Spring naar de content
bron: C. Barton van Flymen/Hollandse Hoogte

Ischa leefde om die twee mensen te bereiken die zeiden: ‘We willen jou niet meer’

Vijfentwintig jaar na zijn dood spreekt journalist Ischa Meijer (1943-1995) nog altijd tot de verbeelding: zijn priemende blik, zijn fabelachtige interviewtechniek en zijn vermogen om aandacht te genereren. Hij is meer dan de verliefde neuroot die Connie Palmen in I.M. van hem maakt. De verstoting door zijn ouders heeft zijn leven getekend.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Emma Brunt

“Is het niet geweldig?” kraaide De Dikke Man uit volle borst, terwijl hij van opwinding bijna over de rand van zijn wolk kieperde, want wat zich daar beneden allemaal afspeelde overtrof zijn stoutste verwachtingen. “Nou ben ik toch alweer vijfentwintig jaar dood, en nóg zijn ze niet over me uitgepraat!”

Een aandachtsjunk, zo kenschetste Ischa Meijer zichzelf, en dus zorgde hij er wel voor dat het hem niet gauw aan aandacht zou ontbreken, al was het uiteraard nooit genoeg. Wat dat betreft was hij onverzadigbaar. Hij was al tamelijk beroemd toen ik hem voor het eerst ontmoette, op de burelen van de Haagse Post. Destijds had hij zich alleen nog maar gericht op toneelkritieken en geschreven interviews; zijn latere roem als briljante radio-en televisiemaker moest nog komen, evenals een paar min of meer mislukte pogingen om op het podium te staan als acteur en als zanger van Franse chansons. Ik was onder de indruk, om niet te zeggen geïntimideerd. Die snerpende stem, die priemende blik, dat drukke gedoe en de trefzekerheid waarmee hij zo nu en dan een indiscrete vraag op je af kon vuren – zo’n act had ik nog nooit iemand zien opvoeren. Het was ongelooflijk geestig en ook een beetje verontrustend, alsof je op het eerste gezicht al vermoedde dat er gevaar dreigde. Met gepaste bescheidenheid vertrouwde ik hem toe dat ik zelf nog maar net kwam kijken in de journalistiek en dat ik ‘eigenlijk alles nog moest leren’.

Ischa fronste een wenkbrauw, keek even behoedzaam om zich heen om te zien of er meegeluisterd werd, en zei toen vaderlijk: “Dat zou ik hier maar niet al te hard zeggen.”

Zo, dat was mijn eerste les in de nobele kunst van het bluffen, en ik was geroerd door het feit dat hij me tegen mijn eigen naïviteit in bescherming had willen nemen. Een paar weken later zaten we op het terras van journalistencafé Scheltema, een beetje te luieren in de zon, toen Ischa onverhoeds de vraag op me afvuurde: “Draag jij altijd zwart als je depressief bent?”

Tsjakka, een loepzuiver schot. Hij vertelde me bovendien iets wat ik zelf eigenlijk nog niet eens ten volle had beseft, alsof hij over een psychologische radarblik beschikte, en ik realiseerde me dat hij me zojuist een kijkje had gegund op zijn fabuleuze interviewtechniek. Ik voelde me namelijk zowel gevleid als overdonderd: gevleid dat iemand kennelijk zo aandachtig naar me had gekeken, want dat maakte dat ik me gekend en op een heel intiem niveau begrepen voelde, en pas daarna – bijna! – overdonderd genoeg om er van alles uit te flappen wat ik helemaal niet van plan was geweest om te zeggen. Weer iets geleerd van Ischa over bluf.

