Spring naar de content
bron: matthias giesen

De grijze revolutie

Er komt een ongekende vergrijzingsgolf aan. Maar de babyboomers zullen geen genoegen nemen met hyperefficiency en de verplichte bingomiddag. Ontmoetingen met dwarse geesten en ondernemers die meer levensvreugde in de ouderenzorg willen injecteren. ‘Stop geld in het sociaal veraangenamen van de laatste levensfase, niet in het medisch eindeloos oprekken.’

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Hans van Willigenburg

Het vooruitzicht dat een steeds groter deel van de mensen in West-Europa zal bestaan uit ouderen wordt vaak op bezorgde toon ter sprake gebracht. We staan niet te springen bij het idee dat trager functionerende, uiterlijk over hun hoogtepunt zijnde en niet meer geheel zelfstandige mensen dominanter zullen worden. Ook het gegeven dat een steeds groter deel van het overheidsbudget voor ouderenzorg gereserveerd zal moeten worden en door anderen moet worden opgebracht, lijkt niet bepaald een aanleiding om de vlag uit te steken. Zeker christelijke bestuurders en beleidsmakers, maar ook die van andere, zich beschaafd wanende gezindten, presenteren de vergrijzing in het beste geval als ‘een opdracht’ of ‘een uitdaging’. Mensen die uitkijken naar een toekomst met hoge percentages ouderen zijn niet makkelijk te vinden. We denken er liever niet over na, of stellen dat op zijn minst uit.

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

Nu voert het te ver om de westerse kijk op ouderdom en doodgaan cultuurhistorisch volledig te duiden en ontrafelen, maar één ding staat vast: er zijn culturen waarin ouderdom in een veel positiever daglicht staat dan hier in West-Europa. Ooit sprak ik een succesvolle investeerder annex zenmeester die veel in Japan bivakkeert. Filosoferend over de levensfase waarin wij, gevorderde vijftigers, waren aanbeland, lachte hij dat we nog iets meer dan tien jaar verwijderd waren van een acceptabel niveau van wijsheid. “Nou ja,” voegde hij eraan toe. “Zo denken ze er in Japan over. Vanaf je zeventigste, zo ongeveer, begin je pas een beetje te begrijpen hoe de wereld in elkaar steekt. Op onze middelbare leeftijd zijn we, vinden zij, geestelijk nog volstrekt onrijp.” 

Maar Europa is geen Japan. Wij rekenen niet uit wat ouderen ondanks hun hoge leeftijd nog zouden kunnen

doen en hoeveel gelukkiger dat hen en hun omgeving zou maken; wij rekenen uit wat zij mogelijk niet meer kunnen en hoeveel dat de samenleving gaat kosten. Zo kun je minister De Jonge van VWS in tv-programma’s rekensommetjes horen maken van honderden miljarden euro’s. En over hoeveel economische groei er nodig is om de zorg, waaronder de ouderenzorg, in 2030 ‘op niveau’ te houden. 

Over wat ‘op niveau’ precies betekent en of het überhaupt wenselijk is dat de zorg blijft zoals die is, hoor je echter nooit wat. “En dat is logisch,” zegt antropoloog Martijn van Oorschot (61), die in 2017 een festival organiseerde onder het provocerende motto ‘ouderen bestaan niet’ en daarnaast initiatiefnemer is van het onderzoeksinstituut Aetatis en de wijkzorgwebsite Zorg2punt0. “Want de staat is ervan overtuigd dat ze de best denkbare zorg organiseren. Hun denkkader beperkt zich tot organisatorische vraagstukken over het verder optimaliseren van de bestaande infrastructuur. De uitvoering laten ze aan anderen over, voornamelijk vrouwen.” 

De tekst gaat onder de illustratie verder.

Van Oorschot weet waar hij het over heeft. Over de hele wereld onderzocht hij de maatschappelijke rol en mentale gezondheid van ouderen, alsmede de relatie daartussen. Voor hem zijn bureau en vergadertafel de boosaardige plekken als het om ouderenzorg gaat. Daar worden op grond van efficiencyoverwegingen te veel besluiten genomen die volgens hem slecht zijn voor zowel ouderen als zorgpersoneel. Het ironische is dat hij op verzoek van diezelfde zorgbureaucratie maandenlang met wijkverpleegkundigen heeft opgetrokken, teneinde het ‘echte werk’ van dichtbij te kunnen waarnemen. In zijn studie ‘Nieuwendam’ schrijft hij met een mengeling van liefde en professionele afstand over hen: “Ze stappen op de fiets of in de auto en rijden alleen langs tien buurtbewoners of meer. Tien ontmoetingen, tien confrontaties, heel veel handelingen, tien keer een begroeting en tien keer een afscheid. Dag in dag uit, jaar in jaar uit. Bij dit team doen velen dat al twintig jaar.” 

