Spring naar de content
bron: wikicommons

De butler van Caillebotte had de schilderijen bewaard

Wekelijks schrijft Joke de Wolf op zaterdag een column over kunst. Deze week over de toevallige ontdekking van vijf werken van impressionist Caillebotte, die zijn butler vereeuwigde op het doek.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Joke de Wolf

Het zou een begin kunnen zijn van een roman van Patrick Modiano. Op 10 januari betrad Sylvie Patry, adjunct-directrice van het Musée d’Orsay, het appartement van de mysterieuze Marie-Jeanne Daurelle. Een appartement op de zesde etage van een luxe gebouw in Levallois-Perret, een chique wijk net buiten de Parijse Périphérique.

Daurelle was kort daarvoor op 84-jarige leeftijd overleden zonder ooit contact te hebben gehad met het Musée d’Orsay. Wel had ze in haar testament vijf Caillebottes nagelaten aan het Parijse museum. Verder had ze geen erfgenamen, ze had altijd samengewoond met haar broer, net als zij vrijgezel. Hij was een paar jaar daar voor overleden. Patry ging het donkere appartement dus binnen. ‘Het was een van de hoogtepunten uit mijn carrière’, vertelde Patry afgelopen week aan dagblad Le Parisien:

‘Je voelde nog de aanwezigheid van het hele leven van deze mevrouw.’

Sylvie Patry

‘Je voelde nog de aanwezigheid van het hele leven van deze mevrouw. Was hing te drogen. Gordijnen open, licht stroomde naar binnen. Ik ontdekte drie schilderijen in de woonkamer en twee pasteltekeningen in de slaapkamer. Naast de televisie, boven de radiator. Het contrast tussen deze werken en het eenvoudige dagelijks leven, het behang, de gewone inrichting, was ontroerend.’

Gustave Caillebotte: Portret van Jean Daurelle ten voeten uit.
Bron: RMN-Grand Palais (musée d’Orsay) / Patrice Schmidt

Marie-Jeanne Daurelle was dan ook geen kunstverzamelaar: de enige kunst die ze had, waren deze vijf werken van Gustave Caillebotte (1848-1894). Ze had ze niet vanwege de kunstenaar maar vanwege de afbeelding: twee van de drie schilderijen zijn portretten van Jean Daurelle, de overgrootvader van Marie-Jeanne. Jean was de butler van Caillebotte.

Op de portretten van Caillebotte is hij gekleed als gelijke van de schilder; verkleed dus, compleet met hoge hoed en das.

Jean, afkomstig van een eenvoudige handwerkersfamilie, was butler in het buitenhuis van Caillebotte in Yerres, ten zuiden van Parijs (dat nu toegankelijk is voor publiek). Op de portretten van Caillebotte is hij gekleed als gelijke van de schilder; verkleed dus, compleet met hoge hoed en das. De twee pasteltekeningen zijn portretten van Camille, de zoon van Jean, grootvader van Marie-Jeanne. Mede dankzij de hulp van Caillebotte kon zoon Camille ook in het echte leven hogerop de maatschappelijke ladder komen, hij werd effectenhandelaar. Sinds het moment dat Caillebotte ze maakte waren ze in bezit van de familie gebleven.

Gustave Caillebotte: Portret van Camille Daurelle in het park van Yerres.
Bron: RMN-Grand Palais (musée d’Orsay) / Patrice Schmidt

Caillebotte was lang de minst bekende van de impressionisten. Tot in de jaren (negentien)tachtig werd hij vooral gezien als de rijke mecenas van de Impressionisten die voor de vorm een beetje meedeed met schilderen. In 1995 was er een eerste Caillebotte-tentoonstelling in Frankrijk, maar zelfs de conservatoren vonden Caillebotte’s werk stukken minder spectaculair dan dat van Degas of Renoir. Bij Caillebotte dan ook geen blozende doeken van net iets te lange lunch-bijeenkomsten van de elite in volle zon à la Renoir, of wulpse danseressen à la Degas. Caillebotte concentreerde zich, als hij schilderde, op zijn uitzicht uit z’n Parijse stadsappartement, of bleef zelfs gewoon binnen, waar hij in 1875 z’n meesterwerk schilderde van de Parketschavers: gewone arbeiders die met ontbloot bovenlijf de houten vloer spiegelend schaafden.

Vanaf 1887 trok de eeuwige vrijgezel zich terug in het familiehuis in Yerres, waar hij nog 89 schilderijen maakte van de tuin en de directe omgeving voordat hij in 1894 aan een herseninfarct overleed, 45 jaar jong.

Op dat moment begint een nu pijnlijke episode in de geschiedenis van de Franse musea.

Op dat moment begint een nu pijnlijke episode in de geschiedenis van de Franse musea – een die laat zien waarom het legaat van Marie-Jeanne zo aandoenlijk is. Caillebotte’s jongere broer overleed plotseling in 1876, en de schilder maakte kort daarop een eerste testament. Daarin schrijft Caillebotte dat de Franse staat al zijn kunst mag hebben, op voorwaarde dat ze ‘niet naar een zolder en niet naar een provinciaal museum gaan maar direct naar het Musée du Luxembourg (op dat moment het enige museum voor kunst voor levende kunstenaars in Parijs) en later naar het Louvre’. Tegen het accepteren van de 76 werken van onder anderen Degas, Cézanne, Manet, Monet, Renoir, Pissarro en Sisley wordt door allerlei partijen geprotesteerd: de Académie noemt het een ‘aanval op de waardigheid van onze school’, Salonkunstenaar Jean-Léon Gérôme vindt dat hij in een ‘eeuw van achteruitgang en imbeciliteit’ leeft omdat de staat dergelijk ‘afval’ wil accepteren. De bestaande musea hebben veel te weinig ruimte om de werken te kunnen tonen; uiteindelijk komen 28 schilderijen in een nieuw bijgebouw van het Musée du Luxembourg, speciaal voor de Impressionisten. In 1986 komt de collectie dan eindelijk terecht in het nieuwe Musée d’Orsay.

Al haar andere eigendommen heeft ze geschonken aan een goed doel.

Marie-Jeanne nam contact op met het museum in de jaren negentig, maar kreeg geen reactie. Ze werd benaderd door handelaren, maar weigerde afstand te doen van haar erfstukken. Al haar andere eigendommen heeft ze geschonken aan een goed doel. Ze had, schrijft Le Parisien, het Orsay opnieuw kunnen laten weten wat ze in huis had, maar ze deed het niet, ze zette de donatie alleen in haar testament.

De komende tijd zijn de vijf nieuwe aanwinsten te zien in Musée d’Orsay in Parijs, bij de zeven andere werken van Caillebotte die het museum bezit. En tussen alle andere Impressionisten die het museum bezit dankzij de jonggestorven kunstenaar.