Met HP-collega Aad van Cortenberghe heb ik hem eens schaterend zien voordoen hoe je een hooggeplaatste hotemetoot moest aanpakken die zich in nietszeggende ambtenarentaal had verschanst. “Je zet een grote tas naast je stoel, waarin je eerst iets zachts hebt gelegd, een opgevouwen trui of zo,” demonstreerde Ischa gnuivend van voorpret, “en dan graai je precies op het juiste moment, als die man denkt dat hij wegkomt met die lulkoek, de bandrecorder van tafel en smijt die zo voorzichtig mogelijk in de tas, terwijl je hem toeschreeuwt: ‘En nou is het waarachtig een keer welletjes geweest, cut the crap, en voor de draad met de real stuff!

Ischa kenschetste zichzelf als een aandachtsjunk, en dus zorgde hij er wel voor dat het hem niet gauw aan aandacht zou ontbreken.

Die les heb ik natuurlijk nooit in de praktijk durven brengen, en ik betwijfel of Ischa die truc zelf weleens heeft gebruikt, maar áls hij dat gedaan heeft, weet ik zeker dat de bobo in kwestie in lachen is uitgebarsten en het hele toneelstukje bijzonder spitsvondig en grappig zal hebben gevonden, want Ischa kon de verschrikkelijkste toeren uithalen tijdens een vraaggesprek, zonder daar ooit voor bestraft te worden: het was magisch, het leek wel tovenarij.

Zijn geheim was waarschijnlijk dat hij noch zichzelf noch zijn gesprekspartner erg au sérieux wenste te nemen: het was tenslotte maar een spelletje, waarbij Ischa het leuk vond om te acteren dat hij een Beroemde Journalist was die de – net iets minder slimme maar wel Beroemde minister van Huppeldeflup – ongenadig voor het blok wist te zetten. Gewoon een beetje keten. Brutale jongens onder elkaar.

De aandacht en het applaus die het hem opleverden nam hij overigens wel degelijk au sérieux. Ik weet nog waar we zaten, bij restaurant Tempo Doeloe in de Utrechtsestraat, in 1978, toen hij zijn interview met de CDA-politicus Jaap Boersma inleverde bij eindredacteur – in feite hoofdredacteur – Bert Vuijsje. Het was een heuse scoop, want hij had aan Boersma weten te ontfutselen dat hij uit de politiek stapte, uit onvrede over de behoudende koers van die partij. Niemand wist dat nog, zelfs zijn eigen partijgenoten wisten het nog niet, maar Ischa had ineens geroken dat Boersma er genoeg van had en uit de fractie zou treden.

“Wat vind je ervan, Bert?” vroeg Ischa gretig.

Bert gaf een knikje, goedkeurend maar vrij afgemeten, en zei iets in de trant van ‘een heel helder stuk’ of: “Dit stuk zal de pagina weer niet ontsieren.” Dat weet ik, want zoiets zei Bert Vuijsje altijd; die hield zich strikt aan de stelregel dat lof altijd met mate moest worden toegezwaaid, om inflatie te voorkomen.

“Het viel je dus een beetje tegen?” drong Ischa teleurgesteld aan.

“Nou,” preciseerde Bert, “dat hoor je mij niet zeggen.”

En toen Ischa weer: “Maar je had er toch net iets méér van verwacht?”

En zo maar door en zo verder: jengelen om de aandacht van iemand die hij als zijn mentor beschouwde. Of, meer to the point waarschijnlijk: als zijn substituut-vader. Want als Ischa ergens door werd gedreven, was het door het brandende verlangen om ooit nog eens de goedkeuring van Jaap Meijer te verwerven. De vader die hem als kind had getreiterd en straal genegeerd, en die hem – met de volle instemming van zijn moeder Liesje Meijer-Voet – op zijn zestiende de deur had gewezen, omdat Ischa inmiddels had ontdekt hoe hij terug kon pesten, en zijn vader zodoende een maagzweer had bezorgd. Of dat was in ieder geval de reden die door zijn ouders werd aangevoerd, terecht of ten onrechte; dat was het verhaal dat ze zichzelf, elkaar, en de buitenwereld vertelden, en vanaf dat moment kwam Ischa er niet meer in. Echt en heel letterlijk nooit meer. Die deur was onverhoeds achter hem dichtgevallen en ging nooit meer van het slot.

