Spring naar de content
bron: Elisabeth Voigt/Museum der bildenden Künste Leipzig

Ook in de DDR was er kunst, niet alleen maar propaganda

Wekelijks schrijft Joke de Wolf op zaterdag een column over kunst. Deze week over de val van de Berlijnse Muur, precies dertig jaar geleden, en haar tijd in de voormalige DDR.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Joke de Wolf

Niet alleen Leonardo da Vinci, Rembrandt van Rijn en Jack Kerouac vieren dit jaar een sterfjubileum (respectievelijk 500, 350 en 50 kaarsjes), de Berlijnse Muur is ook alweer dertig jaar dood. En dat is feest, in Duitsland zijn ze dol op verjaardagen. Op elke Duitse krantenredactie hangt een internationale verjaardagskalender, elke week heeft de Frankfurter Allgemeine of de Süddeutsche Zeitung wel weer een lang artikel over een jarige schrijver, politicus of andere beroemdheid. Het levert verrassend vaak mooie verhalen op, omdat het voor de verandering eens geen verkooppraatje is voor een boek, film of standpunt.

Nu dan de muur. Dertig jaar geleden gingen beelden van feestende menigtes met houwelen op de gehate muur de wereld over, beelden van families die na bijna dertig jaar weer bij elkaar kwamen en inkopen deden: Coca-Cola en Hollywood brachten kleur in de grijze arbeidersstaat. Maar ook dát was het Hollywoodperspectief. De val van de Muur was zo’n symbolisch beeld dat je ook zonder achtergrondkennis al weet dat de werkelijkheid ingewikkelder was. Klein Orkest zong er al over in 1984, laatst legde Harrie Jekkers mooi en bescheiden uit hoe het lied is ontstaan.

Precies tien jaar geleden woonde ik net een maand in Weimar, diep in de vroegere DDR, en daar werd de Mauerfall toen ook groots gevierd. De Wiedervereinigung had het kleine stadje met de grote geschiedenis veel goeds gebracht. In 1999 was Weimar ‘Kulturhauptstadt Europas’ en in aanloop daar naartoe was er een enorme bak geld leeggekieperd voor de deur van het vrijwel failliete stadsbestuur: de na de Tweede Wereldoorlog gereconstrueerde huizen kregen een lik verf, er kwamen winkelcentra die ‘Schiller-Kaufhaus’ werden gedoopt, er werden wandelroutes en fietspaden aangelegd, en ook musea kregen een opknapbeurt. In 1996 was het Bauhaus-verleden al nieuw leven ingeblazen. De beroemde kunstacademie was daar in 1919 opgericht, in 1925 was het circus vertrokken naar Dessau maar het gebouw stond er nog, en na de val van de muur kon het oosten ook wel wat nieuwe wetenschappelijke kennis gebruiken. Ik mocht me als promovendus dus inschrijven bij de Bauhaus-Universiteit.

Mijn appartement lag aan de Markt, tegenover het oude stadhuis. Een paar meter verderop was Hotel Elephant, op het balkonnetje boven de ingang stond vrij pontificaal een beeld van Lotte, de romanpersoon van Thomas Mann. Ze stond daar om de vroegere aanwezigheid van een ander minder fictief persoon te verbloemen. ‘Lieber Führer komm heraus, aus dem Elefantenhaus’ hadden de bewoners van Weimar in de jaren dertig geroepen.

De mensen in Weimar ontvingen Hitler uiterst hartelijk: al in 1930 stemde bijna dertig procent op hem.

Adolf Hitler was het dan misschien niet volledig eens met oud-Weimar-bewoners Goethe en Schiller, noch met de expressionistische kunst van de Bauhauskunstenaars, hij logeerde meer dan veertig keer langere tijd in het hotel aan de markt. De mensen in Weimar ontvingen de voormalig kunstenaar en diens nieuwe partij namelijk uiterst hartelijk: al in 1930 stemde bijna dertig procent op hem, in 1932 won de NSDAP in Thüringen zelfs met 37 procent en was daarmee de grootste partij. Tien kilometer vanaf Hotel Elephant, in de bossen op de Ettersberg, liet Heinrich Himmler in 1937 een politiek strafkamp bouwen, later bekend als concentratiekamp Buchenwald. Meer dan vijftigduizend mensen zouden er omkomen. De bevolking van Weimar zei later er niets van geweten te hebben.