Via zijn bewust gekozen perspectief, pal naast de wijkverplegers, wil Van Oorschot laten zien hoe zorgmanagers met Excel-sheets en de beste bedoelingen het plezier en de medemenselijkheid in de zorg uithollen. Met ingehouden woede: “Ik heb gezien hoe wijkverplegers onder tijdsdruk gesprekken met cliënten moeten afkappen. En hoe stervenden in hospices letterlijk tot de laatste seconden van hun leven worden gedisciplineerd. Mensonterend. Een andere benaming heb ik er niet voor.” 

Om te illustreren hoe respectloos ouderen worden behandeld, onder het mom van veiligheid en gezondheid, en hoe ver de bureaucratie is opgerukt, kan Van Oorschot putten uit een rijk arsenaal van betuttelende incidenten. Eentje speelde zich af in zijn directe omgeving, bij de vader van een vriendin, die levenslang hersenchirurg is geweest. “Hem hebben ze op zijn negentigste zijn rijbewijs afgepakt, puur vanwege zijn leeftijd. Als je dan weet dat het diens lust en leven was om invaliden uit zijn buurt te chaufferen, dan is er geen andere conclusie mogelijk dan dat hij door het afpakken van dat rijbewijs een vermomde doodstraf heeft gekregen. Uitgerekend de enige manier waarop hij nog voelde van waarde te zijn, werd hem afgenomen. Behalve het persoonlijke drama voor de chirurg en de nadelige invloed van het rijverbod voor degenen die hij chauffeerde en die aan hem gehecht waren, laat dit voorbeeld glashelder zien hoe er in management- en bestuurskringen nauwelijks meer oog is voor de essentie van welzijn: het van betekenis kunnen zijn voor anderen. De oudere is vooral een verdienmodel geworden, waar je medische handelingen aan kunt verkopen.”

Een stug voorbeeld van dat laatste is de wijdverbreide gewoonte ouderen steunkousen aan te meten. Iets dat in veel gevallen overbodig of op zijn minst niet wetenschappelijk onderbouwd is, maar in bedrijfsmatig opzicht een medische handeling waar goed aan te verdienen valt. Al was het maar omdat ze dagelijks aan- en uitgetrokken moeten worden, wat de kassa laat rinkelen. “Hoeveel zorgmanagers niet wakker zouden liggen als het aantal steunkoushandelingen terugloopt,” grapt Van Oorschot een tikje cynisch. 

Futuroloog Justien Marseille, oprichter van The Future Institute en onder andere verbonden aan de Hogeschool Rotterdam en kenniscentrum Creating 010, begrijpt de perverse prikkels van het huidige zorgsysteem maar al te goed. Ook in haar ogen is de oudere voor de zorgsector helaas bijna synoniem geworden voor een te verkopen aantal medische handelingen. Zonder aarzeling constateert Marseille dat de zorg ‘een vieze markt’ is en dat ‘beter worden van meer zieke mensen’ dan wel afschuwelijk mag klinken, maar accurater dan ons lief is weergeeft hoe de hazen in de zorgsector dagelijks lopen. Maar waar Van Oorschot een ijzeren greep van de staat waarneemt op zowat alle gremia in de zorg en voor de komende jaren hooguit een stabilisering van de bureaucratie en aanhoudende betutteling verwacht, ziet Marseille al een hoopgevende kentering aan de horizon. 

“De babyboomers zijn niet meer de traditionele, meegaande oudjes die we lange tijd gewend zijn geweest,” meent Marseille. “Zij zijn over het algemeen individualistisch en zelfverzekerd van aard. En willen het heft in eigen handen nemen, waarmee ze in hun jonge jaren, bij de introductie van de pil, al zijn begonnen.” 

Gesteld dat haar typering van de nieuwe oudere klopt, welke gevolgen heeft dat dan? “Mede door hun vastberadenheid baas te zijn over hun bestaan, en dus ook over hun sterven, wordt de hoofddoelstelling van de zorg – het zo lang mogelijk rekken van het leven – wel degelijk steeds kritischer bejegend. Neem het begrip ‘kwaliteit van leven’. Dat is niet voor niets al enige tijd aan een opmars bezig. Enerzijds wordt de discussie daarover op een macabere manier aangejaagd door kille kostenplaatjes, maar anderzijds door oprechte, ethische vragen over welk leven het nog waard is om geleefd te worden. Persoonlijk ben ik erg voor het diepgaand bevragen daarvan, hoe pijnlijk dat ook is. Het niet stellen van zulke vragen zal het lijden alleen maar vergroten, bij ouderen zelf, maar ook bij hun omgeving.” 

