Spring naar de content

‘Nederland laat kansen liggen en moet meer investeren in ruimtevaart’

Ruimtevaart gaat niet alleen over raketten, reizen naar de maan en Rusland en Amerika. Ook Nederland heeft een eigen ruimtevaartorganisatie, waar verzameling en verstrekking van steeds geavanceerdere satellietdata een belangrijke taak is. Deze data vormen een oplossing voor uiteenlopende maatschappelijke problemen op het gebied van klimaat, landbouw, openbare orde en ruimtelijke ordening. Probleem: te weinig mensen hebben hier weet van.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Jelle Brumsen

De landing van de Amerikaanse ‘mars-robot’ Perseverance afgelopen februari was wereldwijd groot nieuws. Ook in Nederland waren de kranten en televisiestudio’s gevuld met de gebruikelijke ruimte-experts. De ruimtevaart spreekt tot de verbeelding; men denkt al snel aan NASA, grote maanmissies, raketten en André Kuipers. Veel minder mensen denken hierbij aan Nederlandse ruimtevaart, en nog minder mensen weten van het bestaan van een heuse Netherlands Space Office (NSO). Dat is spijtig, want met ruimtevaarttechnologie is zo veel meer mogelijk dan er nu mee gebeurt. Zo kan het een bijdrage leveren aan de oplossing van wereldwijde maatschappelijke problemen op tal van gebieden: van klimaat, digitalisering, waterbeheer, landbouw tot mobiliteit.

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

Het besef dat de Nederlandse ruimtevaart meer aandacht nodig heeft, is ook aanwezig in de politiek. Zo stond er in het verkiezingsprogramma van de VVD dat ‘sectoren van de toekomst zoals ruimtevaart’ moeten worden versterkt en D66 uitte in een Kamervraag op 11 januari 2021 haar zorgen over ‘de bekendheid van de toegevoegde waarde van ruimtevaart’. Ook het CDA maakte zich bezorgd over het feit dat Nederland op het gebied van ruimtevaartuitgaven ‘al jarenlang achterloopt ten opzichte van referentielanden als Duitsland, Zweden, Zwitserland en Denemarken’. Verantwoordelijk staatssecretaris Mona Keijzer (CDA) liet in een beantwoording op 4 februari 2021 weten dat ‘ruimtevaart als onderwerp spannend, fascinerend en inspirerend is’, hoewel er hierbij ‘te vaak’ alleen wordt gedacht aan raketten en astronauten. Toch hebben ‘toepassingen van ruimtevaarttechnologie inmiddels de haarvaten van onze economie en samenleving bereikt’, aldus Keijzer.

In welke haarvaten zitten ruimtevaarttoepassingen dan precies? Jasper Wamsteker, hoofd communicatie en educatie bij de NSO, vertelt dat het hierbij vooral gaat om gebruik van de steeds beter wordende satellietdata. Satellietdata hebben het grote voordeel dat ze op veel terreinen van nut kunnen zijn en kunnen voorzien in grootschalige data over langere tijd. Met de ontwikkeling van steeds vernuftiger sensoren kunnen satellieten bovendien steeds meer en nauwkeuriger informatie verzamelen, bijvoorbeeld over water- en luchtkwaliteit, bodemverzakkingen, maar ook over het voorspellen van bosbranden.

Satellietdata hebben het grote voordeel dat ze op veel terreinen van nut kunnen zijn en kunnen voorzien in grootschalige data over langere tijd

Vooral op het gebied van landbouw is satellietdata redelijk ver ontwikkeld, vertelt Jasper van Loon, programmamanager satelliettoepassingen bij de NSO. Zo draagt het bij aan het controleren van landbouwsubsidies en aan de zogenaamde precisielandbouw: satellietdata leveren informatie over vochtgehalte en bodemkwaliteit van landbouwgronden op welke basis er bijvoorbeeld nauwkeurig kan worden berekend wanneer en hoeveel er geïrrigeerd moet worden.

In Nederland wordt ruimtevaarttechnologie gebruikt op uiteenlopende terreinen, waarbij de Netherlands Space Office een soort ‘makelaarsfunctie’ vervuld, aldus Van Loon. Aan de ene kant praten ze met afnemers van satellietdata, voornamelijk overheden, aan de andere kant met bedrijven en ook het Europese ruimteagentschap ESA over wat er op technologisch gebied mogelijk is of mogelijk gaat worden. Uiteindelijk adviseert de NSO vervolgens beleidsmensen binnen ministeries van Economische Zaken en Klimaat, Landbouw en ook Veiligheid en Justitie, namens wie de NSO opdrachten uitvoert. Toch zou dit systeem beter kunnen werken, namelijk als de politiek meer geld beschikbaar zou stellen voor de ruimtevaart. Van Loon: “Je ziet dat Nederland veel meer zou kunnen in de ruimtevaart dan dat wij er nu in investeren. Als land dreigen we achterop te raken in Europa. Verhoudingsgewijs investeert Nederland veel minder in ruimtevaart dan andere Europese landen.’’

