Spring naar de content
bron: BNNVARA

De acteur Wim Pijbes

Wekelijks schrijft Joke de Wolf op zaterdag over kunst. Deze week trok een DWDD-optreden van oud-Rijksmuseumdirecteur Wim Pijbes haar aandacht, en in het bijzonder, zijn gebruik van het woord ‘kunstenares’.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Joke de Wolf

Handig, een oud-museumdirecteur die in New York is, moet de DWDD-redactie hebben gedacht. Kan hij mooi een preview geven van de nieuwe inrichting van het MoMA, want hij zal toch ook wel wat van moderne kunst weten.

Die preview begint met een tenenkrommend filmpje. Wim Pijbes pruttelt wat ‘oh’ en ‘ah’ terwijl hij het museum binnenstapt, dan volgen de oneliners: ‘Een zaal vol Matisse, dat kan alleen in het MoMA’ (wat dacht je van het Musée Matisse in Nice, Wim?).
Bij de Demoiselles d’Avignon van Picasso zegt hij: ‘Ja dit is de Nachtwacht van het MoMA’ (eens in het Rijks, altijd in het Rijks), ‘Te gek dat ernaast’ (een flits van een ander werk, zonder naam of titel), ‘Onze Vincent’ (behoeft geen toelichting). Wim omhelst een grijze kalende man: ‘Goed, dat was de directeur’. Willem de Kooning: ‘Een van de redenen om naar het MoMA te gaan’. Bij een abstract beeld: ‘Ja het lijkt of ze zijn vergeten het ergens anders neer te zetten’ (–) ‘De hele wereld komt ineens binnen. Afrikaanse kunstenaar, nog een Afrikaanse kunstenaar. Afrika in New York. Back to the eighties.’

In het gesprekje aan tafel bij Matthijs legt Pijbes nog even uit wat er zo bijzonder is aan de nieuwe presentatie, namelijk dat de ‘hele wereld in huis is gehaald: Azië, Afrika, dat is heel bijzonder’, en daarnaast is er – ook heel bijzonder – vijf keer zoveel kunst te zien van vrouwen dan eerder, op eenderde extra oppervlak.

Die Wim toch, altijd in de voorhoede.

Wim Pijbes is, begrijpen we nu, is uitgenodigd als acteur, om het schoolvoorbeeld te spelen van de Nederlandse kunstliefhebber die in 2019 in New York eindelijk zijn oogkleppen afdoet en merkt dat de wereld in de eenentwintigste eeuw is beland. Want Wim (en alle Nederlandse media die het MoMA als het enige serieuze buitenlandse museum ter wereld opvoeren) weet natuurlijk best dat het Centre Pompidou tussen 2009 en 2011 al een presentatie van de vaste collectie had met de titel Elles, gewijd aan kunst van vrouwen. Dat Chéri Samba, die naamloos voorbijkwam als ‘nog een Afrikaanse kunstenaar’, al in 1990 een solotentoonstelling had in Oostende en in 2004 in Parijs. En dat Tate Modern in Londen sinds de opening van het museum in 2000 al een thematische presentatie had in plaats van een chronologische.

Gelukkig is Pijbes een goede acteur. Z’n verbazing over de presentatie van een film tussen de schilderijen (Picasso, Dalí, vooral niet te ingewikkeld doen met kunstenaarsnamen) is heel overtuigend – hij heeft dan net verteld dat hij in zijn Rijksmuseum ook al bedacht had dat je best spullen, films en kunst door elkaar kon zetten. Die Wim toch, altijd in de voorhoede.

Bij het tonen van de Demoiselles d’Avignon (de maker noem ik niet meer) zwenkt de camera naar rechts, naar een moderner werk, dramatisch, met angstig kijkende, over elkaar vallende en zich aan elkaar klampende mensen, sommigen gewond. Pijbes leest voor van z’n briefje: ‘Een werk van, ehm, Ringgold, een in Harlem geboren Afro-American kunstenares’. Ze maakte het in de jaren zestig, vertelt hij. Wat hij niet vertelt is dat het werk net als de Picasso ook een titel heeft, en Ringgold een voornaam (People Series #20: Die, ze heet Faith, Faith Ringgold) maar daar gaat het me nu even niet om. Zelfs niet dat hij later zegt dat het museum de ‘ballen heeft’ om dat naast elkaar te hangen. Het gaat me om de omschrijving ‘kunstenares’.