Die snerpende stem, die priemende blik, dat drukke gedoe – zo’n act had ik nog nooit iemand zien opvoeren.

Voor Ischa zou dat het begin blijken te zijn van een levenslange obsessie met die meedogenloze vader en moeder, die hij nooit meer heeft kunnen afschudden.

Niet verwonderlijk als je bedenkt dat Ischa in 1943 werd geboren, als kind van Joodse ouders, een paar maanden voordat het hele gezin door de nazi’s werd afgevoerd naar Westerbork en vervolgens naar concentratiekamp Bergen-Belsen. Als peuter van twee speelde Ischa daar tussen de lijken die aan de kant van de weg lagen opgestapeld, en na de bevrijding – toen hij drie was – zat hij in Amsterdam voor het raam van het ouderlijk huis apathisch naar buiten te staren en krijste van tijd tot tijd alleen een paar norse Duitse bevelen. Dat weten we omdat er indertijd iemand op bezoek was bij de familie Meijer en zich achteraf met een schok realiseerde wat dat uitgebluste kind nu eigenlijk riep.

Gijs Groenteman schreef in 2005 een portret van Ischa Meijer dat geheel bestond uit razend knap aan elkaar geregen citaten van de verwanten, vrienden en (vele) vrouwen die verhalen konden vertellen over die gruwelijke jeugd en de manier waarop Ischa was gevormd door de afwijzing van die twee psychisch zwaar beschadigde mensen. Het eerste citaat dat Groenteman koos was van Ischa zelf, die het zo verwoordde: “Het jodendom had zo’n rare betekenis bij ons thuis. Wat het écht betekende voor die mensen werd voortdurend ontkend. In de eerste plaats betekende het natuurlijk dood en verderf. Maar dat werd helemáál ontkend, dát was natuurlijk niet het geval. Het was een herinnering aan alle mensen die dood waren, al die mensen om me heen. Maar ook dat werd ontkend. Als je erover begon, was je onbeschoft. Of dan was je gemeen.”

Ischa Meijer bij de Haagsche Post

Pas in 1974 – Ischa was toen 31 – schreef hij een dun maar spraakmakend boekje, getiteld Brief aan mijn moeder, waarin hij zijn stem liet horen en die ouders aanklaagde, pro forma alleen zijn moeder, maar in feite, via haar, natuurlijk ook zijn vader. Of misschien wel vooral zijn vader.

‘Het jongetje dat alles goed zou maken’, zoals hij zichzelf karakteriseerde in het gedicht ‘Victorieplein’, was onder het loden gewicht van die onhaalbare opdracht bezweken, en wat er toen nog van hem overbleef was een ‘volwassen’ man die maar niet volwassen kon worden: altijd onrustig, altijd op de vlucht, altijd op zoek naar mensen die in de plaats konden en wilden treden van zijn afwezige familie. En ook op zoek naar het vermogen in zichzelf om op de liefde en vriendschap van anderen te durven vertrouwen. Hij was begerig om ergens bij te horen, maar niet in staat om daarvan te genieten als het eindelijk leek te lukken, zoals elke keer opnieuw bleek als Ischa zich probeerde te binden aan een vrouw die het met hem aandurfde. Of zelfs aan een kind, zijn zoon Jeroen en zijn dochter Jessica, want ook de verplichtingen en de intimiteit die zijn eigen vaderschap met zich meebrachten, kon hij maar mondjesmaat erkennen en verdragen.

De ophef die gepaard gaat met de herdenking van zijn sterfjaar – op 14 februari 2020 is het precies vijfentwintig jaar geleden dat Ischa Meijer een hartaanval kreeg en overleed, op zijn verjaardag, 52 jaar oud – is dus in hoge mate bevredigend te noemen, als we het vanuit zijn perspectief bekijken: beter laat dan nooit. Eindelijk erkenning, zij het postuum. Ischa had er vast de voorkeur aan gegeven dat hij er bij leven en welzijn ook nog iets van had gemerkt.

