Spring naar de content
bron: ivo biegman

Gabriël Kousbroek: ‘Ons brommerclubje was een soort kinder-Hells Angels’

Gabriël Kousbroek schreef een boek over zijn oude liefde: brommers. Maar Buikschuiver – Gaap en de kunst van het brommeronderhoud is meer dan een verhaal over Kreidlers en Zündapps. In een coming of age-achtige setting beschrijft Kousbroek zijn jeugdjaren in Den Haag en Amsterdam, vol drank, drugs en meisjes. En een Stokvis natuurlijk.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Mirjam Eeken

Wat voor scholier was je?

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

“Toen ik op de lagere school zat, kregen mijn ouders [essayist Rudy Kousbroek en auteur Ethel Portnoy, red] een beetje mot. Ze maakten steeds vaker ruzie en mijn vader bleef soms weken weg. Hij ging er bovendien prat op dat hij op het gymnasium had gezeten en verwachtte van mij hetzelfde, maar uit mijn citotoets kwam een desastreuze uitslag. Mijn vader was woedend. Ik kwam terecht op het Nederlands Lyceum in Den Haag, waar ik ontzettend gepest werd, in elkaar geslagen zelfs. Toen mijn ouders scheidden en mijn vader naar Parijs verhuisde, nam mijn interesse voor school zo mogelijk nog verder af. Dat ik tijdens de handarbeidles met zelfgemaakte werpsterren van de jeugdbende van de school naar mijn hoofd kreeg, droeg daar niet aan bij.”

Werd je daarom punk?

“Dat kwam voornamelijk door mijn zus. Die was lange tijd aan heroïne verslaafd geweest en ging vervolgens bij het Paard van Troje in Den Haag werken, waar ik mijn eerste punkband zag. Dat maakte een enorme indruk op me. Ik begon buttons te dragen, had een hondenriem om mijn nek en een kleinere hondenriem om mijn pols. Daardoor werd ik natuurlijk nog meer gepest. Nadat ik op een dag de eindexamenleerlingen had geholpen om alle stoelen van de hele school in de lerarenkamer te zetten, werd ik van school gestuurd.”

“Ik ben huizen gaan kraken, rellen gaan schoppen, stenen gooien, zoals een punkkraker doet. Dat leidde tot een incident met een politieagent, waarna ik zes maanden in de gevangenis belandde. Toen ik vrij kwam werd ik alleen maar opgewacht door m’n moeder, dus ik was heel erg teleurgesteld in de zogenaamde solidariteit van de punk- en kraakbeweging. Dat was het moment waarop ik besloot om niet met het wapen, maar met de pen te strijden.”

De tekst gaat onder de illustratie verder.

Stokvis
Beeld: Gabriël Kousbroek

Via verschillende middelbare scholen belandt Kousbroek uiteindelijk op het Haags Montessori Lyceum, waar hij met pijn en moeite – en hulp van zijn uit Frankrijk overgekomen vader Rudy – zijn havodiploma haalt. Hij vertrekt naar Amsterdam, om te studeren aan de Gerrit Rietveld Academie.

Waar komt jouw interesse voor brommers eigenlijk vandaan?

“Vanaf mijn pubertijd zat ik al met brommertjes te klooien, omdat mijn vrienden ermee bezig waren. Mij interesseerde het geen hol. Ik was alleen maar geobsedeerd door vuurwapens, maar daar kon je niet mee over straat lopen. Toen kocht ik maar een Mobylette, en vanaf daar ging het naar de Solex naar de Zündapp naar de Stokvis. Het idee van vaart maken en onderdeel zijn van een bende outcasts sprak me heel erg aan in punk en brommers.”

Het groepsgevoel?

“Ja, dat vond ik op dat ogenblik heel erg belangrijk, deels doordat mijn ouders scheidden en deels doordat mijn zus tijdens mijn jeugd heroïne spoot en afwezig was.”

Behalve een hang naar groepsgevoel lees ik ook een hang naar aandacht.

“Als puber dacht ik dat ik dat heel erg miste. Hoewel ik aandacht van mijn moeder en op een bepaalde manier ook van mijn vader kreeg, vond ik de aandacht van meisjes en aanzien in een groep belangrijk. Als punker distantieer je jezelf van de rest van de samenleving en vind je saamhorigheid bij de andere punkers. Maar op mijn zeventiende was ik alweer klaar met de punk- en brommerbende. Iedereen had dezelfde brommer, behalve ik, en daarom mocht ik niet op de foto. Toen was ik eigenlijk al bezig om mijn eigen karakter te ontwikkelen.”

