Spring naar de content
bron: Pixabay

Nederland is een kleinburgerlijk ‘Oostenrijk aan de Noordzee’

Politicoloog Kemal Rijken betoogt dat Nederland niet op progressief Zweden of Noorwegen lijkt, maar op Oostenrijk. Minus de skipistes. In het kleinburgerlijke Nederland wordt groots denken afgedaan en regeert het navelstaren. “Progressief gedachtegoed bestaat hier wel, maar vindt te weinig uitwerking in het Haagse beleid omdat rechtse partijen altijd nodig zijn voor een meerderheid.”

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Kemal Rijken

‘Het bedrijfsleven is om: tijd voor meer vrouwen in de top’ kopte de NOS vorige week vrijdag op haar website. Het juichbericht kwam voort uit een mediacampagne van de Sociaal-Economische Raad, die eindelijk alle partijen in de polder op een lijn heeft gekregen voor een quotum voor meer vrouwen in de top van het bedrijfsleven. In andere Europese landen zijn dergelijke vrouwenquota er al jaren. Noorwegen is het lichtend voorbeeld, waar dankzij de maatregel nu veertig procent in de Raden van Bestuur uit dames bestaat. Nederland bungelt ergens onderaan met 18,4 procent en moet landen als Griekenland, Roemenië en Bulgarije voor zich dulden.

Hoewel deze dramatische positie sommigen zal verbazen, staat die niet op zichzelf. Steeds vaker staat Nederland, waar het de rijke landen betreft, onderaan de bekende lijstjes van de OESO en de EU. Geregeld komt het in het nieuws dat Nederland de boot mist. We lopen achter waar het gaat om kinderopvang, ouderschapsverlof en vrouwenparticipatie in het arbeidsproces, maar ook in zaken als het klimaatbeleid en het grote vermogensverschil tussen arm en rijk. Om over ‘het belastingparadijs’ en de stikstofnormen nog maar niet te beginnen.

Nederland oogt modern, maar als het erop aankomt heeft het een behoudende inslag.

Nederland oogt modern, maar als het erop aankomt heeft het een behoudende inslag. ‘We denken vaak dat Nederland net zo progressief is als Zweden of Noorwegen, maar diep van binnen is het eigenlijk een soort Oostenrijk aan de Noordzee’, zei een bevriend politicoloog onlangs tegen me, verwijzend naar het kleinburgerlijke Alpenland. Ik gniffelde, want ik zag de hoge bergen met skipistes langs het Noordzeestrand al voor me met Nederlanders die op lange latten naar beneden glijden. En met Rudi de skileraar uit de bekende reclame die tegen een groep Hollanders roept: ‘Biertje?’ Zo is het echter niet en zal het nooit worden. Voor après-ski moet je in Oostenrijk zelf zijn.

Maar inhoudelijk gezien geef ik die vakgenoot groot gelijk. Neem de politiek. Net als in Oostenrijk zijn in Nederland vrijwel altijd rechtse partijen in de regering vertegenwoordigd. Sinds de invoering van het algemeen kiesrecht is er bij ons nog nooit een kabinet geweest zonder een coalitiepartij met conservatieve inslag. Het ‘roemruchte’ kabinet Den Uyl uit de jaren zeventig lijkt een uitzondering, maar ook daarin regeerden behoudende, confessionele partijen mee. Progressief gedachtegoed bestaat wel in Nederland, maar vindt te weinig uitwerking in het Haagse beleid omdat rechtse partijen altijd nodig zijn voor een meerderheid.

Zulke beleidsplannen kosten nu eenmaal bakken vol geld.

Is er dan helemaal geen progressief beleid geweest? Jawel, maar dan vaak alleen als het betrekkelijk goedkope maatregelen waren. Voorbeelden zijn het homohuwelijk en de euthanasiewetgeving van twintig jaar geleden. Dat kon omdat er toen draagvlak voor leek te zijn, maar vooral ook omdat het relatief gezien weinig belastinggeld kostte. Andere progressieve plannen zoals gratis kinderopvang, langer ouderschapsverlof voor vrouwen én mannen of een vooruitstrevend klimaatbeleid kwamen er nooit. Zulke beleidsplannen kosten nu eenmaal bakken vol geld. Daar gaan we in de polder niet voor, want voor Hollanders geldt meestal: geen cent teveel!

Als je als regering progressief beleid wil uitvoeren, dan moet je daar veel geld voor uitgeven en bepaalde risico’s voor durven nemen. En je moet volhouden. Om in Oostenrijkse termen te blijven: aan dergelijke Sturm und Drang ontbreekt het momenteel. Nu het goed gaat met de economie heeft het kabinet wel een ‘mega-investeringsfonds’ voor de BV Nederland aangekondigd. Wanneer het er komt en hoe dat eruit moet zien, is nog niet duidelijk. Voor zo’n fonds moet geld geleend worden op de internationale markten. ‘Lenen’ is in Nederland een vies woord. Hoewel economen uit het buitenland aangeven dat het momenteel geen kwaad kan vanwege de negatieve rente, blijft het de vraag of Rutte III het wel aandurft om te lenen. Ook dit is een typisch voorbeeld van Hollandse kleinburgerlijkheid.

In wezen is ons koninkrijkje niet meer dan een nachtwakersstaat.

Groots denken wordt in Nederland afgedaan. Het navelstaren regeert. In wezen is ons koninkrijkje niet meer dan een nachtwakersstaat, waar momenteel alleen enige visie wordt getoond op het gebied van infrastructuur – Nederland heeft de beste, modernste snelwegen van Europa – en van handhaving – neem de trajectcontroles op dezelfde snelwegen. Echter, in tegenstelling tot landen als Oostenrijk kunnen we ons niet terugtrekken op de bergtoppen en in de Alpentunnels. Openheid, durf en vooruitstrevendheid zijn nodig om geen ‘Oostenrijk aan de Noordzee’ te blijven. Zo niet, dan zou ik zeggen: Alle bitte Lederhosen an!