Ik heb gezien hoe stervenden in hospices letterlijk tot de laatste seconden van hun leven worden gedisciplineerd. Mensonterend

Martijn van Oorschot, antropoloog

Zowel Van Oorschot als Marseille wil af van de enorme zorgfabrieken, waar de protocollen en de voorgeprogrammeerde gezelligheid welig tieren. “Lang niet iedereen vindt die bingomiddagen leuk,” aldus Van Oorschot. “Tegelijkertijd zullen weinig verpleeghuisbewoners op een formulier invullen dat ze er geen klap aan vinden. Wanneer je op je laatste plek bent aanbeland, denk je uit vrees wel twee keer na voor je de onvrede over jouw verpleeghuis uit door niet-gewenste hokjes aan te kruisen.”

Ook over het doorbreken van deze aanbodterreur (‘dit doen we op de dagbesteding en dat gaat u vast leuk vinden’) is Marseille optimistischer. Zij voorspelt dat de zorgbureaucratie ‘ingehaald’ gaat worden door platforms, digitale ontmoetingsplekken waar individuele wensen van ouderen gekoppeld gaan worden aan de kennis en kunde van parttime zorgprofessionals, die met behaalde deelcertificaten kunnen aantonen dat ze gekwalificeerd zijn voor bepaalde medische handelingen of sociale vaardigheden. “Idealiter gaan die platforms ervoor zorgen dat ook kleinere zorgtaken het economische domein in worden getrokken. En dat bijvoorbeeld mantelzorgers voortaan een fatsoenlijk inkomen kunnen verdienen door via die platforms drie of vier cliënten te ontmoeten, met wie ze aan de slag kunnen.” 

Uit oogpunt van humanisering en het terugbrengen van de menselijke maat in de ouderenzorg, alsmede de vrijheid van de zorgprofessional, juicht Van Oorschot een levendige meerpartijeneconomie in de zorg van harte toe. “Neem het verpleeghuis in zijn huidige vorm. Dat stamt uit de jaren vijftig, toen je na je pensioen gemiddeld vijf à tien jaar te leven had. Nu worden mensen makkelijk tachtig of negentig. Het zou toch misdadig zijn hen jarenlang op de sluiten?” Van Oorschot is voor initiatieven die decentralisering stimuleren, en daarmee de kans om ook als oudere zelfstandig te blijven. Gevraagd naar waar de volgens hem overgereguleerde zorg dan wel op moet vertrouwen, als op efficiency beluste managers zo duidelijk niet de oplossing zijn, zegt hij resoluut: “Vertrouw op de dood!” 

Net als Van Oorschot vindt Marseille dat dit wellicht sardonisch aandoende antwoord op zijn minst ook een serieuze kant heeft: “Ik voorzie dat we veel ruimhartiger gaan investeren in hospices. Wat is er ook logischer dan dat? Zeker nu we constateren dat het overgrote deel van de zorgkosten aan de laatste levensfase wordt besteed. Stop dat in het sociaal veraangenamen van die fase in plaats van het medisch eindeloos oprekken ervan. En zorg dan dat die hospices dichtbij huis zijn, kleinschalig en een warm bad voor stervenden en nabestaanden.” Deze grotere en openlijker aandacht voor het onafwendbare einde, de dood, zou volgens Marseille de ouderenzorg enorm verbeteren. Ze meent dat zo’n nieuw investeringsbeleid ook om een andere, 

ietwat lelijkere reden aanstaande is. “Met hun economisch gevormde wereldbeeld kun je wachten tot de jonge generatie het sommetje gaat maken hoeveel een maand levensverlenging de gemeenschap kost. Om met dat bedrag vervolgens te illustreren hoeveel onderwijsachterstand je zou kunnen voorkomen als zo’n bedrag naar de post onderwijs gaat.” 