Dat tekent je. Je wilt graag onderdeel van de groep zijn, maar staat er altijd net buiten.

“Ons brommerclubje was een soort kinder-Hells Angels. Ondanks het feit dat ik een buitenbeentje met een bril was, wilde ik toch aanzien hebben als stoere brommerrijder. Ik denk dat dat veel te maken heeft met de gevangenis en de zogenaamde punksolidariteit die uitbleef. Daardoor was ik het hele idee van het veilige groepsgevoel verloren. Ik overdreef in die tijd veel, omdat ik voor vol wilde worden aangezien. Ik dacht: als ik overdrijf, dan zullen mensen me meer mogen.”

Ik dacht: als ik overdrijf, dan zullen mensen me meer mogen

Op welke brommer was je het meest verliefd?

“De Stokvis. Het was een oudelullenbrommer, waar gepensioneerden mee gingen vissen langs de Vliet, met hun lunchpakketje achterop. Hij werd gestolen en ik moest hem ophalen bij de politie, die een lading gestolen brommers die uit de Laak had gevist. Toen ik hem uit de berg opdiepte, had ik mijn verloren liefde terug.”

De tekst gaat onder de illustratie verder.

Mobylette
Beeld: Gabriël Kousbroek

Wat is de buikschuiver?

“In de oorspronkelijke zin van het woord is het een brommer waarbij het zadel tegen de tank aanzit, zoals bij de Kreidler, de Zündapp en de Stokvis. Als je op een buikschuiver zit, duw je automatisch met je geslacht tegen de tank aan.”

“De ondertitel verwijst naar Zen en de kunst van het motoronderhoud van Robert M. Persig. Hij legt uit dat het sleutelen aan motorfietsen alleen werkt als je rustig bent en goed nadenkt, anders wordt het een puinhoop. In mijn geval is het meer: als iets stukgaat, gebruik je een plakbandje, een stukje ijzerdraad of een zwabberpookje om het te maken.”

In 2013 brengt hij Kousboek uit, een serie verhalen en illustraties over zijn ouders. Hierin beschrijft hij opmerkelijke gebeurtenissen uit zijn jeugd.

Je hebt het schrijven lang afgehouden. Ervoer je de angst om dezelfde kunstvorm als je ouders in te zetten?

“Het eerste boek vond ik het engst, ook omdat – een beetje ten onrechte – op de flaptekst stond dat het een afrekening met mijn vader was. Buikschuiver kwam er per ongeluk. Ik was bezig met een autobiografisch boek over de tijd dat ik een galerie had, maar toen kreeg ik writers block. Door dit boek kwam ik erachter dat het schrijven van fictie, want een paar dingen heb ik verzonnen, me ontzettend veel plezier geeft.”

Nu ik fictie creëer, begint het plezier in schrijven pas te komen

Je hebt dus nu gesnuffeld aan de mogelijkheid van fictie in je leven, wat je misschien eerder – maar dat vul ik in – nooit hebt aangedurfd? 

“Dat heb je goed ingevuld, dus dat kun je gewoon opschrijven, maar dan moet je er wel bij zetten dat het geen mansplaining is.”

“Nu ik fictie creëer, begint het plezier in schrijven pas te komen. Als tekenaar moet ik voornamelijk stukken van andere mensen illustreren en naarmate ik beter leer schrijven, kom ik erachter dat sommige stukken slecht in elkaar zitten. Dat geldt bijvoorbeeld voor teksten in De Groene Amsterdammer en de Volkskrant. Dat maakt het tekenen voor mij de laatste tijd steeds moeilijker. Als een tekst goed geschreven is, dan floept de illustratie er zo uit. Het zou fijn zijn om de gedachte te koesteren dat ik van alleen schrijven zou kunnen leven, maar dat is tegenwoordig bijna onmogelijk.”

Verlang je naar roem? 

“Die heb ik al. Oh, maar jij bedoelt een ander soort roem, jij bedoelt Herman Koch-roem.”

Ben je daar ontvankelijk voor? 

“Tuurlijk, ik denk dat iedereen dat is, maar die roem heeft ook een enorme keerzijde. Je went makkelijk aan roem en geld, maar als het verdwijnt, dan is de klap des te harder. Het goede van arm zijn is dat je weet waar je aan toe bent.”

‘Wij wille onse bal terug!’
Beeld: Gabriël Kousbroek