In de prestigieuze reeks Privé-domein van De Arbeiderspers zal een bloemlezing verschijnen van de stukken die hij schreef over het jodendom en de Tweede Wereldoorlog: columns, theaterteksten en interviews. Die werden gekozen en ingeleid door journaliste Ronit Palache, die daar een bijzondere binding mee heeft als kleindochter van Joodse grootouders die de Duitse kampen ternauwernood hebben overleefd. Zijn vaak provocerende inbreng op dat gebied is nog steeds niet vergeten, wat bijzonder is voor journalistiek werk, dat nu eenmaal per definitie het gevaar loopt gauw gedateerd te raken.

Maar ook als persoon (of beter: als tegendraadse persoonlijkheid) leeft Ischa kennelijk nog steeds voort in de herinnering, wat blijkt uit het feit dat filmregisseur Michiel van Erp bezig is om van I.M. – het boek dat zijn partner Connie Palmen schreef over de vier jaar dat ze samen waren – een vierdelige dramaserie te maken. In de herfst van dit jaar zal de serie worden uitgezonden door AVROTROS. Dit nieuwtje werd in Het Parool aangekondigd onder de schallende kop: ‘Ischa en Connie slurpten het leven op!’ De foto die bij dat artikel was geplaatst gaf de lezer alvast een voorproefje van de juichtoon waarop Van Erp dit verhaal over ‘een ultieme liefde’ denkt te gaan vertellen, want daarop zie je hoe hoofdrolspeler Ramsey Nasr zijn tegenspeelster – Wende Snijders – hoog optilt, waarbij zij haar hooggehakte voetjes dartel door de lucht laat zwieren, terwijl op de achtergrond een draaiorgel staat te spelen dat de hele breedte van de Reestraat in beslag neemt. In dat nauwe straatje is het namelijk allemaal gebeurd, moeten we begrijpen, en de triomfantelijke lach op het gezicht van Ramsey Nasr alias Ischa Meijer, een grijns van oor tot oor, suggereert dat hij dat draaiorgel speciaal heeft laten aanrukken om ‘zijn Connie’ een plezier te doen.

Ischa had een levenslange obsessie met zijn meedogenloze vader en moeder, die hij nooit meer heeft kunnen afschudden.

Welk nummertje edelkitsch zou daar ten gehore worden gebracht, een nummertje waar we straks allemaal van kunnen meegenieten?

Te vrezen valt dat het wel iets als Tulpen uit Amsterdam zal blijken te zijn, waardoor deze scène meteen associaties oproept met oergezellig volkstoneel, gegrepen uit het volle leven van iconen als Zwarte Riek en Rooie Sien. En dat is toch echt wel een beetje vreemd, als je bedenkt hoe gedisciplineerd Ischa daar leefde, met zijn boeken en Franse chansons, in het zelf verkozen en overigens ook noodzakelijke isolement van een perfectionistische workaholic die in dat appartement rondliep in pyjama of boxershort, om zijn stukjes te tikken en zijn vele deadlines te halen.

Dat huis, of beter: die etage boven restaurant Sancerre, was de eerste plek die exclusief van hem was. Daarvoor trok Ischa altijd van hot naar her en bouwde onmiddellijk een provisorisch nest in het huis van een nieuwe vriendin, zodra de relatie met haar voorgangster beëindigd werd.