Ondanks deze nieuwe trends en ontwikkelingen ziet Van Oorschot vooral het achterliggende plaatje: een staat die een voorlopig nog ongebroken geloof hecht aan controle, regels, protocollen en maakbaarheid. Volgens hem is er van bovenaf op een ongezonde manier totale zeggenschap over financiën, uitvoering, controle en sanctiebeleid in de ouderenzorg. Zelfs de media en de wetenschap zijn volgens hem horig aan wat er binnen de overheid gedacht en georganiseerd wordt. Voor onwelgevallige rapporten en onderzoeken heeft VWS ‘een batterij aan onderste laden’ waarin ze weggemoffeld kunnen worden. Zorginstellingen, -bestuurders en -medewerkers zijn zijns inziens vaak niet meer dan radertjes in een centraal geleide machine. “Zoiets noemen we totalitarisme,” voegt hij er ter verduidelijking aan toe. 

De tekst gaat onder de illustratie verder.

Met zijn mondiale blik op de omgang met ouderen valt hem op hoe rigide en paternalistisch we in Nederland met ouderen omgaan, en wel zodanig dat zelfs jonge zorgondernemers die de naam ‘pionier’ dragen, veelal zzp’ers, volledig naar het pijpen van de staat dansen.

“Er is geen autoriteit meer over die sterk genoeg is het ministerie uit te dagen over de vraag wat nou wérkelijk goede zorg of ouderenzorg is. Met als gevolg dat zelfs zogenaamde ‘pioniers’ niets nieuws meer doen, maar slechts de gaatjes in het bestaande systeem opvullen. Bijvoorbeeld door te gaan zingen met ouderen. Alsof dat een nieuw idee is. Ik zeg niet dat bewoners in verpleeghuizen er geen plezier aan beleven, maar dat zingen verdringt de vraag over wat ten diepste goed voor ze zou zijn. Het trekt de aandacht weg bij de vraag wat het betekent om van de ene op de andere dag samen met 150 wildvreemden onder één dak te leven. En te bingoën, zeg maar. De wrange conclusie is dat het leger zzp’ers als smeermiddel dient, en volledig afhankelijk is van de zorgbureaucratieën. Ik heb weleens een bijeenkomst met ze gehad waarin iedereen enthousiast over dat zogenaamde pionieren vertelde, als ‘verbinding tussen de ouderen’, maar toen ik vroeg ‘Wie van jullie kent elkaar?’, werd het doodstil. Met andere woorden, er is geen voedingsbodem voor gedachtenuitwisseling, laat staan voor een tegengeluid.”

Als je de ouderenzorg betekenisvol wilt opschudden, zoals Van Oorschot, ben je anno 2021 aangewezen op kleine, particuliere initiatieven, die zich op voorhand niet al te veel van bureaucratieën aantrekken en bovenal als doel hebben ouderen serieus te nemen in hun wensen. En – puur praktisch, zonder al te veel formulieren – eropuit trekken om die wensen in vervulling te laten gaan. Prachtig voorbeeld van zo’n initiatief is Vertroetel je Ouders, van Tom Crouse, die vanuit Amsterdam-Zuid inmiddels een organisatie aanstuurt met vertakkingen in Gelderland, Twente, Friesland, Groningen, Utrecht en Zuid-Holland. Zoals meestal bij dit type initiatieven komt de gedrevenheid puur vanuit de persoon, in het geval van Crouse door het overlijden van zijn vader in 1999, dat hij vanwege een drukke baan en een jong gezin naar eigen zeggen te veel op afstand heeft laten gebeuren. “Ik kreeg daar last van,” zegt hij 22 jaar na dato. “En ik weet nog dat ik toen dacht: dat gaat me bij mijn moeder niet nog een keer gebeuren.” 

Toen zijn moeder kort daarna inderdaad achteruitging, handelde Crouse met grote voortvarendheid: hij regelde in Amsterdam een appartement voor haar en nam de ongebruikelijke stap een buurtadvertentie te plaatsen, vragend naar mensen die zin hadden om tegen betaling zijn moeder te ondersteunen. “Misschien heb ik mazzel gehad,” zegt Crouse, “maar ik kwam vrij snel uit bij twee geweldige mensen. Een pianist die algauw Schubert ten gehore bracht voor mijn moeder, die enorm van klassieke muziek hield. En een dame met wie ze het leuk vond om uit winkelen te gaan. Ik zag voor mijn ogen gebeuren hoe mijn moeder opknapte van die contacten! Ze begon zelfs zó gehecht te raken aan de pianist, die Paul heette, dat ze – als we samen binnenkwamen – enthousiast ‘hallo Paul!’ uitriep en daarna pas zei ‘hoi Tom’. Maar ik was daar helemaal niet door beledigd. Ik gunde het mijn moeder alleen maar heel erg dat ze mensen om haar heen had bij wie ze zich thuis voelde en haar humor kwijt kon.” 