In 2009 was op de plek van het Gauforum, een grote nazi-ontmoetingsplaats die óók in 1937 was gebouwd, een enorm winkelcentrum neergezet. De mensen op straat kon je in drie groepen opdelen. Je had de studenten en docenten, overwegend voormalig Westduitsers die mediatheorie of architectuur studeerden en in het weekend terugreisden naar hun echte huis in München, Berlijn of Hamburg. Er waren de toeristen, dagelijks busladingen schoolreisjes en bejaarden die met een Thüringer rostbratwurst in de hand over de kinderkopjes naar Goethes woonhuis en het stadsslot hobbelden. En soms, daartussen, zag je de Weimarse bevolking. Schuchter, knorrig, en duidelijk niet juichend over de nieuwe situatie.

Hermann Glöckner Schwarz und Weiß auf Blau, 1957, Collage, Tempera, 45 x 63,5 cm, Kupferstich-Kabinett, Staatliche Kunstsammlungen Dresden, © Hermann Glöckner / VG Bild-Kunst Bonn, 2019, Foto: Herbert Boswank

Twee jaar later, ik woonde inmiddels in Keulen, stonden de kranten bol van de NSU-affaire. De neonazi-terreurgroep Nationalsozialistischer Untergrund had tussen 2000 en 2007 tien moorden gepleegd, veertien bankovervallen en twee bomaanslagen verspreid over Duitsland. Omdat acht van de tien slachtoffers een Turkse achtergrond hadden en ondernemers waren en de autoriteiten enorm aan het blunderen waren, werd lang gedacht dat de slachtoffers banden hadden met de Turkse onderwereld. Het was een grote blamage voor het Duitse rechtssysteem, dat niet had willen inzien dat de moorden racistisch waren en dat de politie zélf racistisch bevooroordeeld was geweest door de slachtoffers te criminaliseren. De twee mannen van de NSU, die beiden Uwe heetten en ook beiden een relatie hadden gehad met Beate Zschäpe, pleegden in 2011 zelfmoord, Zschäpe werd in 2018 tot levenslang veroordeeld. Alledrie waren ze opgegroeid in Jena, in de DDR, op twintig kilometer van Weimar.

Ook in de kunstwereld was er lang het beeld dat in het Oosten alleen maar partijpropaganda werd gemaakt.

Dertig jaar na de val van de Muur wordt duidelijk dat de Duitse hereniging ook geen schoonheidsprijs verdient. Het grotere kapitalistische westen zag zichzelf als bevrijder van een klein en dom gehouden buur, het Westen zou wel even uitleggen wat goed voor ze was. Ook in de kunstwereld was er lang het beeld dat in het Oosten alleen maar partijpropaganda werd gemaakt, dat er naast de mozaïeken en portretten van partijleden geen serieuze kunst was gemaakt. In Düsseldorf is nu voor het eerst, echt voor het eerst, een tentoonstelling over DDR-kunst georganiseerd door een Westduits museum. Verrassing: ook in de DDR werd veel verschillende kunst gemaakt. Niet allemaal even goed, zeker ook niet slecht.

Werner Tübke Sizilianischer Großgrundbesitzer mit Marionetten, 1972, Öl auf Holz, 79,9 x 170,1 cm, Albertinum | Galerie Neue Meister, Staatliche Kunstsammlungen Dresden, © Werner Tübke / VG Bild-Kunst Bonn 2019, Foto: bpk / Staatliche Kunstsammlungen Dresden / Elke Estel / Hans-Peter Klut

Op de site van de Berliner Morgenpost kan je, vanwege het 30-jarig jubileum, foto’s vergelijken van tijdens en na de muur. Wat het meest opvalt is dat er weinig is veranderd. De Trabantjes zijn vervangen door Volkswagens en Alfa Romeo’s, de uniforms zijn weg, net als de borden die aangeven dat je de Amerikaanse sector verlaat. Maar de straten, de gebouwen, zelfs de mensen zijn onveranderd. Terwijl in Nederland iedereen vorige maand praatte over een uitspraak van Trump en de Brexit waren in Thüringen deelstaatverkiezingen. De Linke, ontstaan uit de vroegere DDR-staatspartij, de SED, haalde de meeste stemmen, 31 procent. De extreemrechtse AfD werd tweede met maar liefst 23,4 procent. Alsof er nooit een muur is geweest.  

De tentoonstelling in Düsseldorf, ‘Kunst in der DDR: Utopie und Untergang’, loopt nog tot 5 januari 2020.

Onderwerpen