In de tijd dat we allebei bij de Haagse Post werkten, kwamen we op weg naar een of ander café weleens in de buurt van de Reestraat, en dan gaf hij enigszins besmuikt te kennen dat hij daar woonde, met een gebaar dat getuigde van zowel trots als terughoudendheid. Daar was zijn hol, daar bewaakte hij zijn broodnodige rust, en daar werd je dus niet zomaar uitgenodigd. Zelfs zijn extraverte alter ego, De Dikke Man, liep in feite nooit alleen voor zijn genoegen over straat, maar ging de deur uit om materiaal te verzamelen voor de gelijknamige column, op zoek naar iets dat hem trof als waarachtig, of iets dat juist zo pretentieus en leugenachtig was dat het toch ook weer een waarheid prijsgaf. En de stemming waarin hij dan verkeerde was eerder beschouwelijk dan uitnodigend. Zelfs op het randje van weemoedig, ook al liet hij zijn eigen gepeins met graagte eventjes voor wat het was om een kort maar indringend trottoirgesprekje met deze of gene te voeren. Met de nadruk op ‘kort’, want De Dikke Man was altijd wel nieuwsgierig, maar ook ongeduldig en snel verveeld.

Ischa Meijer (1971)

Ik heb als lezer van die rubriek nooit het gevoel gekregen dat daar ‘het leven opgeslurpt’ werd, maar juist dat het leven op die plek eventjes werd teruggebracht tot een overzichtelijk en behapbaar formaat. Lekker veilig. In het boek dat Connie Palmen na zijn dood schreef over hun samenzijn overheerst ook de indruk dat het in dat huis in de Reestraat vooral knus was. Ischa kookte vaak soep, en Connie barstte in tranen uit boven de pan op het vuur, omdat het hele huis er zo zalig naar ging ruiken en associaties bij haar opriep met de keuken van haar moeder, in Limburg. En er wordt niet alleen in de soep geroerd, maar er worden ook eendjes gebraden – die Ischa vol voorpret heeft ‘geknald’ bij zijn favoriete poelier, mevrouw Witschge – terwijl hij Connie voor de zoveelste keer die dag aan de lijn heeft en haar vraagt of ze daar zin in heeft, in een eendje. En als het bakken en braden achter de rug is, kruipen deze twee verliefde, gelukkige mensenkinderen vergenoegd in Ischa’s comfortabele bed, in identieke gestreepte pyjamaatjes. Gezellig, vertrouwd, en dat was voor een zwerver als Ischa ook ongetwijfeld een belangrijke stap in de richting van het zo vurig door hem begeerde familiegevoel. Maar ‘groots en meeslepend’ zijn niet de kwalificaties die mij hier van toepassing lijken.

De keuze van Michiel van Erp om nu juist I.M. te verfilmen is dan ook intrigerend, want I.M. is bij uitstek een praatboek: een verslag van de manier waarop de twee hoofdpersonen voortdurend met elkaar in gesprek zijn. Vooral over de vraag hoe ze geworden zijn wie ze zijn, waarbij ze zich over en weer veel moeite getroosten om ‘het wezen van de ander’ werkelijk te begrijpen. Met name Connie wordt door Ischa met regelmaat geprezen en bewonderd omdat ze zo standvastig en intelligent te werk gaat bij haar pogingen om hem te doorgronden. En omdat ze ook nog zo lief is om hem vervolgens uit te leggen hoe het zit, volgens haar, met die obsessieve neiging van hem om voor intimiteit op de loop te gaan en zich daartegen te verweren door middel van dwangmatige ontrouw en ‘schuldig’ hoerenbezoek.

Niet erg cinematografisch, wil ik maar zeggen, al dat oeverloze geklets en de psychoanalytische duidingen die het verband tussen het ‘vroeger’ en het ‘nu’ van de protagonisten moeten verhelderen. Er komt eigenlijk pas een beetje vaart in het boek als Ischa en Connie naar Amerika afreizen en daar een jaloersmakende reeks peperdure, legendarische hotels en restaurants bezoeken waar Ischa over moet schrijven, of zich ontspannen terugtrekken in een appartementje aan de boulevard van Fort Lauderdale, in Florida, waar ze ‘tamelijk gelukzalig’ op een bankje gaan zitten om naar de palmen en de oceaan te staren. Connie Palmen zelf heeft het boek weleens gekenschetst als een roadmovie, naar Amerikaans voorbeeld, wat natuurlijk best een interessante film kan opleveren, maar waarschijnlijk niet een waarin het lekker naar zelfgemaakte soep ruikt. Enfin, Michiel van Erp heeft al meermalen laten zien wat hij vermag, bijvoorbeeld in zijn schitterende dramaserie over het leven van Ramses Shaffy, dus dit project zal ook wel weer op zijn pootjes terechtkomen, met of zonder een gratuit nummertje orgeldraaien.