Op het gebied van ruimtevaarttoepassingen zijn er voor Nederland meer kansen dan er nu benut worden, zo concludeerde ook het onafhankelijke onderzoeksbureau Dialogic in hun onderzoek dat zij op 15 oktober 2020 afrondde in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Ruimtevaarttechnologie heeft voor Nederland maatschappelijke meerwaarde op het gebied van satellietnavigatie, satellietcommunicatie en voornamelijk aardobservatie, zo werd er gesteld. Vooral op het gebied van aardobservatie liggen er kansen, bijvoorbeeld in de opsporingspraktijk: satellietdata zouden meer gebruikt kunnen worden bij de opsporing van zogenaamd ‘grootschalig grondverzet’ – oftewel illegale verplaatsingen, het dumpen van (drugs)afval, of de aanpak van cold cases, zo luidde de conclusie.  

Ruimtevaarttechnologie heeft voor Nederland maatschappelijke meerwaarde op het gebied van satellietnavigatie, satellietcommunicatie en voornamelijk aardobservatie

Ook Van Loon ziet nog onbenutte kansen op het gebeid van openbare orde en veiligheid, hoewel de politie ‘steeds meer’ interesse toont. Het Dialogic-onderzoek stelt over onbenutte kansen met satellietdata dat ‘in een aantal domeinen’ ruimtevaarttoepassingen te veel blijven steken in pilots. “De slag naar grootschalige inzet van ruimtevaarttoepassingen verloopt minder soepel en snel dan men zou verwachten op basis van de voordelen die ruimtevaarttoepassingen kunnen bieden.” Waar ligt dat aan? Van Loon vertelt dat iets technologisch wel haalbaar kan zijn, maar dat er ook ‘een bepaald lef’ voor nodig is om het daadwerkelijk toe te passen. “Dat betekent namelijk dat je wat al bestaat moet gaan vervangen en dat vinden organisaties altijd riskant.” Het onderzoeksrapport onderschrijft dit en concludeert bovendien dat ‘bestaande wet- en regelgeving en procedures het gebruik van ruimtevaarttechnologie kunnen belemmeren’. Het blijkt hier niet zozeer te gaan om grote juridische obstakels, maar om een punt dat vergelijkbaar is met dat van Van Loon: organisaties hebben een bepaalde structuur en werkwijze en toornen hieraan stuit geregeld op terughoudendheid en verzet.

Wet- en regelgeving omtrent ruimtevaarttoepassingen betreft niet enkel het ‘aardse’ recht, ook het ‘ruimterecht’ speelt hierin een rol. Tanja Masson-Zwaan, adjunct-directeur van het Internationaal Instituut voor Lucht- en Ruimterecht van de Universiteit Leiden, vertelt dat het ruimterecht met de wereldwijde toename van ruimtevaarttoepassingen steeds belangrijker wordt. Een opmerkelijk punt blijkt dat er geen eensgezindheid bestaat over waar ruimterecht allemaal betrekking op heeft, aangezien er geen internationale consensus is over waar de lucht eindigt en waar de ruimte begint. Deze kwestie is al ruim veertig jaar een formeel agendapunt bij een speciaal comité van de VN, zo vertelt Masson-Zwaan. “Het is een politiek punt dat gaat over nationale veiligheid en soevereiniteit.” In de lucht geldt er soevereiniteit, je mag er niet doorheen vliegen zonder toestemming van een land, terwijl deze soevereiniteit in de ruimte niet geldt. Wat betreft ruimterecht is ruimtepuin voor Nederland een belangrijk punt, aldus Masson-Zwaan. “Steeds meer actoren lanceren steeds meer satellieten, Elon Musk is bijvoorbeeld bezig met een constellatie van tienduizenden satellieten. Er komt steeds meer ruimteafval, terwijl er niet echt een duidelijke plicht is om dit op te ruimen, iets dat GroenLinks ook al constateerde in een enigszins komisch verwoorde Kamervraag op 11 januari 2021, waarin de partij haar zorgen uitte over de ‘hoeveelheid ruimte in het heelal.”