Pas als je met ouderen hebt gesproken en je een beeld hebt gevormd van wie diegene is, krijg je zicht op de werkelijke behoeften van ouderen

Tom Crouse, Vertroetel je Ouders

Hoewel de wortels van Crouse in de IT-sector liggen, waar het individueel-menselijke aspect niet meteen vooropstaat, gaven de succesvolle matches die hij voor zijn moeder regelde hem genoeg vertrouwen om te denken dat hij hetzelfde voor andere ouderen zou kunnen doen. Zijn tweede klant was de moeder van zijn vrouw, en de derde een vader van een vriend. En nee, natuurlijk bleek zijn aanvankelijke succes geen garantie voor steeds weer nieuwe successen. “In het begin ging ik bij ouderen langs als een soort melkboer. Ik schreef hun wensen keurig op: moet Frans kunnen spreken, een auto hebben met lage instap, et cetera. Vervolgens kwam ik met een kandidaat die aan de eisen voldeed, maar bleek na een eerste bezoek dat het ondanks de oppervlakkige match totaal niet klikte. “Je denkt toch niet dat ik met die vrouw op stap ga?” kreeg ik dan te horen. Het heeft me geleerd dat je beter niet kunt kijken naar wat mensen vragen, maar onderzoekt waar hun werkelijke behoeften liggen.” 

Hier lijken we een kernpunt in de hele zorgdiscussie te raken. Want te midden van goedbedoelde enquêtes en sociaal wenselijke antwoorden delft het individu in de zorgsector maar al te vaak het onderspit, wegens te lastig of tijdrovend. Die woorden kent Tom Crouse niet. “Ik ga met mensen in gesprek over hun leven. Over wat hun herinneringen zijn, waar ze blij van worden, welke conflicten ze hebben gehad en welke triomfen ze hebben gevierd. Pas dan, als zo’n gesprek achter de rug is en je een beeld hebt van wie diegene is, krijg je zicht op de werkelijke behoeften. En vergroot je de kans op een goede match.” Het is precies het soort gesprekken waar de reguliere zorg geen tijd voor maakt. Of waarvan om allerlei redenen gezegd wordt dat het te veel in de privésfeer ligt, waarmee de route naar betekenisvoller contact wordt afgesneden in plaats van geopend.

“In het zorgcomplex van haar eigen appartement zag je hoe het in de reguliere zorg werkt. Puur aanbodgestuurd. ‘O, u bent eenzaam? Dan hebben wij een leuke kookcursus voor u.’ Alsof mijn moeder dat nog moet leren! En alsof ze staat te trappelen om dat met andere mensen te gaan doen, terwijl ze niks met groepen heeft.” 

Actieve tegenwerking bij zijn groeiende bedrijf ondervindt Crouse gelukkig niet, maar om nou te zeggen dat zorginstellingen staan te juichen als hij een oudere met Vertroetel je Ouders een leuke dag heeft bezorgd en thuis aflevert, nou nee. “Het komt regelmatig voor dat onze medewerkers dan jaloerse blikken van medebewoners krijgen toegeworpen in de trant van ‘Waarom ik niet?’. En ook bij de zorgmedewerkers merk je soms reserves.” 

Sinds kort heeft Crouse niettemin het gevoel dat er toch wat beweging zit in de zorgsector, en dat zijn bedrijf onderdeel is van die beweging. Zo deelt hij zijn ervaringen met bijvoorbeeld een frisse nieuwkomer als BuddyBold, een soortgelijke non-profitorganisatie die senioren aan jongeren koppelt, met wederzijds profijt: de senior een levendig, nieuw contact dat de dag kan opfleuren, en jongeren die via de omgang met senioren sociale vaardigheden kunnen opdoen en een vast inkomen kunnen verwerven. “Als ik naar BuddyBold kijk, zie ik grote overeenkomsten en denk ik: misschien gaat de zorg het eindelijk zien! In potentie is BuddyBold een prachtig platformbedrijf. Zij inspireren mij enorm. En het is echt te hopen dat de zorgsector dit soort initiatieven op waarde weet te schatten en ruimte geeft.” 

Het blijft de vraag óf en hoe snel de muur tussen de zorgsector en creatieve geesten als Van Oorschot, Crouse en anderen afgebroken kan worden. Of dat het totalitarisme onverstoorbaar verder hobbelt, met sfeerloze bingo’s en vermeend blije ouderen in de hoofdrol.