Een groter probleem heb ik met het zelfingenomen toontje dat I.M. naar mijn smaak enigszins bederft, want op elke pagina van dat boek proef je de voldoening die de heldin – laten we die maar even ‘Connie’ noemen – eruit put dat het haar toch maar mooi gelukt is om deze neurotische, bindingsangstige man te temmen en te veranderen in een romantische minnaar van Bouquetreeks-achtige allure, terwijl al haar voorgangsters op dat punt kennelijk hopeloos gefaald hebben. In een ver verleden (1998, toen ik het boek voor de eerste keer las) heb ik een paar kritische kanttekeningen geplaatst bij wat ik indertijd zag als het al te symbiotische karakter van deze wonderbaarlijke versmelting tussen Connie en Is: de zelf-feliciterende, narcistische adoratie van twee personages die met elkaar verkleefd lijken te zijn, alsof de schrijfster ze allebei van top tot teen heeft ingesmeerd met secondelijm.

Op elke pagina van I.M. proef je de voldoening die de heldin eruit put dat het haar gelukt is om deze neurotische, bindingsangstige man te temmen.

Daar moet je van houden: iets meer afstand en scepsis zou de verfilming volgens mij wel ten goede kunnen komen.

Al doende merk ik dat mijn irritatie van toen nog niet eens helemaal is verdampt, maar beter dan toen zie ik in waardoor die nou precies veroorzaakt wordt. Want Connie Palmen heeft natuurlijk het volste recht om haar verhouding met Ischa Meijer af te schilderen als het summum van hoogromantische zelfverwerkelijking en totale overgave, het is tenslotte haar leven, haar materiaal, en haar literaire verwerking daarvan, dus waarom moet ik daar nou zo nodig wat op afdingen? Het is trouwens best een interessant boek, geestiger en vooral spannender dan ik het me herinnerde, waarvan akte.

Nee, wat mij stoort is niet dat boek als zodanig, maar wel dat het losjes – of niet zo losjes – gemodelleerd is naar de ‘echte’ Ischa en de ‘echte’ Connie, en dat al dat suikerglazuur weinig recht doet aan de helse Joodse problematiek die Ischa, onverschrokken en tegen de verdrukking in, gedurende zijn hele leven lang naar voren heeft willen brengen.

Ischa Meijer op de Prinsengracht. (1981) Foto: Hans van den Bogaard/Hollandse Hoogte

Ik heb dat indertijd kennelijk ervaren als een vorm van trivialisering, alsof Connie Palmen – een tikje gemakzuchtig – suggereert dat the love of a good woman een even passende als afdoende reactie was op de radeloze gekte waarmee die ouders van Ischa na hun kampervaring geslagen waren. En de doffe ellende van de drie kinderen – ja, vader en moeder Meijer hebben er nog eventjes twee bij gemaakt, één verwaarloosd kind vonden ze niet genoeg! – die daaronder geleden hebben.

Connie Palmen zelf zou nu ongetwijfeld in het midden brengen dat Ischa getroffen is door het lot dat alle beroemde mensen treft, namelijk dat ze bestaan – en ook voortbestaan – in de verhalen die anderen over ze vertellen. Ja, dat is vast waar, en waar ik mij aan erger is dus dat het kennelijk Connies sentimentele verhaal wordt waarin Ischa zal voortbestaan. Haar verhaal heeft het gewonnen.

