunstgeschiedenis. Zo kijkt de kunstkijker m/v ook eens door een vrouwelijke bril.

Bij het afgelopen WK (dat van het vrouwenvoetbal natuurlijk) zag ik voor het eerst voetbal dat ik zelf had kunnen spelen. Ik zag vrouwenlichamen, tengere bovenarmen, vaak met lang haar, zonder make-up, bezweet, geconcentreerd. Na veertig jaar alleen maar mannenlijven te zien voetballen is dat een grote overgang. Voor deze vrouwen was het niet zomaar een kampioenschap, ze wisten heel goed dat ze hiermee een voorbeeld worden voor zoveel jonge meisjes die zien dat voetbal geen mannenprivilege meer is. Het was eindelijk gelijk spel, en dat voelde als een grote overwinning. Megan Rapinoe’s triomf was terecht, en onvergelijkbaar met welke voetballende man dan ook.

Nu is er in de Nederlandse musea ook een groepsgevoel ontstaan, een liefde voor de vrouwenkunstenaarsgroepstentoonstelling. Een greep uit het aanbod sinds vorig jaar: Femmes Fatales (Haags Gemeentemuseum), De moeder de vrouw (Assen), Powervrouwen (De Havixhorst bij Meppel), Meesterlijke vrouwen (Schiedam) en Vrouwen van Museum Gouda.  Vast goed bedoeld, ik krijg het benauwd van die zogenaamde vrouwenkunst. Probleem is namelijk dat die speciale tentoonstellingen nog steeds suggereren dat er een verschil is in kwaliteit en genre: je kunt de kunst gemaakt door vrouwen blijkbaar niet vergelijken met die van hun mannelijke generatiegenoten, dan zou die van de vrouwen door de mand kunnen vallen. Woorden als ‘fataal’, ‘sterk’ en ‘stoer’ maken de tentoonstellingstitels armoedig – vervang vrouwen door mannen en je begrijpt waarom. Of draai het om, ook leuk: ooit een tentoonstelling aangekondigd gezien met kunst van elegante mannen?

Geef jonge vrouwelijke kunstenaars docenten die net als zij vrouw zijn, of gekleurd, of allebei.

De mensheid bestaat voor ongeveer vijftig procent uit vrouwen. Aangezien die vrouwen in het verleden een behoorlijke handicap hadden bij het maken van kunst, kan je niet verwachten dat de hele kunstgeschiedenis opeens als fifty-fifty wordt herschreven. Er zal geen vrouwelijke Rembrandt ontdekt worden, het Rijksmuseum kan de Eregalerij wat dat betreft met rust laten. Het kan tegelijkertijd geen kwaad om, net als het veelbesproken vrouwenquotum van de TU in Eindhoven, musea en galeries met moderne en hedendaagse kunst een vijftig procentsregel in te voeren, zoals ook de Amerikaanse activisten van de Guerilla Girls al jaren roepen. Ik zou het graag uitbreiden naar de kunstacademies: geef jonge vrouwelijke kunstenaars docenten die net als zij vrouw zijn, of gekleurd, of allebei. De kunstcanon, ook die van de twintigste eeuw, zit vol vooroordelen die je als museum of galerie makkelijk kunt omzeilen zonder vrouwen als buitenaardse diersoort te behandelen. De kunstacademie is de eerste stap naar die podia, ook die mag best het goede voorbeeld geven.

Het Duitse vrouwenvoetbalelfal kwam aan het begin van dit WK met een video waarin ze duidelijk maakten dat ze best wat aandacht verdienden. En dat het prijzengeld nog wel wat te wensen overlaat. In 1989 kregen ze, toen ze Europees Kampioen werden, een theeservies. Inmiddels in 2019 kreeg Annemiek van Vleuten in de Giro Rosa een pannenset kado voor haar etappezege. Nog een overeenkomst met de sport, die voor musea en verzamelaars een voordeel kan zijn: op de kunstmarkt  is werk van vrouwen nog altijd honderden malen goedkoper dan dat van hun mannelijke tijdgenoten. En dat blijft zo te zien nog wel even zo.

Onderwerpen