Toevallig ving ik laatst bij Radio 4 op dat daar is afgesproken dat er vanaf nu wordt gesproken over ‘componistes’. De presentator sprak het al net zo smerig uit als Pijbes met ‘kunstenares’ deed. En bij Trouw vond een oudere lezer het maar raar dat ik Sophie Calle een kunstenaar had genoemd, terwijl ze een vrouw is. Ja, inderdaad, je hebt twee kampen. Het ene kamp zegt dat je vrouwelijke kunstenaars meer status geeft als je een vrouwelijke vorm van het beroep maakt. Dat je daarmee ook meteen duidelijk maakt dát het om een vrouw gaat die het werk heeft gemaakt. En dat je daarmee recht doet aan haar – ik weet niet precies wat – haar baarmoeder? Haar borsten?

Ik ben van de andere partij. De partij die iedereen dezelfde titel geeft, de titel die mensen met zo’n beroep altijd al hadden toen dat alleen maar mannen waren. Kunstenaar, schilder, componist, dichter, dokter. Als zij of hij of wat dan ook een voornaam heeft die iets over haar of zijn geslacht verraadt, is dat zo, zo niet, dan niet. Het zou immers niet moeten uitmaken wat iemand is/heeft/kiest, het gaat om het werk.

Nu is er de afgelopen paar millennia wat scheefgegroeid in de waarderingsmethodes en machtsverhoudingen, qua ras en gender, vonden de witte heren aan het roer het belangrijk vooral overal witte heren te houden, en was het dus schrikken als er soms een vrouw, iemand van een andere huidskleur, of iets anders, ook iets wilde/zei/kon. Het lijkt er nu op dat er iets begint te schuiven, piepend en knarsend, en dan lijkt het me erg jammer als daar dan weer schotten tussen komen.

In het Duits, een taal die zo dicht naast de onze ligt maar toch zo anders is, werd een tijd geleden een op het oog bredere oplossing gekozen: alle beroepen werden zowel mannelijk als vrouwelijk, door heel irritant de vrouwelijke vorm met een hoofdletter achter de mannelijke te plakken. JournalistIn krijg je dan, ProfessorIn, KünstlerIn. MalerIn.

Hee maar wacht even, riepen de vrouw-noch-mannen, en wij dan? De oplossing is nog erger: nu plaatsen de identiteitsvriendelijke mensen een * tussen de mannelijke en de vrouwelijke vorm. Niet iedereen kan zich daarin vinden, dus zie je meteen al aan de schrijfwijze in welk hokje je de schrijverette kunt plaatsen. 

We hebben onze tijd gehad Wim, wij blanke mannen’, zegt Matthijs en hij grijnst er angstaanjagend bij.

Als kind wilde ik kinderboekenschrijfster worden, maar ik las – anders dan Aaf vorige week tussen de mannetjesschrijvers mocht etaleren – net zo graag Roald Dahl als Astrid Lindgren. Van Tonke Dragt had ik geen idee wat dat was en dat maakte me ook niets uit. De meeste praatprogramma’s worden nog steeds bevolkt door mannen, en sommigen van hen vinden het nog steeds moeilijk hun mond te houden als een vrouw iets wil zeggen. Vrouwen wordt soms nog steeds geleerd dat ze maar beter niet te agressief naar mannen moeten zijn want die worden daar bang van, dus ik begrijp het concept van de Ladies Night, al is het natuurlijk een grote treurnis dat het moet bestaan.

Nog even terug naar de museumtour van Pijbes. Hij houdt z’n acteerprestatie vol tot het eind van z’n optreden. Pas als Matthijs, nadat duidelijk wordt dat sommige Rothko’s, Pollocks en Lichtensteins misschien naar het depot gaan, zegt: ‘We hebben onze tijd gehad Wim, wij blanke mannen’, en er angstaanjagend bij grijnst, lijkt Pijbes te begrijpen dat het tijd is voor het omkeermoment in z’n rol. En hij zegt, opvallend bescheiden, dat hij hiervoor best een stapje terug wil doen.

Knap, die climax, ik had ‘m bijna geloofd.

Onderwerpen