Niet meer in werking zijnde satellieten kunnen in de ruimte zorgen voor onnodige vervuiling en bovendien voor gevaarlijke situaties. Paradoxaal genoeg kunnen wél in werking zijnde satellieten juist bijdragen aan het verminderen van aardse milieuproblemen, onder meer op het gebied van opsporing van milieudelicten, zo vertelt Wamsteker (NSO). Dat er op dit vlak meer moet gebeuren is wel duidelijk, zo blijkt uit recente onderzoeken. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) schreef hierover in opdracht van de ministeries van Justitie & Veiligheid en Infrastructuur & Waterstaat een rapport met een duidelijke conclusie: milieucriminaliteit krijgt te weinig prioriteit, zowel op bestuurlijk- als op opsporingsniveau. De Algemene Rekenkamer deed ook onderzoek naar de aanpak van milieucriminaliteit en rapporteerde hierover aan het begin van 2021. Ook zij concludeerde dat milieucriminaliteit te weinig prioriteit geniet bij de opsporingsinstanties, onder meer voortkomend uit een gebrek aan zichtbaarheid van deze delicten én het gebruik van een ontoereikend informatiesysteem bij de opsporing ervan. Juist bij deze twee problemen lijkt het gebruik van satellietdata een oplossing te kunnen zijn.

Een probleem als de opsporing van milieucriminaliteit heeft te weinig prioriteit bij opsporingsdiensten, maar een oplossing zoals het gebruiken van ruimtevaarttoepassingen in de vorm van satellietdata blijkt lastig te implementeren

Jaap Knotter, voormalig politieman, werkzaam geweest binnen verschillende recherche-onderdelen en sinds 2019 lector bij de Politieacademie, vertelt over de voordelen van het gebruik van satellietdata voor de opsporing van milieudelicten: “Met satellietdata kun je afwijkingen zien ten opzichte van het normaalpatroon. Je kan bijvoorbeeld zien dat er in een bepaald bosperceel ineens verdachte vaten zijn achtergelaten.” Knotter doet onderzoek naar de toepasbaarheid van innovatieve opsporingsmethoden en vertelt dat het in gebruik nemen van ruimtevaarttoepassingen binnen een organisatie als de politie complex is: “Er spelen verschillende zaken mee. Mag je die data verzamelen, mag je die data opslaan, mag je die informatie delen met elkaar, wat mag juridisch? Het is niet alleen maar technologieontwikkeling, als je het ook daadwerkelijk binnen opsporing wil gaan gebruiken komen er ook heel veel sociaaljuridische en ethische vraagstukken bij kijken.” Daarnaast vergt innovatie veel tijd, zo legt Knotter uit. Er zijn altijd mensen die het omarmen, ‘maar ook mensen die innovatie als een bedreiging zien en de hakken in het zand gaan zetten.’ Wat betreft opsporing van milieudelicten met behulp van satellietdata is Knotter desondanks optimistisch. Satellietdata kunnen de politie helpen om meer aan de voorkant van deze problematiek te komen, ‘je wilt niet een veredelde opruimdienst zijn.’ Bovendien ziet Knotter juist kansen in de lage prioriteit van milieucriminaliteit bij politie. Juist innovaties als het gebruik van satellietdata helpen immers enorm in de opsporing hiervan, aldus Knotter.

Concluderend kan je stellen dat er diverse maatschappelijke problemen zijn, dat hier mogelijk een oplossing voor beschikbaar is, maar dat deze oplossing te weinig wordt ingezet. Een probleem als de opsporing van milieucriminaliteit heeft te weinig prioriteit bij opsporingsdiensten, maar een oplossing zoals het gebruiken van ruimtevaarttoepassingen in de vorm van satellietdata blijkt lastig te implementeren. De oorzaken hiervoor hebben een bredere geldigheid: het doorvoeren van innovaties is vaak een kwestie van de lange adem. De onderzoekers van het eerder genoemde Dialogic-onderzoek over de toepassingen van ruimtevaart in Nederland laten hier desgevraagd over weten: “Het patroon dat je vaak ziet in uitvoeringsinstanties is dat enkele enthousiastelingen met de nieuwe mogelijkheden en data aan de slag willen en vervolgens hun eigen management moeten overtuigen waarom dit loont. Die staan hier vervolgens lang niet allemaal om te springen.” Een andere opmerkelijke oorzaak blijkt te liggen in het gegeven dat satellietdata in zekere zin té goed zijn: “Je kan er dusdanig veel mee zien dat dit ook een enorme uitvoeringslast kan geven.” Vertalend naar de problematiek rondom milieucriminaliteit betekent dit dat gebruik van satellietdata zo veel delicten zou blootleggen dat de politie onvoldoende capaciteit heeft om dit te kunnen verwerken. Ruimtevaart en haar toepassingen lijken in Nederland voorlopig nog te snel te gaan voor het Aardse.