In het al eerder genoemde briljante portret dat Gijs Groenteman schetste van Ischa, aan de hand van de verhalen die zijn naaste vrienden en familie over hem vertelden, een boek dat dit jaar opnieuw uitgegeven zal worden, valt mij op dat ik niet de enige was, en ben, die de neiging heeft om Ischa te ‘verklaren’. En op die manier te vrijwaren van versuikering en vals sentiment.

Izzy M., der sympathische Jude – zo heette de eenmansconference waarmee hij ooit het naoorlogse Duitse publiek heeft bestookt, op een podium in Berlijn, wat ik nog steeds even waanzinnig als heldhaftig vind. Zo dapper, maar ook ingegeven door obsessie en wanhoop, dat ik het niet kon of wilde rijmen met al dat gezwijmel over palmbomen en zonsondergangen boven zee waar Connie zo scheutig mee is.

Wat ik achteraf nog wel het opmerkelijkste vind, is dat ik in de periode dat ik voor de Haagse Post schreef meteen al van alles te horen kreeg over dat afgrijselijke naoorlogse verleden van Ischa, terwijl hij daar zelf vrijwel nooit over sprak.

Waarom wist ik dat dan zo goed? Omdat de mensen die hem al langer kenden – Bert Vuijsje, Arend Jan Heerma van Voss, Els Timmerman, de vrouw met wie hij het ook nog een poos geprobeerd heeft en met wie ik bevriend was – mij dadelijk begonnen te vertellen waarom Ischa ‘zo’ geworden was, zodra zijn naam viel in een gesprek. De hele wereld was van alle grimmige details op de hoogte, leek het wel, en ik algauw dus ook, al duurde het toch nog wel even voordat ik er werkelijk iets van begon te snappen.

Ik erger mij eraan dat het kennelijk Connies sentimentele verhaal wordt waarin Ischa zal voortbestaan.

Zelf was ik opgevoed in de progressief bedoelde maar in feite nogal luie overtuiging dat onwetendheid hetzelfde was als onschuld, en dat je je onmogelijk kon bezondigen aan antisemitisme als je niet eens het verschil kende tussen een achternaam als ‘Jansen’ of een beladen achternaam als ‘Meijer’. Maar met dat soort verkapte desinteresse hoefde je bij Ischa niet aan te komen, die wreef zulke schuldige kennis hardhandig onder je neus, net zo lang tot je niet meer wist wat je moest doen: huilen of lachen, want zo was het met hem ook ongeveer gesteld. Mijn toenmalige man en ik zijn ooit een blauwe maandag ‘reçu’ geweest in huize Meijer, in Haarlem, en hebben viskoekjes zitten eten met Jaap en Liesje, nadat Jaap de voordeur zwierig geopend had en ons begroette met het zeer Ischa-achtige zinnetje: “Kom toch binnen, niets is zo fijn als het bezoek van twee rechtgeaarde antisemieten op een mooie zondagmiddag!”

Ik had Ischa van tevoren verteld dat we uitgenodigd waren en overwogen om te gaan, tenzij hij dat als hoogverraad zou beschouwen. Maar Ischa maakte geen bezwaar, of deed in ieder geval alsof, en duwde ons er bijna heen, omdat hij zo nieuwsgierig was naar onze bevindingen. Ik moest hem meteen na afloop bellen en alles, maar dan ook echt alles over dat bezoek vertellen! Had ik Jaap aardig gevonden, charmant zelfs misschien? Hoe ging het met zijn moeder, liep die nog steeds zo voor die krankzinnige huistiran te vliegen en te sloven? En vooral: hadden ze het over hém gehad? Over Ischa, over de zoon voor wie ze de deur niet eens opendeden als hij eens in de zoveel jaar al zijn moed bij elkaar had geraapt om aan te bellen?

Het was pijnlijk, nee, het was hartverscheurend, en ik had spijt dat we op de uitnodiging ingegaan waren. Met name omdat Ischa eigenlijk al precies had voorzien hoe die visite zou uitpakken. En ja, inderdaad, Jaap Meijer had zich uiterst charmant getoond en ons de oren van het hoofd gekletst. En over Ischa ging het uiteraard niet, zelfs niet zijdelings, totdat ik hem zelf maar ter sprake bracht en door moeder Liesje prompt terecht werd gewezen. “Zullen we het daar maar niet over hebben?” zei ze zachtjes doch beslist, en dat was dat.

Ischa Meijer (1990)
bron: C. Barton van Flymen/Hollandse Hoogte

Het is eigenlijk gewoon onvoorstelbaar dat een ouderpaar zo radicaal, en zo wreed, weigert om iets met hun kinderen van doen te hebben.

Door I.M. heeft het verhaal van Connie Palmen alle andere verhalen over Ischa overvleugeld, zodat we ten slotte alleen haar visie op hem zullen overhouden: een verliefde neuroot, die om de andere pagina dankbaar stamelt dat het een wonder is dat ‘Connie’ hem zo goed begrijpt. Haar brille, haar toverstafje, haar vermogen om deze briljante gek van zijn eigen inferno te redden en er een echt Mensch van te maken.

Gijs Groenteman citeert op het eind van zijn boek ook Connie Palmen, uitvoerig zelfs, ze krijgt het laatste woord en in dat citaat geeft ze er dan eindelijk blijk van dat ze wel degelijk begreep hoe het er in het hoofd van Ischa aan toeging. Ze zegt: “Het is een wonderlijk bestaan geweest. Hij leefde om die twee mensen te bereiken die zeiden: ‘We willen jou niet meer.’ En hij heeft beestachtig van ze gehouden. Hij was een zeer sensitieve man en je hebt een beetje hardheid nodig om te zeggen: laat maar zitten. Met wat meer realiteitszin zou je kunnen zeggen: houd er eens mee op. Maar zolang je die verbroken relatie als de belangrijkste in je leven kunt zien, hoef je in geen enkele andere relatie echt actief te worden, of verantwoordelijkheid te nemen. Want je hebt al een verhouding die alle andere overbodig maakt. Negatief gezien houd je een wond in stand om nergens anders meer gewond te raken, om nergens anders meer een reële verhouding aan te hoeven gaan. Iemand die veel geleden heeft, wordt nogal onaantastbaar in zijn hedendaagse leven. Hij heeft al een wond, erger kan het niet worden. Dat maakt het ook gemakkelijker om anderen te verwonden. Het heeft hem een leven opgeleverd waarin hij, door zijn gekwetstheid, praktisch onkwetsbaar werd.”

Toen zijn ouders doodgingen, ging hij zelf ook dood. De strijd was gestreden.

Amen, dat lijkt me een zeer doorwrochte en scherpzinnige diagnose van de aandoening waardoor de patiënt ten slotte ernstig verzwakt is geraakt en uiteindelijk het loodje heeft gelegd.

Pal onder dit citaat van Connie Palmen staat een quote van Jenny Arean, nog zo’n sterke vrouw en eveneens een engel van barmhartigheid, die een poos heeft geprobeerd om Ischa te redden van deze zelfdestructieve verslaving. Zonder veel hoop op genezing trouwens. Zij zegt het zo: “Toen zijn ouders doodgingen, ging hij zelf ook dood. De strijd was gestreden. Dat was me volstrekt duidelijk, ik heb het ook aan Connie geschreven. Na de dood van die ouders hield de boel op. De motor was uit zijn bestaan.”

Tegen de geliefde dode zelf zou ik nog dit willen zeggen: “Hallo Ischa, hoor je me, en heb je nu eindelijk een beetje rust? Wij komen er ook aan hoor, zeer binnenkort, dus zet maar een buitenissig grote pan soep op het fornuis, dan wordt het toch nog gezellig.”

Word lid van HP/De Tijd